RECHTBANK DEN HAAG
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/712184 / FA RK 26-9159
Datum beschikking: 25 september 2026
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], [geboorteland],
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. B.J. de Bruijn te Den Haag.
ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 september 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 4 september 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1], psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 3 september 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 4 september 2026;
- een afschrift van de politiemutaties;
- een brief van de officier van justitie van 13 augustus 2026, waaruit blijkt dat betrokkene geen justitiële documentatie heeft.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de psychiater, [naam 2].
De officier van justitie heeft een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig geacht en het is de rechtbank ter zitting gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen. Daarom is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten ter zitting
Betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed met haar gaat. Zij geeft is wat suf van de medicatie, maar zij heeft deze nodig heeft om te kunnen slapen. De afgelopen maanden sliep zij slecht, onder meer door zorgen om haar autistische kind en door het opknappen van haar huis. Betrokkene vindt een zorgmachtiging niet nodig, omdat zij haar medicatie inneemt en weet dat zij die nodig heeft.
De advocaat heeft toegelicht dat betrokkene haar klachten zelf verklaart uit het niet slapen en uit triggers van buitenaf. Betrokkene denkt dat de klachten voortkomen uit trauma en stress. Zij ervaart baat bij de medicatie en wil die vrijwillig blijven innemen. De advocaat heeft verder aangevoerd dat in de medische verklaring wel staat dat noodzakelijke zorg niet op vrijwillige basis kan worden verleend, maar ook dat betrokkene coöperatief is en dat een zorgmachtiging vooral nodig zou zijn als vangnet voor een eventuele toekomstige ontregeling. Volgens de advocaat is dat te hypothetisch. Betrokkene is immers niet vaak in beeld bij de GGZ en er is geen sprake van actueel ernstig nadeel. Bovendien blijkt uit de medische verklaring dat de noodzaak voor een zorgmachtiging niet evident is, gezien de huidige stabiliteit en medewerking van betrokkene. De advocaat wijst er ook op dat de diagnostiek nog onzeker is, wat verplichte zorg prematuur maakt. Verder heeft de advocaat aangevoerd dat in de medische verklaring staat dat betrokkene tijdens een ontregeling wilsonbekwaam is. Daaruit volgt volgens hem juist dat zij buiten een ontregeling wilsbekwaam is. Dat versterkt volgens de advocaat haar wens om vrijwillig zorg te ontvangen. Mocht in de toekomst opnieuw sprake zijn van een ontregeling, dan weet betrokkene volgens hem zelf de weg naar de zorg te vinden. Zij wil in zorg blijven, zodat een zorgmachtiging daarvoor niet nodig is. De advocaat verzoekt primair afwijzing van het verzoek op grond van de vrijwilligheid. Subsidiair verzoekt de advocaat alleen de vormen van verplichte zorg ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘opnemen in een accommodatie’ en ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’ toe te wijzen.
De psychiater heeft ter zitting verklaard dat betrokkene in aanloop naar de ontregeling afgelopen zomer haar medicatie niet goed innam. In juli of augustus uitte de huisarts zorgen, omdat betrokkene vaak in paniek belde met hartkloppingen en angstklachten. Het ging in die periode steeds slechter met betrokkene, met waanideeën, een boze en geïrriteerde stemming, chaotisch gedrag en het idee dat de huisarts haar iets aan wilde doen. Ook heeft betrokkene fysieke agressie getoond richting een vriendin. Uiteindelijk is zij opgenomen, toen zij volgens de psychiater ernstig ontregeld was. Bij betrokkene is sprake van een bipolaire stoornis en PTSS. Zij heeft geen ziektebesef en -inzicht en denkt zelf dat haar psychotische klachten vooral kwamen door stress en slecht slapen. Volgens de psychiater heeft stress mogelijk een rol gespeeld als aanleiding, maar dat verklaart niet alles. Het ging al maanden slechter met betrokkene en het lukte niet om zorg op te starten. Betrokkene is op dit moment stabiel dankzij de medicatie. Zij ziet medicatie vooral als middel om beter te slapen, terwijl die volgens de psychiater ook nodig is voor haar bipolaire stoornis. Betrokkene komt wel naar haar afspraken, maar neemt de medicatie niet zoals voorgeschreven en heeft daarover een andere mening. Zonder verplicht kader zal zij de medicatie waarschijnlijk niet of anders dan voorgeschreven innemen, met de kans op een nieuwe ontregeling. De medicatie is nodig om haar stabiel te houden. De psychiater acht enkel de verzochte vorm van verplichte zorg ‘andere medische handelingen en therapeutische maatregelen’ niet noodzakelijk.
Beoordeling
Op 17 augustus 2026 heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 28 september 2026.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis.. De onafhankelijk psychiater heeft toegelicht dat sprake is geweest van een ernstige psychische ontregeling, maar dat nog nader diagnostisch onderzoek nodig is om die ontregeling precies te duiden. Daarbij wordt gedacht aan een eerste manische episode in het kader van een bipolaire stoornis, maar ook aan gedragsmatige en affectieve ontregeling vanuit reeds bestaande traumagerelateerde en persoonlijkheidsproblematiek. Uit het zorgplan en de toelichting ter zitting blijkt dat betrokkene is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis. De rechtbank is van oordeel dat voldoende vaststaat dat de ontregeling voortkomt uit een psychische stoornis.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstige psychische schade;
- maatschappelijke teloorgang.
De ontregeling van betrokkene heeft onder andere wanen, ontremd en escalerend gedrag en slaapgebrek tot gevolg gehad. Zij was ervan overtuigd dat haar huisarts haar bewust verkeerde medicatie had voorgeschreven met de bedoeling dat zij zou overlijden. Daarnaast heeft zij fysieke agressie vertoond richting een vriendin. De ontregeling heeft het leven van betrokkene ontwricht en heeft een grote impact gehad op haar kinderen.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene heeft geen ziektebesef en -inzicht, waardoor haar medewerking aan de zorg kwetsbaar is. Zij verschilt van mening met de psychiater over de reden waarom de medicatie nodig is. Betrokkene denkt dat de medicatie nodig is voor haar slaapproblemen en lijkt niet te beseffen dat deze medicatie noodzakelijk is vanwege een psychische stoornis. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende grond is voor het vertrouwen dat de noodzakelijke zorg in een vrijwillig kader kan worden verleend. Het ontbreken van ziektebesef en -inzicht heeft bovendien betekenis voor de wilsbekwaamheid, omdat betrokkene daardoor de gevolgen van haar keuzes niet goed kan overzien.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg zonder meer noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.
Hoewel namens betrokkene is verzocht de vormen van verplichte zorg ‘toedienen van medicatie’ en ‘verrichten medische controles’ af te wijzen, is de rechtbank – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – van oordeel dat deze noodzakelijk zijn.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van verplichte zorg in de vorm van ‘andere medische handelingen en therapeutische maatregelen’. Niet gebleken is dat deze vorm van zorg in het verleden noodzakelijk is geweest en niet voorzienbaar is dat het opleggen hiervan direct noodzakelijk zal zijn. Het verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal daarom worden verleend.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], [geboorteland],
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
en daarnaast ook de volgende maatregelen indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 25 maart 2027;
wijst af het meer of anders verzochte.