ECLI:NL:RBDHA:2026:31665

ECLI:NL:RBDHA:2026:31665

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer NL26.16208
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin, Oostenrijk, minderjarig kind, in geschil is de vraag of de minister de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich dient te trekken, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [x] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met de bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk daarvoor verantwoordelijk is.

Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening, dat eiseres heeft ingediend hangende haar beroep tegen het bestreden beluit, toegewezen.

De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond ten tijde van het indienen van het verzoek om internationale bescherming in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening). Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft op 2 oktober 2025 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit EU-VIS-systeem is gebleken dat aan eiseres door de Oostenrijkse autoriteiten een Schengenvisum is verleend. Dit visum was geldig van 29 september 2025 tot en met 18 oktober 2025. Hiermee is eiseres de Europese Unie ingereisd. Nederland heeft de autoriteiten van Oostenrijk op 19 november 2025 verzocht om eiseres over te nemen. Oostenrijk heeft op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, dit verzoek tot overname op 14 januari 2026 aanvaard. Dit betekent dat Oostenrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.

Eiseres kan zich hier niet mee verenigen. Op wat zij in beroep heeft aangevoerd gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat van belang is.

Verwijzing naar de zienswijze

5. Eiseres voert allereerst aan dat wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd, als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank overweegt dat een algemene verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om die zienswijze als zelfstandige beroepsgrond te kunnen aanmerken. Alleen voor zover eiseres in beroep concreet heeft toegelicht waarom de reactie van de minister op haar zienswijze onjuist of ontoereikend is, komt de rechtbank aan de inhoudelijke bespreking daarvan toe.

Standaardvoornemen

6. Eiseres betoogt verder dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens haar is het voornemen niet concreet toegespitst op haar situatie en bevat het uitsluitend standaardoverwegingen. De minister had de door haar aangevoerde feiten individueel moeten wegen, maar heeft dat niet of onvoldoende kenbaar gedaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat het voornemen algemeen van aard is, betekent op zichzelf niet dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Eiseres heeft de gelegenheid gehad om daarop te reageren in de zienswijze. De minister heeft vervolgens in het bestreden besluit op die zienswijze gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarbij voldoende heeft uiteengezet waarom Oostenrijk verantwoordelijk is en waarom hij geen aanleiding ziet om de aanvraag van eiseres zelf te behandelen. De door eiseres aangevoerde bezwaren zijn kenbaar in de besluitvorming betrokken.

Aanvullende stukken

7. Eiseres voert verder aan dat de minister de aanvullende stukken van 4 februari 2026 ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken en dat dit leidt tot een motiveringsgebrek.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze stukken zonder nadere toelichting heeft overgelegd. Het is aan eiseres om duidelijk te maken welke betekenis die stukken hebben voor de beoordeling van haar zaak. Voor zover zij met deze stukken de familieband tussen haar en haar dochter heeft willen onderbouwen, stelt de rechtbank vast dat de minister die familieband niet heeft betwist. De rechtbank gaat daarvan dan ook uit.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

8. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij wijst op haar persoonlijke omstandigheden, de aanwezigheid van haar minderjarige dochter in Nederland, de gestelde kinderontvoering, haar belang bij het opbouwen van een moeder-dochterrelatie en haar wens om haar familierechtelijke positie in Nederland te regelen. Ook beroept zij zich in dit verband op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de minister een discretionaire bevoegdheid geeft om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, ook als Nederland daartoe op grond van de verantwoordelijkheidscriteria niet verplicht is. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt de minister van die bevoegdheid gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat onevenredig hard uitpakt. De rechtbank toetst dat terughoudend. Daarbij geldt dat het belang van het kind op grond van artikel 6 van de Dublinverordening een eerste overweging vormt.

