RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/711099 / JE RK 26-1475
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Boulgoudan uit Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
BRP-geregistreerd als geëmigreerd,
feitelijk verblijvende in [plaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter in deze rechtbank heeft op de zitting van 18 september 2026, de datum waarop het verzoek van de gecertificeerde instelling zou worden behandeld, naar aanleiding van een uitstelverzoek van de advocaat van de moeder, die behandeling met instemming van alle betrokkenen verplaatst naar de zitting van 25 september 2026.
De kinderrechter neemt nu de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van 14 augustus 2026;
het proces-verbaal van de zitting van 18 september 2026.
Op 25 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben (samen) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld.
2. De feiten
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.
De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder bepaald.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 10 april 2027. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in de categorie overig, te weten bij de vader met gezag, tot 26 september 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling in aanvulling op het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht. Sinds kort is er omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder. Als [minderjarige 1] er behoefte aan heeft, dan gaat hij met [minderjarige 2] mee naar de (begeleide) omgangsmomenten die [minderjarige 2] heeft met de moeder. Voor [minderjarige 1] zijn er nog geen vaste afspraken gemaakt over de omgang met de moeder, maar de jeugdbeschermer is voornemens om een omgangsregeling voor beide kinderen op te stellen. Verder blijft de woning van de moeder een aandachtspunt. De moeder is op zoek naar een nieuwe woning. Dit geeft haar de mogelijkheid om grondig door haar spullen te gaan en die (nieuwe) woning opgeruimd, veilig en hygiënisch te krijgen voor haarzelf en de kinderen. Dit proces zal moeten worden afgewacht en de jeugdbeschermer gaat voorwaarden opstellen die nodig zijn om de kinderen weer bij de moeder thuis te kunnen laten verblijven.
4. De standpunten
De vader is het eens met verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Het gaat goed met de kinderen bij de vader thuis. [minderjarige 2] is recent gestart bij Orion van Cardea en hij ontwikkelt zich daar positief. Zijn uren op de groep worden de komende tijd nog verder uitgebreid. De vader stimuleert de omgang tussen de kinderen en de moeder. Hij vindt het wel belangrijk dat de moeder haar zaken op orde heeft. De vader staat ervoor open om vaste afspraken te gaan maken over de omgangsmomenten met de kinderen.
Ook de moeder heeft zich niet verzet tegen verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Wel verzoekt de moeder om de machtiging voor een kortere periode te verlengen dan is verzocht. De moeder is blij dat de omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] goed verloopt en zij wil toewerken naar onbegeleide omgang bij haar thuis en een co-ouderschapregeling met de vader. De moeder begrijpt dat hiervoor eerst stabiliteit in haar woonsituatie nodig is en zij is hier voortvarend mee bezig. De moeder zoekt naar een woning in de buurt van de woning van de vader, zodat zij dichterbij de kinderen is. Ze staat nu hoog op de wachtlijst voor een andere woning en heeft binnenkort een eerste bezichtiging. Zij is hierom ook bezig met het opruimen van haar huidige woning, wat haar zelfstandig lukt. Zodra de moeder een geschikte woning heeft gevonden voor haarzelf en de kinderen, dan is zij, eerder dan tegen het einde van de lopende ondertoezichtstelling, in staat om de kinderen weer bij haar te hebben. De moeder krijgt momenteel ondersteuning vanuit [hulpverlener] in de buurt en Fivoor en van haar maatschappelijk werker en dit verloopt allemaal goed. Aankomende week krijgen de ouders de uitslag van het diagnostisch onderzoek dat bij [minderjarige 1] is uitgevoerd.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter ziet dat er positieve ontwikkelingen zijn binnen het gezin, mede als gevolg van het inzetten van intensieve hulp bij de moeder. Zo is de moeder gestart met een ambulante behandeling bij Fivoor en na een periode van geen contact is er weer omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder. Ook is er diagnostisch onderzoek bij [minderjarige 1] uitgevoerd en de uitslag daarvan wordt binnenkort verwacht. Er komt dan, naar alle waarschijnlijkheid, meer duidelijkheid over zijn ontwikkeling en de ouders zullen, als er hulpverlening moet worden ingezet, handvatten krijgen om goed op de behoeften van [minderjarige 1] te kunnen aansluiten. [minderjarige 2] is recent gestart bij Orion, een onderwijs-leerplek van Cardea, waar hij goede stappen zet in zijn ontwikkeling en hij zal de uren op die plek stapsgewijs gaan uitbreiden. De thuissituatie van de moeder is echter momenteel nog niet dermate stabiel dat de kinderen weer (gedeeltelijk) bij haar kunnen wonen. De hulpverlening die voor de moeder is ingezet, loopt nog steeds goed en de moeder heeft hier baat bij. De zorgen over haar woning zijn daarentegen nog niet geheel weggenomen. De moeder is aan het zoeken naar een geschikte woning in de buurt van de woning van de vader, zodat de kinderen uiteindelijk dichtbij beide ouders zullen wonen. Het is op dit moment alleen nog onbekend wanneer de moeder een nieuwe woning toegewezen zal krijgen. Ook zal moeten blijken of het de moeder vervolgens zelfstandig lukt om haar woning opgeruimd, schoon en veilig te houden voor de kinderen en ook zal zij niet moeten terugvallen in middelengebruik als er nare dingen gebeuren. Dit zal moeten worden gemonitord en de jeugdbeschermer zal voorwaarden (waaronder veiligheidsafspraken) moeten gaan opstellen waaronder de kinderen weer (gedeeltelijk) bij de moeder te kunnen gaan wonen. Gelet op dit alles is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk dat de kinderen voorlopig bij de vader blijven wonen. De kinderrechter geeft de moeder wel mee dat, mocht zij een nieuwe woning vinden en in die woning een veilige en stabiele thuisbasis voor de kinderen kunnen creëren, de machtiging tot uithuisplaatsing die de kinderrechter nu verlengt, niet tot het einde van de huidige ondertoezichtstelling door de gecertificeerde instelling gebruikt hoeft te worden. De kinderrechter benadrukt verder dat, nu de kinderen voorlopig bij de vader zullen blijven, het belangrijk is dat er concrete afspraken worden gemaakt over de omgangsmomenten met de moeder, zodat ook hier rust en stabiliteit in komt voor iedereen.
Gelet op het bovenstaande is de machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader tot 10 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Gillot als griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.