RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/712716 / JE RK 26-1636
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en de vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
tezamen wonende in [woonplaats] ,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: JBW,
en
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: WSS.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
Bij (spoed)beschikking van 17 september 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 17 september 2026 tot
1 oktober 2026 en JBW belast met de uitvoering daarvan. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 25 september 2026.
De kinderrechter neemt nu de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 17 september 2026 en de daarin benoemde stukken;
- het wijzigingsverzoek van de Raad van 24 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] , namens JBW;
[naam 3] , namens WSS.
De kinderrechter heeft aan [minderjarige] bijzondere toegang verleend om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, nadat is gebleken dat geen van de belanghebbenden bezwaar had tegen de aanwezigheid van [minderjarige] bij de zitting.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de onderhavige verzoeken en de verzoeken van de Raad in de zaak met zaaknummer C/09/712718 / FA RK 26-9478, zijn de zaken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking gegeven.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] is op [dag] 2026 bevallen van [zoon] (hierna te noemen: [zoon] ). [minderjarige] was minderjarig tijdens de geboorte van [zoon] en is dat nu nog.
[minderjarige] verblijft met [zoon] bij de ouders. De vader van [zoon] is niet in beeld.
3. Het (resterende) verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Tevens verzoekt de Raad om wijziging van de voorlopige ondertoezichtstelling over [minderjarige] , in die zin dat wordt verzocht WSS te belasten met de uitvoering daarvan in plaats van JBW. Door de Raad is tevens verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] en over de opvoedsituatie bij de ouders. [minderjarige] heeft autisme en een benedengemiddeld IQ. Zij is op zeventienjarige leeftijd onbedoeld zwanger geraakt en kwam hier pas na achttien weken achter. In eerste instantie wilde zij het kindje laten aborteren. [minderjarige] heeft uiteindelijk besloten om het kind te houden, maar is daar in de afgelopen periode ook zeer wisselend over geweest. Zo heeft zij in een geëmotioneerde toestand aangegeven dat zij na de bevalling weg wilde lopen en de baby achter wilde laten bij de ouders. Ook heeft zij gezegd dat zij niks voor haar baby voelt en het niet te willen. De Raad maakt zich zorgen of [minderjarige] op dit moment in staat is om goede en veilige keuzes te maken. De vader van [zoon] is onbekend bij de familie en de hulpverlening.
Verder zijn er zorgen over de veiligheid in de thuissituatie van [minderjarige] . In september 2026 zijn de vader en [minderjarige] veelvuldig met elkaar in conflict geraakt, waarbij fysieke en emotionele onveiligheid ontstond. Er is een Veilig Thuis-melding gemaakt en er is ambulante spoedhulpverlening ingezet om veiligheidsafspraken te maken, zodat [minderjarige] niet alleen zou zijn met de vader. De moeder is als gevolg hiervan overbelast geraakt.
Hoewel de eerste week na de bevalling goed verlopen is, heeft [minderjarige] de afgelopen periode tijdens haar zwangerschap medische controles geweigerd en werkte zij onvoldoende mee met de betrokken jeugdhulpverlening. Een voorlopige ondertoezichtstelling is volgens de Raad dan ook nodig om ervoor te zorgen dat de noodzakelijke hulpverlening in het gezin daadwerkelijk van de grond komt.
Ter onderbouwing van het verzoek om WSS als gecertificeerde instelling te vervangen door JBW heeft de Raad aangevoerd dat WSS beter aansluit. Er is sprake van multiproblematiek in het gezin en uit onderzoek is gebleken dat [minderjarige] autisme en een benedengemiddeld IQ heeft. WSS kan daarin beter ondersteunen.
4. De standpunten van de belanghebbenden en de informatie van de informanten
JBW staat achter de verzoeken van de Raad. Hoewel er sinds de bevalling vooruitgang te zien is in de manier waarop [minderjarige] zich verhoudt tot de baby en iedereen binnen het gezin zijn rol inneemt, is een periode van één week te kort om te kunnen zeggen dat de zorgen die er in aanloop naar de bevalling waren, nu niet meer aanwezig zijn. [minderjarige] is ambivalent geweest ten aanzien van hulpverlening. Het lijkt JBW daarom goed dat WSS betrokken raakt, om te kijken wat [minderjarige] nodig heeft en wat er geregeld moet worden totdat zij achttien jaar wordt. Ook is het wenselijk dat de mogelijkheid van gedeeld gezag onderzocht wordt. Hulpverlening vanuit [hulpverlener] wordt door JBW noodzakelijk geacht om [minderjarige] te begeleiden in belangrijke zaken rondom [zoon] , zoals hechting, basisbehoeften en veiligheid.
Ook WSS onderschrijft de verzoeken van de Raad. WSS heeft naar voren gebracht dat zij bij een toewijzing van de verzoeken direct kunnen voortzetten waar JBW mee is begonnen, zodat zij [minderjarige] en de ouders goed kunnen ondersteunen.
