RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen
[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9520
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en
(gemachtigde: mr. N. Kraan).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Voorschoten uit Voorschoten (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. H. Doornhof).
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de realisatie van een ontsluitingsweg voor de wijk “Fortuyn van Voorschoten” ter hoogte van de Leidseweg/Vinkweg. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en hun beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 23 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft een schriftelijke reactie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1], [naam 2] en [naam 3], mr. D.R. Kuijpers, kantoorgenoot van de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 4].
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de realisatie van een ontsluitingsweg voor de wijk “Fortuyn van Voorschoten” (de wijk) ter hoogte van de Leidseweg/Vinkweg (het plan). De weg is bestemd voor gemotoriseerd vervoer en ontsluit op de Vinkweg, die doorloopt in de Leidseweg en Haagweg/Stevenshofdreef. Het plangebied ligt deels binnen de gemeentegrenzen van Voorschoten en deels binnen de gemeentegrenzen van Leiden. De ontsluitingsweg maakt deel uit van plannen van de gemeenten Leiden en Voorschoten om de kruising Groote Vink te herinrichten ten behoeve van een veiliger en groener kruispunt Leidseweg-Haagweg-Vinkweg. De aanvraag ziet op de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”.
Het college heeft de omgevingsvergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met ingang van 12 juli 2024 heeft het college het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Er zijn zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning op 23 oktober 2024 aan vergunninghoudster verleend.
Overgangsrecht
4. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 2024 geldende recht.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Ontvankelijkheid
5. Voordat het beroep inhoudelijk kan worden behandeld, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is.
Gesteld noch gebleken is dat eisers een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit. Niet gebleken is dat eisers dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb zou het beroep van eisers daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. In haar uitspraak van 4 mei 2021, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, echter overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de voorbereidingsprocedure neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. Dit betekent dat als eisers als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt, hun beroep ontvankelijk is.
Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan tegen een besluit beroep worden ingesteld door een belanghebbende. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, mits die gevolgen van enige betekenis zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, zijn de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, van belang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen wegen mee.
De rechtbank stelt vast dat de woning van eisers is gelegen aan [adres], op de hoek van [straatnaam] en de Griffioenlaan in Voorschoten. De afstand tot de voorziene ontsluitingsweg bedraagt ongeveer 120 meter. De ontsluitingsweg zorgt ervoor dat de Griffioenlaan niet langer een doodlopende weg is, maar een doorgaande weg wordt die aansluit op de Vinkweg. Los van de vraag of de Griffioenlaan als gebiedsontsluitingsweg zal gaan fungeren in plaats van de Leidseweg Noord, is de rechtbank van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat eisers feitelijke gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het plan. Daarbij betrekt de rechtbank de locatie van de woning van eisers, de afstand tot het plan en het feit dat de Griffioenlaan een doorgaande weg wordt. Gelet hierop, volgt de rechtbank het college niet in zijn standpunt dat eisers geen persoonlijk belang hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van andere bewoners van de wijk. Daarbij merkt de rechtbank op dat het niet ondenkbaar is dat meer bewoners van de wijk belanghebbenden zouden zijn geweest bij het bestreden besluit. De rechtbank concludeert dat eisers belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit en hun beroep ontvankelijk is. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen.
Verklaring van geen bedenkingen
6. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat voor het verlenen van deze omgevingsvergunning geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad van Leiden nodig was. De gemeenteraad heeft een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld waarvoor geen vvgb is vereist. Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat voor het plan op grond van lid 4 van die lijst geen vggb nodig is.
Bevoegdheid van het college
7. Eisers betwijfelen of het college bevoegd is om een omgevingsvergunning te verlenen voor een plan dat zich deels buiten het grondgebied van de gemeente Leiden bevindt.
De rechtbank stelt vast het plan voor een groot deel in de gemeente Leiden is gelegen en voor een klein deel in de gemeente Voorschoten. Aangezien het plan in hoofdzaak wordt uitgevoerd door de gemeente Leiden, is het college van burgemeester en wethouder van Leiden op grond van artikel 3.1 van de Wabo het bevoegde gezag om op de aanvraag te beslissen. Dat college heeft daarom terecht op de aanvraag voor het plan beslist.
Strijdigheid met het bestemmingsplan
8. Ter plaatse van de activiteit geldt onder meer het bestemmingsplan “Stevenshof”. De betrokken gronden hebben de bestemmingen “Groenvoorzieningen”, “Water” en de
medebestemming “Gebied met middelhoge archeologische verwachting”.
