[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en gevraagd of zij daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2001 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst stelt eiser dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de actuele asielprocedure en opvangomstandigheden in Duitsland en hiermee is onvoldoende voldaan aan de vergewisplicht. Eiser stelt dat er sprake is van systeem gerelateerde tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen. Verder vreest eiser dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot indirect refoulement naar Irak. Volgens eiser heeft de Duitse autoriteiten hem expliciet te kennen gegeven dat hij naar Irak terug moet keren. Bij terugkeer stelt eiser een gerede kans te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 EU-Handvest. Tot slot stelt eiser dat de steun voor asielzoekers in Duitsland snel afneemt. Volgens eiser hebben recente jihadistische aanslagen bijgedragen aan een groeiende anti-islamitische en xenofobische sfeer. Hij stelt zelf discriminatie en racisme te hebben ervaren en zich niet welkom te voelen. Daarom acht hij een eerlijke behandeling van zijn asielaanvraag in Duitsland niet mogelijk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het lidstaat zijn internationale verplichtingen zal nakomen. De Afdeling heeft dit in de uitspraak van 20 maart 2026 impliciet bevestigd. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat er sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen is onvoldoende. Eiser heeft deze stelling niet met landeninformatie of ander bewijs onderbouwd. Wat betreft eisers persoonlijke ervaringen, oordeelt de rechtbank dat eiser daarover hulp of bescherming bij de Duitse autoriteiten kan vragen en zo nodig daarover kan klagen als deze hulp in zijn ogen niet effectief geboden wordt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat klagen bij voorbaat zinloos is.
6. Voor zover eiser vreest na overdracht aan Irak teruggestuurd te worden, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, als gevolg van het arrest van het Hof van 30 november 2023, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van onderhavige procedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.