Persoonlijke omstandigheden van eiseres

Eiseres heeft aangevoerd dat zij in Oeganda tegen haar wil is uitgehuwelijkt aan een man die inmiddels is overleden. Uit een eerdere relatie heeft zij een (minderjarige) dochter, van wie de biologische vader homoseksueel is en Oeganda in 2018 heeft verlaten vanwege zijn seksuele gerichtheid. Eiseres stelt ook dat zij in Oeganda door haar familie is verstoten vanwege die relatie en dat haar dochter eveneens door haar familie is afgewezen. Zij betoogt verder dat zij in Oeganda geen sociaal of familiaal vangnet heeft. Daarnaast voert zij aan dat zij haar dochter in 2022 bij een buurvrouw moest achterlaten en dat de vader het kind in 2023 zonder haar toestemming naar Nederland heeft laten komen. Eiseres is naar Nederland gereisd om haar dochter te zoeken en bij haar te kunnen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de minister een groot deel van deze omstandigheden niet ten onrechte niet als zodanig bijzonder heeft aangemerkt dat toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening is aangewezen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden, hoe ingrijpend ook, in de kern behoren tot het asielrelaas van eiseres en samenhangen met de vraag of zij internationale bescherming nodig heeft. De beoordeling daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van Oostenrijk. Dat de gestelde omstandigheden bijzonder zijn, brengt op zichzelf dus nog niet mee dat Nederland de aanvraag van eiseres moet behandelen.

Internationale kinderontvoering

Eiseres voert daarnaast aan dat haar dochter zonder haar toestemming vanuit Oeganda naar Nederland is gekomen en dat sprake is van internationale kinderontvoering. Die omstandigheid had volgens haar ook bij de beoordeling van artikel 17 van de Dublinverordening moeten worden betrokken.

De rechtbank volgt haar daarin niet. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar stellingen op dit punt niet met stukken heeft onderbouwd en dat uit de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten volgen voor de gestelde ontvoering. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat de dochter rechtmatig in Nederland verblijft en via de daarvoor geldende nareisprocedure is overgekomen. Vast staat in dit verband dat de biologische vader op 7 juli 2023 een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen en dat hij op 19 juli 2023 voor de dochter van eiseres een aanvraag machtiging voorlopig verblijf (mvv-aanvraag) in het kader van nareis heeft ingediend, die is ingewilligd. Eiseres heeft deze gang van zaken niet gemotiveerd weersproken. Zij heeft bovendien ook niet concreet gemaakt waarom de wijze waarop haar dochter naar Nederland is gekomen, ook als van haar lezing wordt uitgegaan, meebrengt dat de minister haar aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

De belangen van de minderjarige dochter en haar positie in Nederland

Eiseres heeft verder aangevoerd dat bij de beoordeling van haar overdracht rekening moet worden gehouden met de belangen van haar dochter die in Nederland verblijft. Zij stelt dat haar dochter haar nodig heeft en dat zij als moeder de enige ouder is die bereid en in staat is om voor haar te zorgen en haar te beschermen. Overdracht aan Oostenrijk zou volgens eiseres gevolgen hebben voor het welzijn en de ontwikkeling van haar dochter en ook de opbouw van de moeder-dochterrelatie belemmeren.

De rechtbank stelt voorop dat het belang van het kind zwaar weegt bij de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft dat belang, anders dan eiseres betoogt, kenbaar betrokken. Daarbij heeft hij mogen meewegen dat gebleken is dat eiseres sinds 2022 feitelijk niet meer voor haar dochter zorgt en dat de dochter sinds medio 2023 bij haar vader in Nederland verblijft, die de dagelijkse verzorging op zich heeft genomen. Om die redenen kan niet worden gezegd dat overdracht van eiseres aan Oostenrijk een bestaande verzorgingsrelatie (tussen moeder en dochter) verbreekt. Dat eiseres de relatie met haar dochter wil herstellen en verder wil opbouwen, is weliswaar zeer begrijpelijk, maar maakt nog niet dat de minister de asielaanvraag in Nederland moet behandelen. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres haar stellingen over haar rol als verzorgende ouder niet met objectieve stukken heeft onderbouwd, althans dat niet is gebleken dat zij de enige ouder is die bereid en in staat is om voor haar dochter te zorgen. Verder heeft de minister mogen meewegen dat eiseres aanvankelijk heeft verklaard niet te weten waar haar dochter in Nederland woont en dat haar dochter niet wist dat eiseres in Nederland verbleef. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de overdracht van eiseres aan Oostenrijk een zodanig negatieve invloed heeft op het welzijn of de ontwikkeling van haar dochter dat toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening is aangewezen.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt op zitting nog verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank (zittingsplaatsen Arnhem en Amsterdam) van 20 december 2024 en van 21 juli 2026. Deze uitspraken leiden niet tot een ander oordeel. Dat in die zaken betekenis is toegekend aan een zorgvuldige beoordeling van de belangen van minderjarige kinderen, maakt niet dat de minister in de onderhavige zaak tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening gehouden was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feitelijke omstandigheden verschillen, in het bijzonder omdat de dochter van eiseres nog altijd bij haar vader verblijft en de overdracht van eiseres niet leidt tot een scheiding van de dochter van haar dagelijkse verzorger, te weten haar vader.

Eiseres heeft verder nog gewezen op de ontwikkelingen die na het bestreden besluit hebben plaatsgevonden. Inmiddels hebben twee fysieke contactmomenten plaatsgevonden en werken eiseres en de vader van haar dochter toe naar een structurele omgangsregeling en ouderschapsplan. Ook heeft eiseres gewezen op de WhatsApp-gesprekken met haar dochter, waaruit blijkt dat haar dochter haar moeder mist. De rechtbank onderkent dat deze ontwikkelingen iets zeggen over de huidige relatie tussen eiseres en haar dochter. Zij dateren echter van na het besluit. Deze ontwikkelingen kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de dochter. Deze omstandigheden nopen overigens ook nu niet alsnog tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de dochter bij haar vader verblijft en dat de dagelijkse zorg door hem zal worden gedragen. Bovendien brengen deze nieuwe ontwikkelingen op zichzelf genomen nog niet met zich dat de dochter voor haar welzijn of ontwikkeling van de aanwezigheid van eiseres in Nederland afhankelijk is, dan wel dat het contact bij overdracht van eiseres aan Oostenrijk niet kan worden voortgezet.

Artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM

Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van haar dochter als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. Volgens eiseres is niet kenbaar en concreet beoordeeld wat de gevolgen van overdracht zijn voor het welzijn, de ontwikkeling en de verzorgingssituatie van het kind. Ook stelt zij dat overdracht leidt tot een feitelijke scheiding van moeder en kind en daarmee een inbreuk vormt op haar recht op eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister het belang van de dochter en het contact met eiseres wel degelijk betrokken bij de beoordeling van artikel 17 van de Dublinverordening. Hiervoor is al overwogen dat de minister daarbij in aanmerking heeft mogen nemen dat de dochter bij haar vader verblijft en dat hij de dagelijkse verzorging op zich heeft genomen. Eiseres heeft niet concreet onderbouwd dat haar overdracht gevolgen heeft voor het welzijn of de ontwikkeling van haar dochter die maken dat haar belangen zich tegen die overdracht verzetten. Ook het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in de Dublinprocedure gaat om de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Hoewel de door eiseres aangevoerde gezins- en familiebanden wel relevant kunnen zijn binnen de beoordeling van artikel 17 van de Dublinverordening, verplichten deze niet zonder meer tot behandeling van de aanvraag in Nederland. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres niet concreet heeft gemaakt dat haar overdracht aan Oostenrijk het onderhouden van gezinsleven feitelijk onmogelijk maakt. De minister heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat Nederland niet gehouden is om de asielaanvraag van eiseres zelf te behandelen.

Familierechtelijke positie van eiseres

Eiseres voert ook aan dat zij er belang bij heeft om in Nederland te verblijven om haar familierechtelijke positie ten aanzien van haar dochter te kunnen regelen. Zij stelt dat zij anders wordt belemmerd in het voeren van procedures over omgang en gezag.