Niet in geschil is dat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan “Stevenshof”, omdat het aanleggen van een ontsluitingsweg niet is toegestaan binnen de bestemmingen “Groenvoorzieningen” en “Water”. Met het bestreden besluit heeft het college de strijdigheden toegestaan door toepassing te geven aan de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.
De rechtbank overweegt dat het college de bevoegdheid heeft om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. In dit geval heeft het college toepassing gegeven aan de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo. Het college komt volgens vaste rechtspraak bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken, kan het college alleen gebruik maken als de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Volgens het college is de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en is sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het college verwijst in dit verband naar de ruimtelijke onderbouwing “Ontsluitingsweg Vinkweg” die bij het bestreden besluit is gevoegd. In die ruimtelijke onderbouwing is toegelicht waarom afwijken van het bestemmingsplan volgens het college ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht.
Goede ruimtelijke ordening
9. Eisers stellen, samengevat weergegeven, dat de ontsluitingsweg ervoor zorgt dat de Griffioenlaan zal gaan fungeren als nieuwe gebiedsontsluitingsweg voor het verkeer tussen Leiden en Voorschoten. Momenteel maakt het verkeer gebruik van de Leidseweg Noord als gebiedsontsluitingsweg tussen beide gemeentes, maar deze weg zal worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer waardoor al het gemotoriseerde verkeer door de Griffioenlaan zal gaan rijden. Volgens eisers gaat het om meer dan 10.000 motorvoertuigenbewegingen per etmaal. De extra uitstoot van dat verkeer brengt volgens eisers gevolgen voor de luchtkwaliteit en de gezondheid met zich mee. Daarnaast vrezen eisers voor een toename van geluid. Volgens eisers heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de ruimtelijke gevolgen van het plan en onvoldoende gemotiveerd waarom het plan geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eisers gestelde gevolgen niet worden veroorzaakt door het bestreden besluit, maar het gevolg zijn van eerdere plannen en besluitvorming van vergunninghoudster. Het college wijst in dit verband op het Verkeersplan 2017 van de gemeente Voorschoten, het bestemmingsplan “Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord” (het bestemmingsplan) en verschillende verkeersbesluiten. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college daarom de door eisers gestelde gevolgen niet hoeven te betrekken.
In haar reactie op het beroep heeft vergunninghoudster hetzelfde standpunt als het college ingenomen.
De rechtbank stelt vast dat in het Verkeersplan 2017 van de gemeente Voorschoten is opgenomen dat bij de toekomstige ontwikkeling van de zogenaamde voormalige Intratuinlocatie gekeken zal worden naar de mogelijkheid van een nieuwe ontsluitingsweg over deze locatie ter ontlasting van en als alternatief voor de Leidseweg Noord.
Vervolgens heeft de gemeenteraad van Voorschoten op 29 april 2021 het bestemmingsplan vastgesteld. Nu dit bestemmingsplan onherroepelijk is, moet van de rechtmatigheid daarvan worden uitgegaan. Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat de voormalige Intratuinlocatie en is opgesteld om die locatie te herontwikkelen. Uit de inleiding bij de toelichting bij dit bestemmingsplan volgt dat het om een woningbouwontwikkeling gaat waarbij naast (maximaal) 135 woningen een nieuwe ontsluitingsweg wordt gerealiseerd.
In paragraaf 4.4 van die toelichting staat over de verkeersstructuur het volgende vermeld:
“Onderdeel van de ontwikkeling is het realiseren van een nieuwe ontsluitingsroute. Deze weg loopt door het plangebied heen en zorgt ervoor dat de bereikbaarheid van het plangebied wordt gewaarborgd, zie figuur 4.4. Tevens leidt deze ontsluitingsweg tot een verbetering van de ontsluiting van de gehele wijk welke nu wordt afgewikkeld via het noordelijk deel van de Leidseweg. De Leidseweg wordt afgetakt en op de Trompweg wordt een afslag gerealiseerd waarmee door het plangebied gereden kan worden. De weg die door het plangebied loopt wordt een wijkontsluitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur.”
In paragraaf 5.2.3 van die toelichting wordt met betrekking tot mobiliteit en verkeer geconcludeerd dat de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd als een wijkontsluitingsweg of zal worden opgeschaald naar een gebiedsontsluitingsweg, waarbij de weginrichting overeen dient te komen met de daarbij behorende wegkenmerken.
Uit de toelichting en figuur 4.4. bij het bestemmingsplan leidt de rechtbank af dat daarin wordt uitgegaan van een nieuwe ontsluitingsroute over de huidige Griffioenlaan die als gebiedsontsluitingsweg zal kunnen gaan fungeren. In de onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen, is daar ook rekening mee gehouden. Zo zijn in het verkeerskundige onderzoek door Sweco de voertuigintensiteiten in aanmerking genomen die na afsluiting van de Leidseweg Noord over de Griffioenlaan zullen lopen. Ook in het akoestisch onderzoek door M+P is de geluidsbelasting van het bestemmingsplangebied op die manier beoordeeld. Die beoordeling heeft ertoe geleid dat hogere grenswaarden zijn vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai vanwege de nieuwe ontsluitingsweg.
De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit de aansluiting van de Griffioenlaan op de Vinkweg faciliteert. Met het bestreden besluit wordt de Griffioenlaan daarmee feitelijk een doorgaande weg en kan deze in gebruik worden genomen als gebiedsontsluitingsweg na afsluiting van de Leidseweg Noord. De ruimtelijke gevolgen van het gebruik van de Griffioenlaan als gebiedsontsluitingsweg zijn echter al betrokken en beoordeeld bij het vaststellen van het bestemmingsplan. Bij de beoordeling van de vraag of de hier in geding zijnde ontsluitingsweg geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke onderbouwing heeft het college daarom geen rekening hoeven te houden met de door eisers gestelde nadelige gevolgen van het gebruik van de Griffioenlaan als gebiedsontsluitingsweg.
De rechtbank begrijpt verder dat bij eisers mogelijk enige verwarring kan zijn ontstaan omdat het college in de ruimtelijke onderbouwing heeft gewezen op een nieuw akoestisch onderzoek van M+P uit 2023 waarin de geluidsbelasting van het toekomstige wegverkeer over de Griffioenlaan voor de wijk wel is beoordeeld. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dit onderzoek strikt genomen niet nodig was, maar dat dit is verricht om eventuele zorgen bij inwoners van de wijk weg te nemen.
Eisers hadden derhalve de gestelde nadelige gevolgen van het gebruik van de Griffioenlaan als gebiedsontsluitingsweg moeten aanvoeren in beroep tegen het bestemmingsplan waarin planologisch al is vastgesteld dat de Griffioenlaan als gebiedsontsluitingsweg zal gaan gelden. De rechtbank stelt vast dat eisers niet tegen dat bestemmingsplan zijn opgekomen. Op zichzelf kan dat eisers niet worden verweten, omdat de wijk nog gerealiseerd moest worden en zij er nog niet woonden. Dat neemt echter niet weg dat op eisers de plicht rustte om bij het kopen van de woning te onderzoeken welke ruimtelijke plannen en besluiten op dat moment van kracht waren.
De rechtbank merkt verder op dat de gemeente Voorschoten in haar reactie op het beroepschrift te kennen heeft gegeven dat met het verkeersbesluit van 3 juli 2024 is bekrachtigd dat de Griffioenlaan als doorgaande route is aangewezen. Ter zitting is gebleken dat dit besluit ziet op verkeersbesluiten ten aanzien van de Griffioenlaan en aftakkende wegen, maar niet op de afsluiting van de Leidseweg Noord. Die afsluiting is pas recent vastgesteld in het verkeersbesluit van het college en het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten van 21 april 2026, welk besluit op 1 mei 2026 is gepubliceerd. Het ontwerpbesluit met betrekking tot deze afsluiting is door beide colleges genomen op respectievelijk 28 maart 2025 en 7 april 2025, en gepubliceerd op 18 april 2025. Aangezien de onderhavige procedure reeds was aangevangen voordat dat ontwerpbesluit bekend is gemaakt, had het het college en vergunninghoudster gesierd als zij in het verweerschrift dan wel in de reactie op het beroepschrift dit ontwerpbesluit hadden genoemd, gelet op de zorgen die bij eisers spelen en de mogelijkheid tegen dat besluit op te komen.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde ontsluitingsweg niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van eisers slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 1:2, eerste lid
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 6:13
Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…).
Artikel 2.12, eerste lid
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…).
Artikel 2.27, eerste lid
In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
Artikel 3.1, eerste lid
De aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd. Indien burgemeester en wethouders niet bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen, kan de aanvraag bij het bevoegd gezag worden ingediend. In dat geval zendt het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
(…).