ECLI:NL:RBDHA:2026:31650

ECLI:NL:RBDHA:2026:31650

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer NL26.18176
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

asiel Sri Lanka, in het midden laten geloofwaardigheid, vrees bij terugkeer, traumatabeleid, 8 EVRM, Chavez, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18176

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft terecht geen oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief. Ook heeft de minister de problemen van eiseres in Sri Lanka terecht onvoldoende zwaarwegend geacht. De minister heeft een voldoende gemotiveerde beoordeling van het familie- en gezinsleven van eiseres met haar dochter in de zin van artikel 8 van het EVRM gemaakt. Ook heeft de minister een volledige beoordeling verricht van het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinzoon op grond van artikel 8 van het EVRM en is het Chavez-Vilchez-arrest niet van toepassing. Tenslotte heeft de minister aan eiseres geen verblijfsvergunning op grond van haar privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM hoeven verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Het asielrelaas

4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres bezit de Sri Lankaanse nationaliteit. Zij is afhankelijk van haar kinderen en kan geen zelfstandig veilig bestaan leiden in Sri Lanka. Eiseres is achtervolgd nadat zij geld had opgenomen bij de bank. Diezelfde avond is eiseres overvallen in haar eigen huis, waarbij de daders geld en sieraden hebben meegenomen. Eiseres is hierbij gewond geraakt aan haar voet. Daarna heeft zij enkele dagen verbleven bij de buren, waarna zij met een visum naar Europa is vertrokken.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. de overval.

De minister heeft het eerste asielmotief – de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres –geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de overval, is niet getoetst op geloofwaardigheid. Volgens de minister kan dit asielmotief geen aanleiding geven tot het verlenen van een asielvergunning, wat er ook wordt geoordeeld over de geloofwaardigheid. Om die reden ziet de minister geen reden om een standpunt in te nemen over de geloofwaardigheid van de verklaringen over dit asielmotief. Eiseres is geen vluchteling en loopt geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Sri Lanka. De minister heeft daarom de aanvraag van eiseres ongegrond verklaard.

Heeft de minister ten onrechte geen oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief?

6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief. Dit standpunt van de minister is in strijd met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, aangezien daaruit volgt dat de relevante feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld, waaronder de geloofwaardigheidsbeoordeling, voordat wordt overgegaan tot de beoordeling van de zwaarwegendheid. Ook is deze werkwijze in strijd met jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiseres betoogt dat de minister de geloofwaardigheid had moeten toetsen, of, bij het overslaan van de geloofwaardigheidsbeoordeling had moeten uitgaan van de juistheid van de verklaringen van eiseres. Dat is niet gebeurd.

De rechtbank stelt voorop dat de minister de geloofwaardigheid van verklaringen in het midden kan laten, indien op voorhand duidelijk is dat die verklaringen, wanneer geloofwaardig, niet zwaarwegend genoeg zijn om tot verlening van een verblijfsvergunning te leiden. De minister heeft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief, de overval, in het midden gelaten. Dit betekent dat de verklaringen van eiseres als uitgangspunt moeten worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Dit heeft de minister niet miskend. Dat de minister de verklaringen van eiseres als uitgangspunt moet nemen houdt, anders dan eiseres lijkt te veronderstellen, niet in dat van de geloofwaardigheid van die verklaringen moet worden uitgegaan, maar slechts dat van die verklaringen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden uitgegaan. Dat de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid niet zou zijn uitgegaan van de verklaringen van eiseres is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat deze werkwijze van de minister in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Eiseres heeft haar standpunt dat de minister in strijd heeft gehandeld met jurisprudentie van het Hof van Justitie niet nader onderbouwd, nu zij niet heeft geconcretiseerd om welke jurisprudentie het gaat.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt?

7. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Sri Lanka geen reëel risico loopt op ernstige schade.

Vrees om opnieuw beroofd te worden

Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij haar vrees om opnieuw beroofd te worden niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister werpt haar ten onrechte tegen dat zij na de overval geen bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen of geen aangifte heeft gedaan. Onder verwijzing naar artikel 7 van de Kwalificatierichtlijn voert eiseres aan dat enkel sprake is van bescherming wanneer deze daadwerkelijk effectief, toegankelijk en niet tijdelijk van aard is. Daar is in het geval van eiseres geen sprake van. Uit landeninformatie blijkt dat een gebrek aan vertrouwen in de autoriteiten slachtoffers ervan weerhoudt om aangifte te doen. Eiseres verwijst daartoe naar het DFAT Country Information Report Sri Lanka van mei 2024 waaruit blijkt dat de taal een wezenlijke belemmering vormt voor de Tamilsprekenden als eiseres bij het verkrijgen van bescherming, omdat het merendeel van de politieagenten die taal niet spreekt. Het enkele bestaan van voorzieningen, zoals de Tamil-hulplijn, betekent niet dat deze voor eiseres toegankelijk zijn. Niet is gebleken dat eiseres op de hoogte was van de Tamil-hulplijn voor haar vertrek en de minister heeft niet onderbouwd dat deze voorziening meer omvat dan een meldpunt en dat deze in de praktijk resulteert in concrete bescherming tegen (hernieuwde) schade. De enkele verwijzing door de minister naar het thematisch ambtsbericht ‘Tamils in Sri Lanka’ van juni 2024 (thematisch ambtsbericht) is onvoldoende. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit ambtsbericht leidend is terwijl het niet is toegespitst op de positie van vrouwen. Bovendien ontbreekt een kenbare individuele beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van eiseres in het kader van de vraag of de voorzieningen daadwerkelijk toegankelijk en effectief zijn, aangezien eiseres vanwege haar alleenstaande positie, hoge leeftijd en gezondheidstoestand moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat het voor eiseres niet mogelijk is om bescherming van de autoriteiten te vragen. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt niet dat het niet mogelijk is om aangifte te doen van de overval. Eiseres heeft geen poging gedaan om de politie te benaderen of om bescherming te vragen van de autoriteiten, waardoor eiseres zelf niet heeft ervaren of dit mogelijk is. Dat het door de taalbarrière onmogelijk is om aangifte te doen volgt de minister terecht niet. Eiseres is afkomstig uit Chankanai, wat in de noordelijke provincie van Sri Lanka ligt. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat het overgrote deel van de bevolking, te weten 93,8 procent, in deze provincie Tamil is. Om die reden kan worden aangenomen dat er Tamilsprekende ambtenaren bij de politie werken. Bovendien is er voor onder andere de noordelijke provincie een speciale hotline ingeschakeld waar burgers in het Tamil met de politie kunnen communiceren. Deze hotline is 24 uur per dag beschikbaar. Uit deze informatie blijkt dat de politie openstaat voor Tamils en het voor eiseres mogelijk was om informatie over de overval te delen. Dat eiseres voor haar vertrek niet op de hoogte was van deze Tamil-hulplijn doet hier niet aan af. De persoonlijke omstandigheden van eiseres zijn meegewogen bij de beoordeling. Ten aanzien van het DFAT-rapport waar eiseres een beroep op heeft gedaan, stelt de minister zich allereerst terecht op het standpunt dat dit rapport is gebruikt in het thematisch ambtsbericht. Ook stelt de minister terecht dat het enkele feit dat eiseres een vrouw is, onvoldoende is om te concluderen dat zij slachtoffer is geworden van gendergerelateerd geweld.

Woningoverval

Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningoverval, mede gelet op het toegepaste fysieke geweld en de langdurige pijnklachten, niet kan worden aangemerkt als een (dreigende) onmenselijke of vernederende behandeling, zodat het besluit berust op een onjuiste en te beperkte uitleg van artikel 3 van het EVRM en artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Gelet op haar persoonlijke omstandigheden – waaronder haar alleenstaande positie, leeftijd en gezondheid – loopt eiseres een verhoogd risico om opnieuw slachtoffer te worden. Na de overval heeft eiseres risicomijdend gedrag getoond, hetgeen kan verklaren waarom zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op ernstige schade. Hierbij overweegt de minister terecht dat een overval in het huis van eiseres een ernstige gebeurtenis is. Dit is echter geen ernstige schade waarvoor internationale bescherming geboden hoeft te worden. Niet is gebleken dat de dieven het specifiek op eiseres gemunt hadden. Eiseres heeft in de jaren na de overval in Sri Lanka gewoond, tot zij naar Nederland vertrok. Niet is gebleken dat eiseres sinds de overval iets van de dieven heeft gehoord dan wel dat ze wordt gezocht door de dieven. Hierdoor is herhaling niet aannemelijk. Het risicomijdende gedrag van eiseres ziet niet op het risico dat zij mogelijk loopt. Ook is het voor eiseres mogelijk om bescherming te vragen aan de autoriteiten in Sri Lanka zoals hiervoor is overwogen. Bij de beoordeling zijn de individuele omstandigheden van eiseres meegewogen.

Traumatabeleid

Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid, als bedoeld in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De minister hanteert een te beperkte uitleg van het traumatabeleid door te stellen dat de overval niet onder een van de gebeurtenissen valt die in het beleid worden genoemd. Ook stelt de minister ten onrechte dat de daders niet te kwalificeren zijn als actoren in de zin van het beleid. Bij terugkeer naar Sri Lanka ontbreekt de effectieve bescherming, zoals door eiseres is betoogd, waardoor de handelingen van niet statelijke actoren hier ook onder kunnen vallen. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de bijzondere kwetsbaarheid van eiseres geen aanleiding geeft voor toepassing van het traumatabeleid. De minister heeft tenslotte onvoldoende gemotiveerd waarom strikte toepassing van het beleid in het geval van eiseres niet leidt tot onevenredige gevolgen.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid. De overval bij eiseres thuis is een andere gebeurtenis dan de gebeurtenissen genoemd in paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000. De daders van de overval vallen bovendien niet onder een van de categorieën van actoren uit paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000. De minister volgt eiseres terecht niet in haar betoog dat vasthouden aan het traumatabeleid ertoe leidt dat geen recht wordt gedaan aan het door eiseres ondervonden geweld en dat geen rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van eiseres. Alle omstandigheden, waaronder het incident zelf, de leeftijd van eiseres en de mogelijkheid van bescherming zijn meegewogen bij de beoordeling en totstandkoming van het bestreden besluit.

Tussenconclusie

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op ernstige schade.

Heeft de minister een onjuiste beoordeling verricht van het familie- en gezinsleven van eiseres met haar dochter zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM?

8. Eiseres betoogt dat de minister een onjuiste en onvoldoende gemotiveerde beoordeling heeft verricht ten aanzien van het beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen haar en haar dochter.

Beoordelingskader

Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat familieleven kan bestaan tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er vooral om of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke.

Alle relevante feiten en omstandigheden

Eiseres betoogt dat de minister de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet kenbaar in onderlinge samenhang heeft meegewogen. Hierbij had de minister moeten kijken naar de hoge leeftijd van eiseres, haar gezondheidstoestand, haar alleenstaande positie, de psychische gevolgen van de overval en haar feitelijke afhankelijkheid in het dagelijks functioneren.

Dit betoog slaagt niet. De minister heeft anders dan eiseres betoogt kenbaar alle relevante feiten en omstandigheden betrokken bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter. Alle feiten en omstandigheden – zowel in het voordeel als in het nadeel – zijn uiteindelijk als een geheel meegewogen.

Samenwoning

Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de samenwoning van eiseres en haar dochter het gevolg is van de asielprocedure. Eiseres heeft recht op opvang bij het COa, maar kiest er zelf voor om daar geen gebruik van te maken en bij haar dochter te wonen. Hierbij is sprake van feitelijke en daadwerkelijke gezinsuitoefening. De relevantie en zwaarwegendheid van de samenwoning en het intensieve dagelijkse contact tussen eiseres en haar dochter wordt hierbij door de minister onvoldoende meegewogen.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres tot aan haar vertrek uit Sri Lanka zelfstandig heeft gewoond. Dat eiseres momenteel in Nederland verblijft maakt niet dat zij bij terugkeer naar Sri Lanka niet meer zelfstandig kan wonen. De reden dat eiseres momenteel samenwoont met haar dochter is omdat eiseres een asielaanvraag heeft lopen en haar dochter rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Uit eiseres woonsituatie in Nederland blijkt derhalve niet dat er sprake is van een mate van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat ook is gekeken naar de huidige situatie.

Financiële afhankelijkheid

Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet. Hierbij heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met dat eiseres door haar angstklachten na de overval niet meer zelfstandig geld durft op te nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat van de financiële steun die eiseres ontvangt van haar dochter, ook in Sri Lanka sprake was. Dit toont aan dat deze financiële steun al op afstand plaatsvond voordat eiseres naar Nederland kwam. Er is geen reden om aan te nemen waarom dat in de toekomst niet meer mogelijk zou zijn. Het enkele feit dat eiseres geen geld meer durft op te nemen betekent niet dat de financiële ondersteuning niet op afstand kan worden voortgezet.

Wederzijdse afhankelijkheid

Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van wederzijdse afhankelijkheid. Eiseres levert een substantiële bijdrage aan het huishouden. Dit sluit afhankelijkheid niet uit, maar bevestigt juist het bestaan van een hechte en feitelijke gezinsband.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres zichzelf tegenspreekt wat betreft de wederzijdse afhankelijkheid. Eiseres stelt een wezenlijke rol te vervullen binnen het gezin van haar dochter. Dit toont niet aan dat zij in Nederland afhankelijk is van haar dochter. Niet is gebleken dat de dochter van eiseres dermate afhankelijk van haar is dat sprake is van een mate van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgt. De dochter van eiseres redde zich ook voordat eiseres naar Nederland kwam.

Cumulatieve beoordeling

Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat alle omstandigheden in onderlinge samenhang zijn betrokken. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de cumulatie van factoren bepalend is voor de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Deze afweging heeft de minister ten onrechte niet (kenbaar) gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat alle omstandigheden in onderlinge samenhang zijn meegewogen. Hierbij zijn elementen zoals samenwoning, financiële steun en zorg, anders dan eiseres betoogt, niet enkel geïsoleerd beoordeeld.

Tussenconclusie

9. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar dochter.

Heeft de minister een volledige beoordeling verricht van het gezinsleven tussen haar en haar kleinzoon op grond van artikel 8 van het EVRM en is het Chavez-Vilchez arrest van toepassing?

10. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen kenbare en volledige beoordeling heeft gemaakt van het gezinsleven tussen haar en haar kleinzoon.

Geen beoordeling in het voornemen

Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen beoordeling van het gezinsleven met haar kleinzoon heeft gemaakt in het voornemen. Hetzelfde geldt voor een beoordeling in het licht van het arrest Chavez-Vilchez. Hierdoor heeft eiseres hier niet in de zienswijze op kunnen reageren. De minister had om die reden een aanvullend voornemen moeten uitbrengen. Door dit niet te doen handelt de minister in strijd met artikel 3:119 van het Vb 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat de ambtshalve beoordeling in het voornemen ziet op het gezinsleven met de dochter. Uit vaste rechtspraak blijkt dat gezinsleven tussen grootouders en kleinkinderen alleen in bijzondere gevallen moet worden beoordeeld. Hiervan is in het geval van eiseres niet gebleken. Eiseres heeft bovendien nooit eerder aangevoerd dat de minister een beoordeling van het gezinsleven tussen haar en haar kleinzoon dient te maken. De enkele verklaring van eiseres in het nader gehoor dat zij tijd doorbrengt met haar kleinzoon is hiervoor onvoldoende.

Onvoldoende beoordeling gezinsleven met kleinkind en Chavez-Vilchez

11. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een intensieve zorgrelatie. Het feit dat eiseres haar kleinzoon ondersteunt bij het spreken van de taal Tamil en tijd met hem doorbrengt maakt dat sprake is van een feitelijke en structurele betrokkenheid bij de opvoeding en ontwikkeling. De kleinzoon van eiseres heeft beperkingen die zijn onderbouwd. Sinds de komst van eiseres is de kleinzoon beter gaan functioneren. Het standpunt van de minister dat het arrest Chavez-Vilchez niet van toepassing is, omdat de kleinzoon van eiseres twee ouders heeft is onjuist. Uit rechtspraak blijkt dat een feitelijke afhankelijkheidsrelatie centraal staat bij een beoordeling in het licht van het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of, en in hoeverre, de aanwezigheid en zorg van eiseres van wezenlijk belang is voor het welzijn van haar kleinzoon. De enkele constatering dat beide ouders aanwezig zijn sluit een relevante afhankelijkheidsrelatie niet uit. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of de kleinzoon van eiseres wordt gedwongen om te vertrekken naar Sri Lanka, indien eiseres terug moet.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat sprake is van een intensieve zorgrelatie tussen eiseres en haar kleinzoon. Eiseres helpt haar kleinzoon enkel met het spreken van Tamil en door tijd met hem door te brengen. De kleinzoon van eiseres redde zich ook voordat eiseres naar Nederland kwam. Het arrest Chavez-Vilchez is niet van toepassing op de situatie van eiseres nu er geen sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie als is bedoeld in dat arrest. Er is geen sprake van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken. De kleinzoon van eiseres woont met zijn ouders samen die voor hem zorgen. Een eventueel vertrek van eiseres naar Sri Lanka heeft dan ook niet tot gevolg dat haar kleinzoon wordt gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.

Had de minister aan eiseres een vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moeten verlenen op basis van haar privéleven?

12. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen kenbare beoordeling heeft verricht van haar privéleven in het voornemen. Hierbij had de minister haar medische situatie en de behandeling die ze hiervoor in Nederland krijgt moeten betrekken. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt welke medische omstandigheden zijn betrokken, in hoeverre een behandeling beschikbaar is in het land van herkomst en welke gevolgen terugkeer heeft voor eiseres.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van beschermenswaardig privéleven. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat zij banden met Nederland is aangegaan. Voor privéleven dat is opgebouwd zonder geldige verblijfsvergunning zijn uitzonderlijke omstandigheden nodig om een schending van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van haar asielaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Y. Yeniay - Cenik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand