Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/809360-17
Datum uitspraak: 20 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] (Irak),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op eerdere pro forma zittingen en op de inhoudelijke terechtzitting van 6 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de raadsvrouw mr. Ö. Saki naar voren is gebracht. Mr. Saki is door de officier van justitie op voorhand op de hoogte gesteld van haar voorgenomen vordering.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer - tijdstippen gelegen in de periode van 25 april 2017 tot en met 25 oktober 2017 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, hetgeen in de onderhavige strafzaak een eindbeslissing zou betekenen. De officier van justitie heeft daartoe het volgende gesteld.
Door het verstrijken van negen jaren (de verdachte is in verzekering gesteld op 30 oktober 2017) is het belang van strafvervolging afgenomen. Het proces ligt stil sinds 2019 toen er verhoren bij de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden. In de tussentijd is de zaak niet opnieuw op de terechtzitting aangebracht. Andere zaken met actuele impact op de samenleving waarin een snelle beslissing van de rechter werd gevraagd, zoals zaken met slachtoffers die op schadevergoeding rekenden of gebruik wilden maken van hun spreekrecht, hebben voorrang gekregen op de onderhavige strafzaak.
De officier van justitie heeft, omdat de verstreken tijd op zichzelf geen reden is om te komen tot de genoemde vordering, in aanvulling hierop de volgende omstandigheden genoemd, te weten:
er hebben zich geen benadeelde partijen gesteld;
de verdachte is in de afgelopen jaren niet opnieuw voor soortgelijke strafbare feiten in aanraking gekomen met politie en/of justitie;
de duur die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (van 30 oktober 2017 tot 7 februari 2018);
het (jarenlange) toezicht door de reclassering vanaf de schorsing van de voorlopige hechtenis op 7 februari 2018 tot 21 oktober 2022;
de verdenking zag weliswaar op een periode van een halfjaar, maar het dossier geeft weinig zicht op de frequentie en de hoeveelheden met betrekking tot de verkoop van verdovende middelen;
de inhoudelijke behandeling van de onderhavige strafzaak zou samen met de strafzaak tegen de medeverdachte ongeveer een dag in beslag nemen (en deze tijd schaarse zittingsruimte kan beter besteed worden aan andere urgentere strafzaken).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft meegedeeld de conclusie van de officier van justitie te delen.
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie komt er in de kern op neer dat zij meent dat bij de huidige stand van zaken er geen belang meer is bij voortzetting van de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte. In haar toelichting is sprake van een heroverweging van de opportuniteit van (verdere) vervolging: vervolging is niet langer opportuun, nu zowel de belangen van de samenleving als die van de verdachte zijn gebaat bij een afdoening zoals voorgesteld.
De rechtbank overweegt het volgende. Het is in beginsel aan de officier van justitie om een verdachte (al dan niet) te vervolgen. Voor de beslissing om de strafvervolging in een reeds aangevangen zaak inhoudelijk voort te zetten, is dat anders en speelt opportuniteit in beginsel geen rol meer. De wetgever heeft in artikel 266 Wetboek van Strafvordering bepaald dat de officier van justitie de dagvaarding mag intrekken totdat het onderzoek op de terechtzitting is begonnen. Na dat moment heeft de verdachte recht op een definitief en onafhankelijk oordeel van de rechter. Deze regeling past bij de scheiding der machten waarbij het openbaar ministerie beslist of een zaak voor de rechter komt (opportuniteitsbeginsel), en zodra de zaak aan de rechter is voorgelegd, de rechterlijke macht beslist over de uitkomst.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in de onderhavige zaak uitvoerig en na afweging van alle betrokken belangen heeft gemotiveerd dat er geen belang meer is bij verdere vervolging. Gelet op de gegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie een passende uitkomst is van deze strafzaak. De rechtbank zal dan ook aldus beslissen.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging;
heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, rechter,
mr. P.L. Loeb, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.