RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.287
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en
(gemachtigde: mr. J. Isibor).
Procesverloop
1. Bij het bestreden besluit van 20 december 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toepasselijk recht
2. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.
Over het terugkeerbesluit en het inreisverbod
3. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vaardigt de minister een terugkeerbesluit uit aan een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft en die niet valt onder één van de in dat artikellid genoemde uitzonderingen. Op grond van artikel 62, eerste lid, van het Vw 2000, dient de vreemdeling Nederland binnen vier weken uit eigen beweging te verlaten. Op grond van artikel 62, tweede lid, van het Vw 2000, voor zover hier relevant, kan de minister bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, wanneer het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.
Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000, kan de minister een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.
De minister stelt in het bestreden besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister draagt eiser op om Nederland binnen vier weken te verlaten. Eiser moet terugkeren naar India. Dit wordt door eiser niet betwist. Verder legt de minister eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op. Eiser betwist (de oplegging van) het inreisverbod niet.
In beroep
Heeft eiser nog belang bij een beoordeling van zijn beroep (procesbelang)?
4. Volgens de minister is niet zonder meer duidelijk welk belang eiser nog heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Uit het dossier blijkt dat eiser Nederland inmiddels heeft verlaten en op 31 december 2024 in Oostenrijk is aangetroffen. Sindsdien
heeft eiser geen informatie verstrekt over zijn actuele verblijfplaats of verblijfsrechtelijke positie. Daar komt bij dat eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen tijdens de zitting.
Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen.
De omstandigheid dat eiser uit Nederland is vertrokken betekent niet dat hij geen belang meer heeft bij deze procedure. Het terugkeerbesluit legt eiser immers de plicht op om het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Daar komt bij dat het belang van eiser er ook al in is gelegen dat de minister ook een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Dat eiser niet is verschenen tijdens de zitting en geen beroepsgronden aanvoert tegen het inreisverbod, acht de rechtbank onvoldoende om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd?
5. Eiser wijst erop dat in het bestreden besluit staat dat hij om een zienswijze is gevraagd en dat is genoteerd dat hij heeft verklaard: ‘Als u mij laat gaan, ga ik weg.’ Volgens eiser blijkt uit het dossier niet welke vraag exact aan hem is gesteld. Uit eisers verklaring blijkt dat hij niet begreep wat hem werd gevraagd en wat hij kon verwachten. Eisers verklaring had juist voor de minister aanleiding moeten zijn door te vragen aan eiser en uit te leggen wat de plannen waren, zodat eiser zijn feiten en belangen naar voren kon brengen. De minister heeft dit nagelaten. Daarom is sprake van een onzorgvuldig voorbereid en gemotiveerd besluit.
Eisers is voorafgaand het bestreden besluit gehoord. Dat gehoor is uitgewerkt in het proces-verbaal van 20 december 2024. De minister wijst er terecht op dat daaruit volgt dat aan eiser vragen zijn gesteld over zijn identiteit, zijn eerdere verblijf in Duitsland, zijn woon- en verblijfplaats en zijn middelen van bestaan. Eiser is er tijdens het gehoor op gewezen dat hij geen verblijfsrecht heeft in Duitsland of Nederland. Ook wijst de minister er terecht op dat aan eiser vragen zijn gesteld over terugkeer naar India. Daarbij is aan eiser gevraagd of hij hiertegen (medische) bezwaren heeft, of hij meewerkt en de mogelijkheid heeft om terug te keren. Op deze laatste vragen antwoordt eiser: ‘Ja ik zal meewerken’ en ‘Als jullie mij sturen wil ik gaan’.
Gelet op deze gang van zaken stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het dossier geen steun biedt voor de conclusie dat eiser niet wist wat er van hem werd verwacht of dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren en belangen naar voren te brengen. Dat in het bestreden besluit een korte samenvatting van zijn zienswijze is opgenomen, maakt het besluit nog niet onrechtmatig. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.