ECLI:NL:RBDHA:2026:31664

ECLI:NL:RBDHA:2026:31664

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer NL26.61441
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61441

(gemachtigde: mr. D. Gürses),

en

Procesverloop

1. Bij besluit van 10 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser te kennen gegeven dat hij aan Duitsland zal worden overgedragen (het overdrachtsbesluit).

Eiser heeft op 15 december 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De rechtbank is ambtshalve bekend met de omstandigheid dat eiser op 17 december 2025 aan Duitsland is overgedragen.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser is op 4 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

De minister heeft de autoriteiten van Duitsland op 3 december 2025 gevraagd om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben hiermee op 4 december 2025 ingestemd. De minister heeft vervolgens het overdrachtsbesluit genomen.

Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister ten onrechte schorsende werking onthouden?

3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan het instellen van beroep geen schorsende werking heeft toegekend. Ook betoogt eiser dat de minister in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en fair play beginsel nu het besluit is genomen binnen de beroepstermijn en het verzoek om een voorlopige voorziening niet is afgewacht.

De beroepsgrond slaagt niet. Het uitgangspunt is dat op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening de lidstaten ervoor zorgen dat de vreemdeling een daadwerkelijk rechtsmiddel kan instellen. Nederland heeft in haar wetgeving ervoor gekozen dat de vreemdeling de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep. De redelijke termijn waarbinnen de vreemdeling een dergelijk verzoek kan indienen is op 24 uur gesteld. Dit volgt uit paragraaf C2/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Hierop is eiser ook gewezen in het bestreden besluit. Eiser heeft in dit geval niet binnen de termijn van 24 uur een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Omdat eiser niet tijdig – binnen de termijn van 24 uur – een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend, mocht hij de uitspraak van de voorzieningenrechter en dus ook zijn beroep niet in Nederland afwachten. Eiser heeft ook niet toegelicht op grond waarvan het beroep schorsende werking zou moeten hebben. Gelet op het voorgaande is van strijd met het zorgvuldigheids- of fair play beginsel dan ook geen sprake.

Is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op de voorgenomen overdracht kenbaar te maken?

4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen voornemen heeft uitgebracht en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze te geven voorafgaand aan het overdrachtsbesluit.

De rechtbank overweegt dat uit de wet noch de rechtspraak volgt dat de minister voorafgaand aan het overdrachtsbesluit een (schriftelijk) voornemen moet uitbrengen. Dat is anders als sprake is van een asielaanvraag, maar dat is hier niet het geval. Wat wel uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en het Hof van Justitie volgt, is dat een bestuursorgaan, alvorens jegens een bepaalde persoon een bezwarend besluit te nemen, die persoon de gelegenheid moet geven daarover opmerkingen kenbaar te maken, zodat de bevoegde autoriteiten in staat worden gesteld naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Dat betekent dat de rechtbank de vraag dient te beantwoorden of eiser afdoende in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen kenbaar te maken over het overdrachtsbesluit.

De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling in kennis is gesteld van het voornemen van de minister om hem over te dragen aan Duitsland. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld hierop een reactie kenbaar te maken. De advocaat heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van gehoor, aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te zijn, maar eiser later te bezoeken. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 11 december 2025 met de Dienst Terugkeer en Vertrek dat eiser op de hoogte is van de overdracht aan Duitsland. Tijdens dat vertrekgesprek zegt eiser zijn medewerking toe. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee overeenkomstig het verdedigingsbeginsel gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Verantwoordelijkheid Duitsland

5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is en niet Italië. Eiser wijst er in dat kader op dat Italië in 2022 akkoord is gegaan met terugname en dat onduidelijk is waarom de verantwoordelijkheid van Italië is komen te vervallen.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan Duitsland een voldoende geïnformeerd terugnameverzoek heeft gedaan. De minister heeft bij dit terugnameverzoek tevens een afschrift van de resultaten uit Eurodac bijgevoegd. De Duitse autoriteiten hebben door middel van het claimakkoord van 4 december 2025 expliciet erkend dat zij krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening verantwoordelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister er in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van een aangezochte lidstaat die uitdrukkelijk met een terugnameverzoek hebben ingestemd, hebben onderzocht of zij verantwoordelijk zijn en dat dan dus ook zijn. De enkele omstandigheid dat Italië in 2022 akkoord is gegaan met terugname, levert geen concreet aanknopingspunt op om aan de verantwoordelijkheid van Duitsland te twijfelen. De minister heeft in het terugnameverzoek van 3 december 2025 namelijk toegelicht dat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 9 april 2025 vanuit Zwitserland aan Duitsland is overgedragen. Hieruit kan worden afgeleid dat na 2022 de verantwoordelijk van Italië is verschoven naar Duitsland. Dat wordt bevestigd door het feit dat Duitsland akkoord is gegaan met het terugnameverzoek.

Artikel 17 van de Dublinverordening

6. Eiser voert verder aan dat de minister heeft nagelaten om te beoordelen of artikel 17 van de Dublinverordening (de discretionaire bevoegdheid) had moeten worden toegepast.

Uit artikel 17 van de Dublinverordening volgt dat de minister kan besluiten om een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen ook al is hij daar op grond van de Dublinverordening niet toe verplicht. Eiser heeft echter geen verzoek om internationale bescherming ingediend, zodat daarom de minister niet heeft hoeven toetsen aan artikel 17 van de Dublinverordening.

Refoulement

7. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat hoewel Duitsland formeel een veilig land is de minister desondanks heeft nagelaten om eisers individuele risico’s en kwetsbaarheid te betrekken bij de beoordeling, niet slaagt omdat eiser op geen enkele wijze heeft toegelicht noch heeft onderbouwd welke risico’s of kwetsbaarheid de minister dan niet heeft betrokken. Voorzover eiser heeft bedoeld dat hij bang is voor indirect refoulement omdat hij het risico loopt door Duitsland naar Libië te worden uitgezet, overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de verantwoordelijke lidstaat een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure in Duitsland heeft eiser niet gesteld en daar is de rechtbank ook niet van gebleken. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. Eiser kan de vrees voor dit risico in Duitsland aankaarten.

Vrijheidsontnemende maatregel en een lichter middel

8. Tot slot betoogt eiser dat er geen reden was om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Volgens eiser heeft de minister in strijd met artikel 28 van de Dublinverordening en artikel 59a, van de Vw 2000 gehandeld, omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom er geen lichter middel is toegepast.

De rechtbank oordeelt dat eiser deze beroepsgrond moet aanvoeren in de procedure omtrent zijn inbewaringstelling. Eiser kan met deze procedure, die alleen gaat over het overdrachtsbesluit, namelijk niet bewerkstelligen dat de rechtbank een oordeel geeft over de maatregel van bewaring. De rechtbank zal in deze uitspraak dan ook niet inhoudelijk op deze beroepsgrond ingaan. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de rechtbank bij uitspraak van 19 december 2025 heeft geoordeeld dat de inbewaringstelling rechtmatig is en dat de minister terecht geen reden heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M. Hollebrandse

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand