RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/712718 / FA RK 26-9478
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij en de vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: de moeder.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: JBW,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: WSS,
[de oma] ,
hierna te noemen: de oma,
en
[de opa] ,
hierna te noemen: de opa,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de grootouders,
wonende in [woonplaats].
1. Het (verdere) verloop van de procedure
Bij (spoed)beschikking van 17 september 2026 heeft de kinderrechter het toen nog ongeboren kind van de moeder aangemerkt als reeds geboren en JBW tot 1 oktober 2026 belast met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 25 september 2026.
De kinderrechter neemt nu de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 17 september 2026 en de daarin benoemde stukken;
- het wijzigingsverzoek van de Raad van 24 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam 1], namens de Raad;
[naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
[naam 3], namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de onderhavige verzoeken en de verzoeken van de Raad in de zaak met zaaknummer C/09/712716 / JE RK 26-1636, zijn de zaken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking gegeven.
2. De feiten
De moeder is geboren op [geboortedatum] 2009.
De moeder is op [geboortedatum] 2026 bevallen van [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]). De moeder was minderjarig tijdens de geboorte van [minderjarige] en is dat nu nog.
[minderjarige] verblijft met de moeder bij de grootouders.
De vader van [minderjarige] is niet in beeld.
3. Het (resterende) verzoek
De Raad verzoekt de voorlopige voogdij over [minderjarige] uit te spreken. De maatregel is volgens de Raad dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening over [minderjarige] te voorzien. Daarnaast verzoekt de Raad om wijziging van de voorlopige voogdij over [minderjarige], in die zin dat wordt verzocht WSS te belasten met de voorlopige voogdij in plaats van JBW. Door de Raad is tevens verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. De moeder is zeventien jaar en staat zelf voorlopig onder toezicht, omdat er zorgen zijn over haar situatie en haar wisselende wens om [minderjarige] al dan niet te willen houden. Omdat de moeder minderjarig is, is zij onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag over [minderjarige]. De vader is niet in beeld.
De zorgen over de moeder komen erop neer dat zij tijdens de zwangerschap onduidelijk is geweest over of zij de baby wilde houden en onvoldoende meewerkte aan de noodzakelijke hulpverlening. Zo stond zij zeer ambivalent tegenover het accepteren van de jeugdhulpverlening, kwam zij niet naar verplichte medische afspraken en is zij in het ziekenhuis meermaals weggelopen op het moment dat zij ging bevallen. De Raad is daarom van mening dat de moeder op dit moment niet in staat is om keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] en van haarzelf zijn. Het is daarom noodzakelijk dat de voogdij voorlopig bij een gecertificeerde instelling wordt belegd, zodat een jeugdbeschermer de noodzakelijke keuzes in het belang van [minderjarige] kan maken en passende hulp in kan zetten. De Raad vindt het positief dat de moeder en de oma hebben aangegeven dat zij zelf voor [minderjarige] willen blijven zorgen en het gezag over hem willen delen. Tijdens de voorlopige voogdij kan de Raad daar onderzoek naar doen en bekijken hoe er definitief in het gezag van [minderjarige] moet worden voorzien.
Ten aanzien van het verzoek dat strekt tot wijziging van de voorlopige voogdij heeft de Raad aangevoerd dat WSS beter aansluit, omdat er sprake is van multiproblematiek binnen het gezin. Uit onderzoek is gebleken dat de moeder autisme en een beneden gemiddeld IQ heeft. WSS kan daarin beter ondersteunen.
4. De standpunten van de belanghebbenden en de informatie van de informanten
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het niet eens is met het verzoek. De moeder verblijft samen met [minderjarige] bij de opa en oma. De eerste week na de bevalling is heel goed gegaan. De moeder is voldoende in staat om voor [minderjarige] te zorgen en werkt mee aan hulpverlening. Het gaat ook goed met [minderjarige] en ieder gezinslid heeft een rol met betrekking tot zijn verzorging. De moeder zou graag samen met de oma gedeeld gezag willen uitoefenen over [minderjarige].
JBW staat achter de verzoeken van de Raad. Hoewel sinds de bevalling vooruitgang is te zien in hoe de moeder zich verhoudt tot de baby, is dit een recente ontwikkeling en is er nog steeds sprake van een gezagsvacuüm. De voorlopige voogdij is volgens JBW noodzakelijk om te onderzoeken welke rol de moeder en de grootouders hebben ten aanzien van [minderjarige], om te kijken wat de moeder en [minderjarige] nodig hebben en wat daarvoor geregeld moet worden. Ook is het wenselijk dat de mogelijkheid van gedeeld gezag onderzocht wordt.
