ECLI:NL:RBDHA:2026:31451

ECLI:NL:RBDHA:2026:31451

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer C/09/700341
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vordring tot verdeling van een (zakelijke) gemeenschap. Schending van de verplichtingen van artikel 21 Rv. Op basis van de summiere dagvaarding kan niet tot verdeling worden overgegaan zonder boedelnotaris. De rechtbank ziet geen aanleiding om de procedure aan zich te houden en eiser op die wijze de gelegenheid te geven de summiere dagvaarding nader aan te vullen. De facto zou eiser daarmee de mogelijkheid krijgen een conclusie van repliek in te dienen, waarna opnieuw een mondelinge behandeling moet worden gehouden. Daarin voorziet Rv niet. Partijen worden veroordeeld tot verkoop van de gemeenschappelijke onroerende zaak. Eiser wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, aangezien partijen zich uitdrukkelijk verzetten tegen de benoeming van een notaris.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/700341 / HA ZA 26-206

Vonnis van 21 oktober 2026

in de zaak van

[eisende partij] te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. C.H.J.M. Abeln,

tegen

[gedaagde partij] te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. M.J.P. Schipper.

1. 1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 februari 2026, met de producties 1 tot en met 4;

- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 24;

- het tussenvonnis van 3 juni 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;- het verzoek van 30 juli 2026 namens [eisende partij] tot het voordragen van spreekaantekeningen tijdens de mondelinge behandeling;

- het bezwaar daartegen van 7 augustus 2026 namens [gedaagde partij] ;

- de brief van de griffier van de rechtbank van 10 augustus 2026, waarbij partijen is medegedeeld dat zij tijdens de mondelinge behandeling de gelegenheid krijgen om hun standpunten gedurende 15 minuten toe te lichten;

- de akte overlegging producties namens [eisende partij] , met de producties 5 tot en met 11d;

- de akte overlegging producties namens [gedaagde partij] , met de producties 25 tot en met 38;

- het overzicht producties namens [gedaagde partij] , met de aanvullende productie 39.

Op 7 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Partijen hebben vervolgens vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat daarbij is besproken. Partijen hebben de rechtbank aan het slot van de mondelinge behandeling gevraagd om vonnis te wijzen. Vervolgens is de datum voor het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn sinds 4 maart 2005 gezamenlijk eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] (hierna: de bedrijfshal) en de enige gerechtigden tot de daarmee samenhangende huurinkomsten en lasten alsmede het banksaldo op de [bankrekening] (hierna: de Gemeenschap).

De bedrijfshal bestaat uit twee loodsen. Die loodsen werden eerder gedeeltelijk verhuurd aan/gebruikt door [naam 1] , [bedrijfsnaam 1] en/of aan de aan [eisende partij] gelieerde vennootschappen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna tezamen: [vennootschappen] c.s.). [eisende partij] is directeur en aandeelhouder van [vennootschappen] c.s. Momenteel huurt [bedrijfsnaam 1] de hele bedrijfshal.

De administratie met betrekking tot de bedrijfshal en de btw-aangifte werd tot en met 2021 uitgevoerd door [naam 2] . De door haar gevoerde administratie is door partijen goedgekeurd. Over de periode 2022 tot en met 30 juni 2025 heeft [gedaagde partij] de administratie gevoerd voor de Gemeenschap. Daarvoor is de administratie ondergebracht bij VLR accountants. Momenteel is ter zake een bewindvoerder in de zin van artikel 3:168 Burgerlijk Wetboek (BW) in functie (zie 2.4.4).

[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben diverse conflicten. De conflicten hebben, voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang, te maken met de vraag welke schulden en vorderingen tot de Gemeenschap behoren en dus met de vraag welke aanspraken partijen over en weer hebben in het kader van een verdeling en verrekening. Ook verschillen [eisende partij] en [gedaagde partij] van mening over het gebruik en de exploitatie van de bedrijfshal, met name over de vraag of [vennootschappen] c.s. huur verschuldigd is aan de Gemeenschap en of [eisende partij] (on)voldoende heeft gedaan om hogere huurinkomsten te realiseren. De conflicten hebben tot meerdere juridische procedures en uitspraken geleid.

In 2023 heeft [eisende partij] in kort geding bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer gevorderd dat [gedaagde partij] [eisende partij] inzage geeft in de door [gedaagde partij] ten behoeve van De Gemeenschap gevoerde administratie. Bij vonnis van 20 september 2023 is die vordering van [eisende partij] gedeeltelijk toegewezen. Het mede gevorderde verbod voor [gedaagde partij] tot beheer van de Gemeenschap is afgewezen.

Bij vonnis van 26 september 2024 heeft de kantonrechter te Alkmaar in kort geding en op vordering van [eisende partij] [gedaagde partij] geboden de gevoerde administratie voor de Gemeenschap te verstrekken en maandelijks te blijven verstrekken en een beheersregeling ingesteld op grond waarvan het zowel [eisende partij] als [gedaagde partij] verboden was om zonder toestemming van de ander beheers- en beschikkingshandelingen als bedoeld in artikel 3:170 lid 1 en 2 BW ten name van de Gemeenschap aan te gaan of uit te voeren. Tegen dit vonnis heeft [gedaagde partij] appel ingesteld. In het daarop volgende arrest van het hof Amsterdam van 2 september 2025 is het vonnis van de kantonrechter voor wat betreft het voorgaande vernietigd en zijn, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eisende partij] afgewezen.

[gedaagde partij] is namens de gemeenschap een procedure gestart tegen [vennootschappen] c.s. over door [vennootschappen] c.s. te betalen huur voor het gebruik van de bedrijfshal. In deze procedure zijn door de kantonrechter te Alkmaar tussenvonnissen gewezen op respectievelijk 14 augustus 2024 en 19 februari 2025 en een eindvonnis op 19 maart 2025, waarin, voor zover relevant, voor recht is verklaard dat, anders dan [gedaagde partij] meent, tussen [vennootschappen] c.s. en de Gemeenschap geen huurovereenkomst bestaat. In deze procedure loopt een hoger beroep bij het hof Amsterdam. In november 2026 vindt de zitting plaats. De bewindvoerder heeft de vordering van de Gemeenschap aan [gedaagde partij] gecedeerd, onder de voorwaarde dat een eventuele opbrengst na aftrek van de kosten aan de Gemeenschap ten goede zal komen.

Bij beschikking van 26 juni 2025 heeft de kantonrechter te Zaanstad op verzoek van [eisende partij] de Gemeenschap onder bewind gesteld en mr. A. de Groot tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder). De beschikking vermeldt met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder onder meer:

“6.9. De bewindvoerder heeft de in de wet beschreven taken en bevoegdheden. (…).

Tot de door de bewindvoerder uit te voeren taken behoort niet het uitvoeren van handelingen die: (i) strekken tot verkoop van de bedrijfshal; (ii) strekken tot het tot stand brengen van een verdeling; (iii) strekken tot het incasseren van vorderingen van De Gemeenschap op de deelgenoten ( [eisende partij] en [gedaagde partij] ), nu deze vorderingen in het kader van een verdeling aan de orde moeten worden gesteld.”

Ook vermeldt deze uitspraak dat [gedaagde partij] heeft gesteld op korte termijn een verdelingsprocedure te beginnen.

Bij dagvaarding van 19 februari 2026 in deze procedure heeft [eisende partij] [gedaagde partij] in rechte betrokken teneinde te komen tot een verdeling van de Gemeenschap.

3. 3. Het geschil

[eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eisende partij] en [gedaagde partij] veroordeelt tot verdeling van de Gemeenschap; II. [eisende partij] en [gedaagde partij] veroordeelt tot het verlenen van hun medewerking aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de aan de Gemeenschap toebehorende bedrijfshal en de verdeling van de netto opbrengst door;- binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis gezamenlijk een opdracht te geven

aan een door de rechtbank daarvoor aangewezen onafhankelijke makelaar om de

verkoop ter hand te nemen en daarbij een vraagprijs te hanteren van € 1.300.000 en

deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;

- al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar

nodig is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

- mee te werken aan de ondertekening van de (ver-)koopakte;

- mee te werken aan de notariële eigendomsoverdracht;

- mee te werken aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daaraan verbonden

kosten waaronder makelaarscourtage, gezamenlijk de notaris de opdracht te geven de

netto opbrengst te verdelen zodat, met inachtneming van de toerekening van de

bedragen die [gedaagde partij] en [eisende partij] aan de Gemeenschap verschuldigd zijn,

[eisende partij] en [gedaagde partij] ieder 50% van de netto opbrengst ontvangt;III. [gedaagde partij] veroordeelt tot het verbeuren van een dwangsom van € 2.000 voor iedere dag dat hij niet aan het onder II., gevorderde voldoet, met een maximum van

€ 300.000;

IV. bepaalt dat het vonnis, in geval van weigering van [gedaagde partij] , in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde partij] aan verstrekking van de opdracht aan een

makelaar en aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst;

V. bepaalt dat dit vonnis, in geval van weigering van [gedaagde partij] , in de plaats treedt van het deel van de in wettige vorm opgemaakte notariële akte van volmacht met behulp waarvan de bedrijfshal kan worden gekocht en geleverd;

VI. de verdeling van (de rechtbank leest) de Gemeenschap voor het overige vaststelt overeenkomstig het respectievelijke kapitaalsaldo van [eisende partij] en [gedaagde partij] zoals voortvloeit uit de door [naam 2] opgestelde specificatie saldoverloop kapitalen, aangevuld met de staat van baten en lasten vanaf 1 september 2025 tot en met de afwikkeling van de verkoop van de bedrijfshal;VII. bepaalt dat op het aandeel van [gedaagde partij] op de bedrijfshal wordt

toegerekend hetgeen deze aan de Gemeenschap verschuldigd is; VIII. [gedaagde partij] voor het overige veroordeelt zijn medewerking te verlenen zoals

hierboven gevorderd, althans aan de verdeling zoals die door de rechtbank in goede

justitie zal worden vastgesteld;IX. bepaalt dat, voor het geval [gedaagde partij] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis onwillig blijft aan de genoemde verdeling mee te werken, althans de verdeling niet effectueert, althans de verdeling zoals die door de rechtbank in goede justitie zal worden vastgesteld niet effectueert, in deze zaak het vonnis in de plaats zal treden van die medewerking;XX. [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis

en, voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

[eisende partij] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] bestaan sinds 2022 verschillende conflicten. [eisende partij] wenst niet langer in de onverdeeldheid te blijven en vordert op de voet van artikel 3:178 BW de (vaststelling van de wijze van) verdeling van de Gemeenschap. [eisende partij] wenst verkoop van de gemeenschappelijke bedrijfshal aan een derde. Ook verlangt [eisende partij] dat in de verdeling worden betrokken de vorderingen en de voor rekening van de Gemeenschap komende schulden. Partijen kunnen het niet eens worden over de vraag welke vorderingen en schulden dat zijn en twisten over de respectievelijke kapitaalstanden. Daarom lukt het niet de verdeling in overleg te realiseren en te komen tot een uitvoerbare afrekening van De Gemeenschap.

[gedaagde partij] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , dan wel tot een oordeel over de verdeling rekening houdend met de gevoerde verweren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de omvang van de Gemeenschap 4.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW. De Gemeenschap omvat de bedrijfshal, het daarmee opgebouwde kapitaal en de schulden en vorderingen inzake de exploitatie van de bedrijfshal. Tot het kapitaal behoort onder meer een bedrag op de [bankrekening] (hierna: de bankrekening). De aandelen van [eisende partij] en [gedaagde partij] als deelgenoten in de Gemeenschap zijn gelijk.

de verdeling van de gemeenschap

[eisende partij] vordert de verdeling van de Gemeenschap. Uit artikel 3:178 lid 1 BW volgt als hoofdregel dat een deelgenoot te allen tijde verdeling van een gemeenschap kan vorderen, omdat niemand kan worden gedwongen in een onverdeelde gemeenschap te blijven. [eisende partij] wil dat de bedrijfshal wordt verkocht en dat bij de verdeling van de opbrengst van de bedrijfshal wordt afgerekend met inachtneming van het door partijen opgebouwde kapitaal en de vorderingen van partijen op en de schulden van partijen aan de Gemeenschap. [eisende partij] heeft daartoe een korte dagvaarding uitgebracht met summiere gegevens over de vorderingen van partijen op en de schulden van partijen aan de Gemeenschap. Als productie heeft hij overgelegd een door [naam 2] bijgewerkte administratie over de periode tussen 1 januari 2022 en 31 augustus 2025. Daarin is ook de kapitaalstand per 31 augustus 2025 opgenomen, die volgens [eisende partij] bij de verdeling moet worden meegenomen. Op basis van deze kapitaalstand heeft [gedaagde partij] volgens [eisende partij] per 31 augustus 2025 een schuld aan de Gemeenschap van € 7.639,48 en [eisende partij] een vordering op de Gemeenschap van € 75.575,25. Over de opbouw van deze bedragen ontbreekt in de dagvaarding iedere informatie. Voor de periode na 31 augustus 2025 verwijst [eisende partij] in de dagvaarding naar de bewindvoerder. Enige financiële informatie over deze periode ontbreekt. Wel schrijft [eisende partij] dat de betreffende informatie bij de bewindvoerder is opgevraagd en later in de procedure kan worden overgelegd.

[gedaagde partij] voert allereerst aan dat [eisende partij] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht en substantiëringsplicht. Hij verzet zich verder in principe niet tegen de verdeling van de Gemeenschap. Hij ziet dat een en ander tussen partijen niet werkt. Als dit maakt dat er moet worden verdeeld, dan wenst [gedaagde partij] een complete afwikkeling van de Gemeenschap. Maar dat kan nog niet, waardoor de vordering van [eisende partij] prematuur is. Hij verwijst naar de procedure in hoger beroep die nog loopt, en waarvan de uitkomst onzeker is. Deze uitkomst zal van invloed zijn op de hoogte van de schulden en vorderingen van de Gemeenschap. Indien het hof Amsterdam het eerdere vonnis van 19 maart 2025 (zie onder 2.4.3.) vernietigt en oordeelt dat sprake is van huur, zal [vennootschappen] c.s. alsnog huur moeten gaan betalen. Ook zijn vooralsnog niet alle administratieve gegevens van de bewindvoerder, waaronder de door hem gemaakte kosten, bekend. Deze schuld en andere schulden die nog ten laste van de onverdeeldheid aan derden moeten worden betaald, moeten eerst worden voldaan voordat er verdeeld kan worden (artikel 3:178 lid 2 BW). Mede gelet op deze nog onzekere factoren, klopt volgens [gedaagde partij] de door [eisende partij] gestelde kapitaalstand niet. Hij meent dat [eisende partij] uitgaat van onjuiste uitgangspunten dan wel een onjuiste administratie. Uitgangspunt moet zijn de in opdracht van [gedaagde partij] door VLR accountants gevoerde administratie. Op basis hiervan heeft [gedaagde partij] per ultimo 2025 een vordering op de Gemeenschap van € 186.808,33 en [eisende partij] een schuld aan de Gemeenschap van € 29.720,96, hetgeen een aan [gedaagde partij] uit te keren saldo oplevert van € 216.529,29, aldus nog steeds laatstgenoemde.