De rechtbank begrijpt dat eiseres belang heeft bij het vanuit Nederland vormgeven van haar familierechtelijke relatie met haar dochter. Zij heeft echter niet concreet gemaakt dat zij deze belangen uitsluitend vanuit Nederland kan behartigen. Ook is niet duidelijk geworden welke procedures zij alleen vanuit Nederland kan voeren of welke concrete belemmeringen een verblijf in Oostenrijk daarvoor oplevert. De enkele omstandigheid dat het vanuit Nederland gemakkelijker zou zijn om haar familierechtelijke positie te regelen, is onvoldoende om toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aangewezen te achten.

De artikelen 9 en 10 van de Dublinverordening en de overwegingen 13 tot en met 17 van de considerans

Eiseres heeft haar (zelfstandig) beroep op de artikelen 9 en 10 van de Dublinverordening op zitting ingetrokken. Voor zover zij met haar beroep op deze bepalingen heeft willen benadrukken dat de Dublinverordening ertoe strekt gezinsleden zoveel mogelijk bijeen te houden, leidt dit uitgangspunt echter niet tot een ander oordeel.

De Dublinverordening bevat een systeem voor de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, waarbij op grond van artikel 7 de in hoofdstuk III opgenomen criteria in de daarin vastgelegde volgorde worden toegepast. In dit geval is Oostenrijk op grond van die criteria als verantwoordelijke lidstaat aangewezen. Artikel 17 van de Dublinverordening biedt vervolgens de mogelijkheid om, ondanks de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat, vanwege bijzondere individuele omstandigheden van die verantwoordelijkheid af te wijken. Artikel 17 van de Dublinverordening is daarmee niet bedoeld om alsnog een verantwoordelijkheid van Nederland aan te nemen buiten de criteria van hoofdstuk III, maar biedt een discretionaire bevoegdheid om in bijzondere gevallen de aanvraag desondanks zelf te behandelen.

De artikelen 13 tot en met 17 van de considerans leiden niet tot een ander oordeel. Die overwegingen benadrukken het belang van gezinseenheid en de bescherming van minderjarigen, en dit komt binnen de verantwoordelijkheidsbepaling ook tot uitdrukking, maar maken niet dat Nederland zonder meer gehouden is de asielaanvraag van een ouder zelf te behandelen zodra een minderjarig kind in Nederland verblijft.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiseres aangevoerde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze omstandigheden niet leiden tot een zodanige bijzondere situatie dat toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aangewezen is. De beroepsgronden slagen niet.

Onderscheid tussen het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van de Dublinverordening

9. Eiseres heeft tot slot nog aangevoerd dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van de Dublinverordening onvoldoende van elkaar heeft onderscheiden. Zij stelt dat zij niet betwist dat Oostenrijk zijn verplichtingen in beginsel nakomt, maar dat haar individuele omstandigheden aanleiding geven om van overdracht af te zien.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het uitgangspunt is dat de minister ervan mag uitgaan dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen nakomt. Dat uitgangspunt ziet op de vraag of overdracht aan Oostenrijk in strijd zou komen met de voor de minister geldende internationale verplichtingen. De vraag of vervolgens aanleiding bestaat om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening is een afzonderlijke beoordeling. Uit het bestreden besluit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister deze toetsingskaders heeft vermengd. Zo is namelijk niet gebleken dat de minister de individuele omstandigheden van eiseres uitsluitend met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft afgedaan. Integendeel, de persoonlijke omstandigheden van eiseres en de omstandigheden rond haar dochter heeft de minister zelfstandig bij de beoordeling van het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening betrokken. Dat de minister daarbij ook heeft betrokken dat geen belemmeringen voor overdracht aan Oostenrijk zijn gebleken, betekent niet dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van de Dublinverordening onvoldoende van elkaar heeft onderscheiden

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.C.L.J. Verhoeven

Griffier

  • mr. D.J. Deitz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand