RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710633 / JE RK 26-1421
Datum uitspraak: 24 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. S. Kara uit Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. B.V. Rafaela uit Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2026;
- de stukken van de vader, ontvangen op 21 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk;
- de moeder bijgestaan door mr. G. Sahim, waarnemend voor mr. S. Kara;
- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 mei 2027 en de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 oktober 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De jeugdbeschermer heeft naar voren gebracht dat de samenwerking met de ouders de afgelopen periode positief is verlopen. Diagnostiek van [minderjarige] kan snel starten. De financiering daarvoor is rond. Daarnaast loopt het perspectiefonderzoek voor plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Als de uitkomst positief is dan heeft de jeugdbeschermer wel de voorwaarde dat er een school voor [minderjarige] beschikbaar is.
De vader wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk naar huis komt en is van mening dat het diagnostisch onderzoek het beste gedaan zal kunnen worden als [minderjarige] thuis woont. Anders wil de vader dat het verzoek voor de duur van drie maanden wordt toegewezen, met aanhouding van het overige, zodat op korte termijn een evaluatie kan plaatsvinden van hetgeen in de komende periode nog zal worden onderzocht met betrekking tot de diagnostiek van [minderjarige] en de uitbreiding van de omgang.
De moeder wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de vader kan wonen, maar de moeder begrijpt ook dat dit nu niet direct kan. De moeder weet dat er nog diagnostisch onderzoek nodig is zodat beter aangesloten kan worden bij de opvoedbehoeften van [minderjarige]. De moeder verzoekt daarom ook het verzoek voor de duur van drie maanden toe te wijzen en het overige deel aan te houden.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] staat sinds 1 mei 2024 onder toezicht en sinds 10 oktober 2024 is sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing. Aanleiding hiervoor waren ernstige zorgen over zijn ontwikkeling, waaronder langdurig schoolverzuim, verschil van inzicht over passend onderwijs en het uitblijven van noodzakelijke diagnostiek. De kinderrechter constateert dat uit de stukken en de zitting blijkt dat er in de afgelopen periode zowel door [minderjarige] als de ouders positieve stappen gezet. [minderjarige] ontwikkelt zich goed, zowel bij [zorginstelling] waar hij verblijft als binnen zijn huidige school. De omgangregeling tussen [minderjarige] en de ouders is uitgebreid. Ook de samenwerking tussen zowel de moeder als de vader en de gecertificeerde instelling is verbeterd en de ouders werken mee aan de noodzakelijke hulpverlening. Er bestaan nog wel zorgen over [minderjarige]. Er heeft nog steeds geen diagnostisch onderzoek plaatsgevonden en ook het perspectiefonderzoek is nog niet afgerond. Ook met betrekking tot het vinden van een passende school voor [minderjarige] lijkt nog geen overeenstemming te zijn bereikt met de vader. Hoewel het begrijpelijk is dat de ouders graag zouden willen dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de vader zal wonen, zien alle betrokkenen ook in dat een directe thuisplaatsing niet in [minderjarige]’s belang is. De kinderrechter ziet hierin aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen. De kinderrechter is van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Een kortere verlenging is hiervoor niet toereikend nu het diagnostisch onderzoek nog moet plaatsvinden op een voor [minderjarige] bekende en stabiele plek, er nog een passende school voor [minderjarige] gevonden moet worden en de omgang tussen [minderjarige] en de ouders op een voor [minderjarige] passend tempo nog moet worden uitgebreid.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 2 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.