De rechtbank kan op basis van hetgeen in de dagvaarding is gesteld, niet tot verdeling van de gehele Gemeenschap overgaan. Daarvoor is absoluut onvoldoende gesteld. De dagvaarding is op dit punt te summier. [eisende partij] heeft wat betreft de gevorderde verdeling van het gemeenschapsvermogen niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Pas bij conclusie van antwoord bleek de rechtbank dat er veel meer financiële geschilpunten voorliggen dan [eisende partij] in de dagvaarding heeft aangestipt. Bij nadere akte heeft [eisende partij] meer informatie over de financiële geschilpunten tussen partijen voorgelegd, echter ook zonder daarbij een volledig beeld te schetsen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] het gevorderde onder VI. nader toegelicht. Verzocht is primair op basis van de door hem overgelegde (aangepaste) kapitaalopstelling en subsidiair op basis van een door een te benoemen deskundige te maken rapportage, de overige wijze van verdeling vast te stellen. [eisende partij] doelt hierbij op het vaststellen van de kapitaalstanden en de uiteindelijke verdeling van het kapitaalsaldo, het saldo van de bankrekening, de nog openstaande lasten en eventuele naar aanleiding van de onder 2.4.3. genoemde procedure te ontvangen huurbetalingen van [vennootschappen] c.s. Daartoe zou de rechtbank bij tussenvonnis de verkoop van de bedrijfshal moeten gelasten en de procedure vervolgens moeten aanhouden zodat partijen nadere stellingen omtrent de financiële afwikkeling aan de rechtbank kunnen voorleggen.

Artikel 677 Rv bepaalt dat het vonnis waarbij een vordering tot verdeling van een gemeenschap wordt toegewezen zonder dat de rechter de vaststelling van de verdeling aan zich houdt, zal inhouden een bevel tot verdeling ten overstaan van een notaris, alsmede, zo partijen het over de keuze niet eens zijn, de benoeming van deze notaris. Omdat de rechtbank de verdeling op basis van hetgeen thans aan haar voorligt, niet kan vaststellen, lijkt verwijzing naar een boedelnotaris de aangewezen weg. Partijen hebben zich tijdens de mondelinge behandeling echter heel nadrukkelijk verzet tegen de benoeming van een boedelnotaris.

Gelet op dit uitdrukkelijke gemeenschappelijke standpunt van partijen, zal de rechtbank geen boedelnotaris benoemen. De rechtbank ziet echter ook geen aanleiding om de procedure aan zich te houden en [eisende partij] op die wijze de gelegenheid te geven de summiere dagvaarding nader aan te vullen. De facto zou [eisende partij] daarmee de mogelijkheid krijgen een conclusie van repliek in te dienen, waarna opnieuw een mondelinge behandeling moet worden gehouden. Daarin voorziet Rv niet.

De rechtbank kan aan de schending van artikel 21 Rv de gevolgen verbinden die zij gerade acht. Nu partijen expliciet hebben gezegd, geen verwijzing naar de boedelnotaris te willen, zal de rechtbank [eisende partij] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen voor wat betreft de verdeling van de hele Gemeenschap.

verkoop van de bedrijfshal

Met partijen heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken dat het wel al mogelijk is om partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van alleen de bedrijfshal. De benoeming van de bewindvoerder staat hieraan niet in de weg. Zijn taak betreft het beheer van de bedrijfshal, maar belemmert niet de verdeling ervan. Gelet op het feit dat partijen inmiddels jarenlang op diverse punten onenigheid hebben, de onderlinge verhouding dusdanig is verstoord dat zij nergens meer overeenstemming over kunnen bereiken en niet gebleken is dat [gedaagde partij] de bedrijfshal toebedeeld wenst te krijgen, zal de rechtbank bepalen dat de bedrijfshal moet worden verkocht. Het gaat erom dat partijen, die niet langer in staat zijn om de verdeling van de bedrijfshal in onderling overleg te realiseren, een beslissing krijgen waarmee daadwerkelijk uitvoering kan worden gegeven aan de verkoop en levering van de bedrijfshal. De rechtbank zal dan ook de wijze van verdeling van de bedrijfshal gelasten.