De ouders hebben verklaard dat zij voor de geboorte van [zoon] bezig waren met een procedure tot meerderjarigverklaring van [minderjarige] , zodat [minderjarige] het gezag over [zoon] kan delen met de moeder. Het is echter niet gelukt om deze procedure af te ronden, omdat [minderjarige] te vroeg beviel. De moeder en [minderjarige] zouden nog steeds graag het gezag over [zoon] willen delen. De eerste week na de bevalling is heel goed verlopen en de ouders hebben het gevoel dat de oude [minderjarige] weer terug is. De afgelopen maand ging het niet zo goed met [minderjarige] , omdat de spanning opliep vanwege de controles in het ziekenhuis. Dat zorgde voor heftige escalaties thuis. Hulpverlening is volgens de ouders zeker nodig, maar volgens de ouders heeft het gezin nooit zorg gemeden en altijd zelf zorg ingeschakeld.
[minderjarige] heeft verklaard dat het goed met haar gaat. Zij ziet geen toegevoegde waarde in een voorlopige ondertoezichtstelling en deze voelt voor haar als een straf.
5. De (nadere) beoordeling
Voorlopige ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn al langere tijd (sinds 2016) zorgen over [minderjarige] vanwege autisme, emotieregulatie-problematiek en haar langdurige uitval op school. [minderjarige] is onder zorgelijke omstandigheden zwanger geraakt en ontdekte haar zwangerschap pas in een vergevorderd stadium. De vader is niet in beeld en speelt geen rol in het leven van [zoon] . Tijdens haar zwangerschap deed [minderjarige] zorgwekkende uitspraken over zichzelf en de baby, weigerde noodzakelijke medische controles, was zeer ambivalent in de medewerking aan hulpverlening en wisselde ook voortdurend in haar wensen ten aanzien van het houden en verzorgen van de baby. Uiteindelijk heeft [minderjarige] ervoor gekozen de baby te houden, maar omdat zij hier de afgelopen periode zeer wisselend over is geweest zijn er nog steeds zorgen of zij in staat is weloverwogen beslissingen te nemen in haar eigen belang en dat van [zoon] . Daar komt bij dat er ook zorgen zijn over de veiligheid in de thuissituatie. Hier is al jaren hulpverlening op ingezet vanuit het vrijwillig kader, maar dit heeft tot heden nog niet geleid tot rust en veiligheid in huis. In september 2026 zijn de vader en [minderjarige] met elkaar in conflict geraakt, waarbij ambulante spoedhulpverlening is ingezet om veiligheidsafspraken te maken. Als gevolg daarvan zijn er ook zorgen over de belastbaarheid van de moeder.
Tijdens de zitting hebben alle aanwezigen aangegeven dat de eerste week met [zoon] heel voorspoedig verlopen is. [minderjarige] heeft haar nieuwe rol als moeder goed opgepakt. Dat vindt de kinderrechter positief om te horen. Desondanks is de kinderrechter van oordeel dat de situatie van [minderjarige] nog erg kwetsbaar is en dat de positieve ontwikkeling nog te pril is om de conclusie te trekken dat de acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] is weggenomen. Mede gelet op de ernst en duur van de eerdere zorgen over [minderjarige] en de thuissituatie bij de ouders is het op dit moment nog te vroeg om erop te kunnen vertrouwen dat deze positieve ontwikkeling bestendig is.
Hoewel [minderjarige] en de ouders hebben aangegeven dat zij gemotiveerd zijn om hulpverlening te aanvaarden, is het de kinderrechter uit de informatie van de Raad gebleken dat [minderjarige] ambivalent is geweest ten aanzien van het aanvaarden van hulpverlening en dat er, ondanks de vele hulpverlening vanuit het vrijwillig kader, ook nog geen concrete verandering binnen het gezin is bewerkstelligd. Dit maakt dat de situatie kwetsbaar blijft en dat het niet ondenkbaar is dat er een terugval kan plaatsvinden. Voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling is naar het oordeel van de kinderrechter dan ook nodig om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat een gecertificeerde instelling betrokken blijft, zodat er zicht blijft op [minderjarige] , [zoon] en de gezinssituatie van [minderjarige] en zij vanuit een gedwongen kader ondersteuning blijven krijgen. Ook moet de komende periode worden onderzocht of [minderjarige] en de moeder gezamenlijk belast kunnen worden met het gezag over [zoon] , nu dit de wens is van zowel [minderjarige] als de moeder. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal worden toegewezen tot 17 december 2026.
De kinderrechter benadrukt dat een voorlopige ondertoezichtstelling geen straf is, maar een mogelijkheid om de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] gezien de recente heftige gebeurtenissen direct aan te pakken. De jeugdbeschermer is er juist om de ouders en [minderjarige] hierbij te ondersteunen, in afwachting van het onderzoek door de Raad naar de vraag of een ondertoezichtstelling nodig is.
Vervanging van de gecertificeerde instelling
Bij beschikking van 17 september 2026 is JBW belast met de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De kinderrechter kan op verzoek van onder andere de Raad de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Nu uit de stukken en ter zitting duidelijk is geworden dat WSS beter aansluit bij de problematiek van het gezin van [minderjarige] , is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige ondertoezichtstelling beter belegd kan worden bij WSS. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook toewijzen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen bij gebrek aan belang, omdat tegen deze beslissing geen gewone rechtsmiddelen openstaan en de maatregel onmiddellijke werking heeft.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 17 december 2026;
benoemt – met wijziging in zoverre van de beschikking van 17 september 2026 – de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als de gecertificeerde instelling die belast is met de verdere uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Gillot als griffier, en op schrift gesteld op 9 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.