RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710685 / JE RK 26-1425
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over de minderjarigen
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
en
de pleegouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2],hierna te noemen de pleegouders,
van wie de gegevens bij de rechtbank bekend zijn.
1. Het verloop van de procedure
Op 6 augustus 2026 heeft de rechtbank het verzoek met bijlagen ontvangen.
De zitting van de meervoudige kamer met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders.
De moeder is voor de zitting opgeroepen maar niet verschenen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de pleegouders.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 28 september 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Aan het verzoek ligt onder meer ten grondslag dat de gecertificeerde instelling van mening is dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] het beste bij de pleegouders kunnen opgroeien. Daarom heeft de gecertificeerde instelling het besluit genomen om niet meer te werken aan terugkeer van de kinderen naar de moeder. Dit perspectiefbesluit is per brief op 6 augustus 2026 aan de moeder medegedeeld. De gecertificeerde instelling vraagt aan de rechtbank om aandacht te besteden aan (hun standpunt over) het opgroeiperspectief van de kinderen bij het oordeel over de uithuisplaatsing.
4. De standpunten van de belanghebbenden
Uit de stukken volgt dat de moeder het oneens is met het perspectiefbesluit en wenst dat de kinderen (in de toekomst) bij haar wonen.
De pleegouders geven aan dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij hen kunnen blijven wonen zolang dat nodig is. Tijdens de zitting hebben zij aan de rechtbank verteld hoe het met de kinderen gaat.
5. De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De rechtbank legt hierna uit waarom en zal daarbij ook het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] betrekken.
Toen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder woonden waren er ernstige zorgen of de moeder in staat was de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. Op jonge leeftijd wordt bij kinderen een belangrijke basis gelegd voor het gevoel van veiligheid – dat nodig is om tot een gezonde ontwikkeling te komen – en het gevoel van vertrouwen in anderen, omdat jonge kinderen afhankelijk zijn van de volwassenen om hen heen. De rechtbank heeft gelezen dat de moeder uit onmacht soms niet de juiste keuzes maakte, wat grote en blijvende gevolgen kan hebben voor de kinderen in die kwetsbare levensfase. Het verleden van de moeder – waarin haar eigen gevoel van veiligheid en vertrouwen ernstig is beschadigd – heeft daarbij een rol gespeeld, evenals de omstandigheid dat zij zelf ook nog jong was. Over de impact van de gebeurtenissen in de vroege kinderjaren zijn met name ten aanzien van [de minderjarige 1] zorgen, bijvoorbeeld over de manier waarop zij met anderen omgaat (gehechtheid) en op bepaalde situaties reageert (grenzen opzoeken, opstandig en stiekem gedrag). Dat kan deels te maken met haar temperamentvolle karakter, zoals dat wordt omschreven, maar dergelijk gedrag wordt door de gecertificeerde instelling en de pleegzorgbegeleiders ook in verband gebracht met (vroegkinderlijk) trauma. Ten aanzien van [de minderjarige 2] zijn er minder zorgen, maar zij heeft andere ervaringen dan [de minderjarige 1] en is op jongere leeftijd uit huis geplaatst. [de minderjarige 2] was toen namelijk twee maanden oud en [de minderjarige 1] twee jaar. Sindsdien verblijven de kinderen bij de pleegouders.
Al meer dan vier jaar zijn de pleegouders verantwoordelijk voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Gelet op de leeftijd van de kinderen is dat een relatief lange periode. De kinderen ontwikkelen zich bij hen naar omstandigheden goed. Gezien hun voorgeschiedenis hebben de kinderen soms meer nodig van hun opvoeders dan andere kinderen. De rechtbank constateert dat in de afgelopen jaren geen reële mogelijkheid tot terugkeer van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar de moeder is ontstaan. Er is hulpverlening ingezet om daaraan te werken – zoals begeleiding van het Leger des Heils, opvoedondersteuning, begeleide omgang, Video Interactie Begeleiding en praktische ondersteuning – maar de situatie van de moeder is niet dusdanig veranderd dat zij (zowel praktisch als emotioneel) voor de kinderen kan zorgen. De rechtbank ziet dat de moeder wel een aantal zaken in haar leven heeft aangepakt, met behulp van het Leger des Heils, en dat zij de contactmomenten met de kinderen belangrijk vindt en serieus neemt. Die contactmomenten verlopen ook goed en de kinderen zijn blij hun moeder te zien. Maar het lukt de moeder niet om op noodzakelijke en bepalende punten echt door te pakken. De rechtbank doelt daarbij op de persoonlijke omstandigheden die vormend zijn geweest in het leven van de moeder en haar handelen beïnvloeden. De moeder geeft telkens aan daarmee aan de slag te gaan, door bijvoorbeeld traumatherapie te gaan volgen en te stoppen met blowen, maar het lukt haar tot op heden nog niet. De rechtbank constateert dan ook dat sprake is van onmacht en niet van onwil. Tegelijkertijd ziet de rechtbank dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] steeds meer behoefte krijgen aan duidelijkheid over de rol van hun moeder en de rol van de pleegouders in hun leven. Die duidelijkheid is belangrijk voor hun ontwikkeling. Dat belang van de kinderen weegt voor de rechtbank zwaarder dan het belang en de wens van de moeder om op termijn weer zelf voor de kinderen te zorgen.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de kinderen bij de pleegouders volgen. Dat betekent dat de rechtbank ook vindt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] het beste bij de pleegouders kunnen opgroeien. De rechtbank begrijpt dat het perspectiefbesluit voor de moeder een teleurstellend en verdrietig bericht is. Daarom hecht de rechtbank eraan het volgende op te merken. Het oordeel dat de kinderen in het pleeggezin blijven wonen verandert niets aan het uitgangspunt dat de rol van de moeder in het leven van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zo groot mogelijk moet zijn. De moeder blijft belangrijk voor de kinderen, ook als zij niet de vaste opvoeder is. Het warme, positieve en regelmatige contact tussen de kinderen en de moeder biedt een hoopvol perspectief. Als duidelijk is dat de kinderen bij de pleegouders blijven wonen, dan kan er ruimte ontstaan om de moeder sterker te maken in haar rol naast het pleeggezin. Daarbij moet gestreefd worden naar het hoogst haalbare, waarbij de belangen van de kinderen altijd leidend zijn.
De rechtbank zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De rechtbank:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 28 september 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. M. de Kleine en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 9 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.