Ook WSS onderschrijft de verzoeken van de Raad. WSS heeft verklaard dat zij bij een wijziging van de gecertificeerde instelling direct kunnen voortzetten waar JBW mee is begonnen, zodat zij de moeder en grootouders kunnen ondersteunen. [instantie] zal betrokken worden om mee te kijken en te begeleiden bij de hechting tussen de moeder en [minderjarige].
De grootouders hebben verklaard dat zij voor de geboorte van [minderjarige] bezig waren met een procedure tot meerderjarigverklaring van de moeder, zodat de moeder het gezag kan delen met de oma. Het is echter niet gelukt om deze procedure af te ronden, omdat [de moeder] te vroeg beviel. De oma en de moeder zouden nog steeds graag het gezag over [minderjarige] delen.
5. De (nadere) beoordeling
Voorlopige voogdij
Ingevolge artikel 1:241 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de Raad, indien blijkt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, de kinderrechter verzoeken in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien. Op grond van lid 2 van voornoemd artikel kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening van de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen.
Op grond van de inhoud van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, oordeelt de kinderrechter dat de voorlopige voogdij nog steeds dringend en noodzakelijk in het belang van [minderjarige] is. De moeder is minderjarig en daarom niet bevoegd om het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De vader is niet in beeld, heeft geen gezag en is niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Om die reden is JBW al voor korte tijd benoemd tot voorlopig voogd. Het is noodzakelijk dat een voogd ook voor de resterende periode van het verzoek de belangen van [minderjarige] waarborgt, omdat er zaken zijn die op korte termijn geregeld moeten worden, zoals het inzetten van hulpverlening en andere praktische zaken.
De kinderrechter merkt op dat het positief is om te zien dat de moeder open staat voor begeleiding en dat de hechting tussen [minderjarige] en de moeder vooralsnog goed lijkt te verlopen. Er is op dit moment echter nog steeds sprake van een kwetsbare situatie en onderzocht dient te worden hoe de moeder en grootouder om blijven gaan met de situatie.
De omstandigheden waaronder moeder zwanger is geraakt zijn immers zeer zorgelijk en de moeder heeft vanwege deze omstandigheden tijdens haar zwangerschap meermaals aangegeven afstand te willen doen van [minderjarige]. Het is de vraag of de moeder op dit moment in staat is om keuzes te maken in het belang van [minderjarige]. Verder zijn er zorgen over het familiesysteem en de veiligheid in de thuissituatie. In september 2026 zijn de opa en de moeder met elkaar in conflict geraakt en is er binnen het gezin fysieke en emotionele onveiligheid ontstaan. De komende periode zal duidelijker moeten worden hoe deze situatie zich ontwikkelt en of de moeder bij haar wens om voor [minderjarige] te blijven zorgen blijft.
Hierbij merkt de kinderrechter op dat het onder andere van belang is dat de Raad gaat onderzoeken hoe er definitief in het gezag over [minderjarige] moet worden voorzien en of de moeder en de oma mogelijk gezamenlijk belast kunnen worden met het gezag over [minderjarige], nu dit de wens is van zowel de moeder als de oma. Ook acht de kinderrechter het in het belang van zowel [minderjarige] als de moeder dat de moeder hulpverlening accepteert voor haar persoonlijke problematiek.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen, te weten voor de periode van 1 oktober 2026 tot 17 december 2026. De maatregel vervalt na verloop van die periode, tenzij voor het einde van de termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist.
Vervanging van de gecertificeerde instelling
Bij beschikking van 17 september is JBW belast met de voorlopige voogdij over het toen nog ongeboren kind. Op grond van artikel 1:241 lid 5 BW kan de maatregel worden ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen. Nu uit de stukken en ter zitting duidelijk is geworden dat de gecertificeerde instelling WSS beter aansluit bij de problematiek van het gezin van de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige voogdij beter belegd kan worden bij WSS. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook toewijzen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
met wijziging in zoverre van de beschikking van 17 september 2026:
belast de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van heden met de voorlopige voogdij over [minderjarige];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Gillot als griffier, en op schrift gesteld op 9 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.