[gedaagde partij] heeft in de conclusie van antwoord ook geschreven dat, indien de bedrijfshal kan worden verkocht en geleverd aan derden zonder problemen met de beheerder/bewindvoerder, vervolgens eerst de schulden worden voldaan en alles in de verdeling en verrekening wordt betrokken, hij geen bezwaar heeft tegen verkoop van de bedrijfshal door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke makelaar en evenmin tegen de genoemde vraagprijs. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde partij] zich echter nog afgevraagd of het niet in het belang is van beide deelgenoten om de verkoop aan te houden gelet op de huidige huur. Hieraan gaat de rechtbank voorbij. Uitgangspunt is dat een vordering tot verdeling moet worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft niet met zoveel woorden een beroep gedaan op artikel 3:178 lid 3 BW dat bepaalt dat de rechter een vordering tot verdeling op verlangen van een deelgenoot enige tijd kan uitsluiten als de door de verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling zijn gediend. In genoemde stelling van [gedaagde partij] , die hij pas tijdens de zitting heeft geuit en die bovendien tegenstrijdig is met eerder ingenomen standpunten, ziet de rechtbank ook geen aanleiding dit wetsartikel toe te passen.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat zij, bij een veroordeling tot verkoop van de bedrijfshal, KRK Makelaars willen benoemen als verkopend makelaar. De rechtbank zal hen daartoe veroordelen.

De rechtbank ziet geen aanleiding de gevorderde indeplaatsstelling of dwangsom als waarborg voor de uitvoering van de verkoop en levering toe te wijzen, gelet op de gebleken bereidheid daartoe van [gedaagde partij] en zijn expliciete toezegging een ter zake uit te spreken veroordeling niet naast zich neer te leggen.

Met betrekking tot de verkoopopbrengst zal worden bepaald dat die aan partijen kan worden uitgekeerd, behoudens voor het gedeelte waarover tussen partijen een geschil bestaat, zoals [gedaagde partij] uitdrukkelijk wenst. Voor wat betreft de bepaling van de hoogte van het bedrag dat in geschil is, zullen als uitgangspunt moeten worden genomen de stellingen van partijen, waarover de rechtbank – zoals hiervoor reeds overwogen – geen uitspraak kan doen. Indien partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de hoogte van het bedrag dat in geschil is en daarom ook niet over het deel van de verkoopopbrengst dat aan hen kan worden uitgekeerd, zal de gehele verkoopopbrengst in depot moeten worden gestort.

Verder wordt het onder vordering II. genoemde plan van aanpak gevolgd.

proceskosten

In de aard van de rechtsbetrekking en in de uitkomst van de procedure waarbij ieder van partijen in het (on)gelijk is gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te verdelen in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5. 5. De beslissing

De rechtbank:

gelast de volgende wijze van verdelen van de bedrijfshal, gelegen aan de [adres] : de aandelen van beide deelgenoten in de eigendom van de bedrijfshal worden verkocht aan een derde;

veroordeelt [eisende partij] en [gedaagde partij] tot het verlenen van hun medewerking aan de verkoop en de eigendomsoverdracht van de bedrijfshal door:

- binnen twee weken na het wijzen van dit vonnis gezamenlijk een opdracht te geven aan KRK Makelaars om de verkoop ter hand te nemen en daarbij een vraagprijs te hanteren van € 1.300.000 en deze zo nodig te verlagen of te verhogen conform de instructie van de makelaar;

- al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar nodig is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;- mee te werken aan de ondertekening van de (ver-)koopakte van de onroerende zaak;- mee te werken aan de notariële eigendomsoverdracht;- mee te werken aan de betaling vanuit de verkoopopbrengst van de makelaars- en notariskosten;- de notaris gezamenlijk de opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst op de derdengeldenrekening van het notariskantoor te storten, voor het gedeelte waarover partijen geen overeenstemming kunnen bereiken.

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst, voor het gedeelte waarvoor partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, in depot wordt gestort op de derdengeldenrekening van de bij de levering betrokken notaris;

verklaart [eisende partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vaststelling van de verdeling van de Gemeenschap voor het overige;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op21 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand