ECLI:NL:RBDHA:2026:31666

ECLI:NL:RBDHA:2026:31666

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer NL26.32191
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel Jordanië, Palestijn, eiser valt niet onder artikel 1 (D) van het Vluchtelingenverdrag, eiser heeft discriminatie ervaren, maar niet is gebleken dat de ondervonden discriminatie een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van DATUM in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.32191

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),

en

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2026 deze aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser is van Palestijnse afkomst en stelt staatloos te zijn. Hij is geboren op [geboortedag] 2002 en komt uit Jordanië. Eiser is tussen 15 en 23 februari 2023 Nederland ingereisd en heeft op 16 oktober 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Jordanië dusdanig wordt gediscrimineerd vanwege zijn Palestijnse afkomst, dat hij daardoor niet kan voorzien in zijn levensbehoeften. Hij heeft daarbij gewezen op allerlei beperkingen op het gebied van onder meer arbeid, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en bescherming door de autoriteiten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- discriminatie vanwege zijn Palestijnse afkomst.

De minister heeft beide relevante asielmotieven geloofwaardig geacht. Volgens de minister komt eiser echter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Dit omdat hij niet onder het toepassingsbereik van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt, niet is gebleken dat op andere gronden tot vluchtelingschap moet worden geconcludeerd en eiser verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico op ernstige schade loopt. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft zich namelijk niet onmiddellijk gemeld met een verzoek tot internationale bescherming. Eiser moet Nederland verlaten binnen een termijn van vier weken.

Waarom is eiser het niet eens met de minister?

5. Eiser betoogt dat de minister de discriminatie die hij als staatloze Palestijn van Gazaanse afkomst in Jordanië ondervindt, onvoldoende heeft beoordeeld. Volgens eiser moeten de verschillende beperkingen op het gebied van onder meer arbeid, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en bescherming door de autoriteiten in onderlinge samenhang worden bezien. Ook heeft eiser gewezen op openbare informatie waaruit volgens hem volgt dat de positie van met name staatloze Palestijnen van Gazaanse afkomst verder is verslechterd en dat de mogelijkheden van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) om ondersteuning te bieden zijn afgenomen. Verder heeft eiser nog aangevoerd dat hij aanspraak maakt op subsidiaire bescherming en dat de minister zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard wegens de late indiening van zijn verzoek om internationale bescherming.

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag (uitsluitingsgrond)

6. De rechtbank stelt voorop dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag een bijzondere regeling bevat voor personen die bescherming of bijstand genieten van een ander orgaan of andere instelling van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). Deze regeling speelt een rol bij bijvoorbeeld Palestijnen, mits zij onder de bescherming of bijstand van UNRWA vallen. Voor Palestijnse vluchtelingen die binnen het werkingsgebied van UNRWA vallen, moet eerst worden vastgesteld of de betrokkene daadwerkelijk onder de bescherming of bijstand van UNRWA valt. Pas wanneer dat het geval is, moet worden beoordeeld of die bescherming of bijstand om een reden is geëindigd die buiten de invloedssfeer van de betrokkene ligt. De minister heeft deze beoordeling in werkinstructie 2026/5 uitgewerkt in twee stappen. In de eerste stap moet worden vastgesteld of de vreemdeling de bijstand van UNRWA daadwerkelijk heeft ingeroepen of genoten, in beginsel onmiddellijk vóór of kort voor het vertrek uit het werkgebied van UNRWA. Een enkele registratie bij UNRWA is daarvoor niet voldoende; het moet gaan om daadwerkelijke bescherming of bijstand. Als aan deze eerste stap niet is voldaan, komt de tweede stap niet aan de orde. In de tweede stap wordt beoordeeld of de bijstand van UNRWA vervolgens is geëindigd om redenen die buiten de wil of invloed van de vreemdeling liggen. Daarbij kan onder meer van belang zijn of UNRWA in het betrokken gebied nog in staat is haar mandaat daadwerkelijk te vervullen en de betrokkene de bescherming en bijstand te bieden die voor hem beschikbaar was.

In het voornemen heeft de minister zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de uitsluitingsgrond in artikel 1D op eiser van toepassing was. Naar aanleiding van de zienswijze heeft de minister dat standpunt gewijzigd. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar bij UNRWA staat geregistreerd, maar dat niet is gebleken dat hij kort voor zijn vertrek uit Jordanië daadwerkelijk bijstand of bescherming van UNRWA ontving. Volgens de minister is daarom niet voldaan aan de eerste stap en valt eiser niet onder de reikwijdte van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag.

Eiser heeft dit gewijzigde standpunt van de minister niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser ten tijde van zijn vertrek niet daadwerkelijk de bijstand of bescherming van UNRWA genoot als bedoeld in artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en (dus) niet valt binnen de reikwijdte van dit artikel. Dat betekent dat de eerste stap niet is vervuld en dat geen aanleiding bestaat om toe te komen aan de tweede stap. De vraag of UNRWA op dit moment in Jordanië nog in staat is haar mandaat te vervullen, is voor de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag in het geval van eiser daarom niet beslissend. De rechtbank hoeft in het kader van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag daarom niet te beoordelen of de door eiser gestelde huidige verminderde capaciteit van UNRWA in Jordanië ertoe leidt dat UNRWA haar mandaat daar nog voldoende kan vervullen. Die informatie is alleen relevant voor de vraag of de bescherming of bijstand waarop de vreemdeling daadwerkelijk was aangewezen, buiten zijn wil om is weggevallen. Nu eiser die bijstand niet daadwerkelijk ontving, kan een eventuele vermindering daarvan niet worden aangemerkt als het wegvallen van voor hem bestaande UNRWA-bescherming in de zin van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag.

Vervolging wegens discriminatie

7. Eiser voert aan dat de minister weliswaar heeft onderkend dat hij als staatloze Palestijn van Gazaanse afkomst in Jordanië met discriminatie te maken heeft, maar dat de minister de ernst en de onderlinge samenhang van die discriminatie onvoldoende heeft beoordeeld. Volgens eiser gaat het niet om één afzonderlijke beperking, maar om een samenstel van beperkingen op het gebied van onder meer arbeid, onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting. Daar komt volgens eiser bij dat hij als staatloze Palestijn geen volwaardige bescherming van de Jordaanse autoriteiten geniet en dat de bescherming van UNRWA in Jordanië is opgehouden. Volgens eiser leidt dit geheel ertoe dat hij in Jordanië niet op gelijkwaardige wijze aan de samenleving kan deelnemen en dat daarom moet worden aangenomen dat de discriminatie de voor vervolging vereiste ernst heeft bereikt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen gewezen op openbare informatie over de positie van Palestijnen in Jordanië. Daaruit volgt volgens hem dat de positie van Palestijnen in Jordanië, en in het bijzonder van staatloze Palestijnen van Gazaanse afkomst, bijzonder kwetsbaar is. Eiser wijst daarbij onder meer op beperkingen bij het verkrijgen en behouden van werk, toegang tot voorzieningen en huisvesting en op de afgenomen mogelijkheden van UNRWA om ondersteuning te bieden. Volgens eiser heeft de minister deze recente ontwikkelingen onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken en kan niet worden volstaan met een verwijzing naar de omstandigheden waaronder eiser vóór zijn vertrek uit Jordanië heeft geleefd.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van vervolging niet iedere vorm van ongelijke behandeling of discriminatie beslissend is. Beoordeeld moet worden of de betrokken maatregelen, afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang, zodanig ernstig zijn dat zij leiden tot een ernstige aantasting van fundamentele rechten. Daarbij moeten de aard en ernst van de maatregelen en de gevolgen daarvan voor de individuele vreemdeling worden betrokken. Maatregelen die afzonderlijk bezien niet de vereiste ernst hebben, kunnen door hun cumulatieve effect onder omstandigheden wel tot vervolging leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze maatstaf in het bestreden besluit voldoende kenbaar toegepast. De minister heeft niet volstaan met de constatering dat sprake is van discriminatie, maar heeft beoordeeld hoe de door eiser gestelde beperkingen zich in zijn persoonlijke situatie hebben gemanifesteerd. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser in Jordanië onderwijs heeft kunnen volgen, heeft gewerkt, toegang heeft gehad tot gezondheidszorg en beschikte over huisvesting. De minister heeft deze omstandigheden terecht aangemerkt als aanwijzingen dat eiser ondanks de door hem ondervonden beperkingen daadwerkelijk aan het maatschappelijk leven heeft kunnen deelnemen.

Daarmee is nog niet gezegd dat de actuele situatie gelijk is aan de situatie vóór eisers vertrek. De rechtbank betrekt daarom ook de informatie die eiser in beroep heeft overgelegd over ontwikkelingen sinds zijn vertrek. Uit die informatie volgt dat staatloze Palestijnen van Gazaanse afkomst in Jordanië een uiterst kwetsbare positie hebben en op verschillende terreinen met beperkingen en ongelijke behandeling kunnen worden geconfronteerd. De rechtbank neemt die informatie uitdrukkelijk mee in haar beoordeling. Maar met die informatie heeft eiser desalniettemin nog niet aannemelijk gemaakt dat de beperkingen zich ook bij hem persoonlijk zullen voordoen op een wijze die, afzonderlijk of in samenhang, de voor vervolging vereiste ernst bereikt. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de huidige beperktere mogelijkheden van UNRWA om ondersteuning te bieden maken dat hij bij terugkeer een reëel risico op vervolging loopt. Tussen partijen is immers niet in geschil dat eiser vóór zijn vertrek geen ondersteuning van UNRWA ontving. Van een bestaande vorm van ondersteuning waarvan eiser door de huidige beperktere capaciteit van UNRWA bij terugkeer verstoken zou raken, is dan ook geen sprake. De informatie over de huidige positie en mogelijkheden van UNRWA kan daarom niet dienen als onderbouwing van een persoonlijke verslechtering van eisers positie ten opzichte van de situatie vóór zijn vertrek. Voor zover deze informatie inzicht geeft in de algemene positie van Palestijnen in Jordanië, wordt zij betrokken bij de beoordeling van eisers persoonlijke situatie, maar zij leidt niet tot de conclusie dat eiser bij terugkeer met een redelijke mate van waarschijnlijkheid aan vervolging zal worden blootgesteld.

Ook voor het overige heeft eiser onvoldoende concreet gemaakt dat de verschillende door hem genoemde beperkingen gezamenlijk tot die ernst leiden. Daarbij is van belang, zoals hiervoor al is overwogen, dat eiser vóór zijn vertrek daadwerkelijk onderwijs heeft kunnen volgen, heeft kunnen werken, over huisvesting beschikte en toegang heeft gehad tot gezondheidszorg. Dat deze mogelijkheden voor een staatloze Palestijn van Gazaanse afkomst met beperkingen en nadelen gepaard kunnen gaan, maakt niet dat de minister deze omstandigheden ten onrechte bij zijn beoordeling heeft betrokken. Zij geven juist inzicht in de mate waarin eiser ondanks zijn kwetsbare rechtspositie feitelijk toegang had tot verschillende onderdelen van het maatschappelijk leven. Eiser heeft geen concrete feiten of informatie aangevoerd waaruit volgt dat deze feitelijke positie inmiddels zodanig is veranderd dat hij bij terugkeer van deze voorzieningen zal worden uitgesloten of dat de beperkingen gezamenlijk een ernstige aantasting van fundamentele rechten zullen opleveren. De door eiser overgelegde informatie geeft wel aanleiding om de kwetsbare positie van eiser serieus in de beoordeling te betrekken, maar biedt zonder nadere individualisering onvoldoende grond voor het oordeel dat voor eiser persoonlijk een redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging bestaat.

De rechtbank is al met al van oordeel dat de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden voldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken en zich, gelet op de beschikbare informatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie waarvan eiser in Jordanië het slachtoffer kan zijn niet de voor vervolging vereiste ernst bereikt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Subsidiaire bescherming

8. Eiser heeft zich daarnaast beroepen op subsidiaire bescherming. Hij heeft daartoe in wezen dezelfde omstandigheden aangevoerd die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op vervolging.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit wat hiervoor is overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer vanwege zijn individuele omstandigheden een reëel risico loopt op ernstige schade. De door eiser beschreven discriminatie en zijn kwetsbare positie als staatloze Palestijn van Gazaanse afkomst zijn daarvoor, ook in onderlinge samenhang bezien en tegen de achtergrond van de actuele informatie, onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Kennelijk ongegrond

9. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard wegens het niet zo spoedig mogelijk indienen daarvan.

Vaststaat dat eiser in februari 2023 in Nederland is aangekomen en eerst op 16 oktober 2023 een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat hij het advies had gekregen om zijn asielaanvraag pas in te dienen nadat zijn visum was verlopen en dat hij bovendien eerst naar Zweden is doorgereisd. Daarmee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt waarom hij niet eerder na zijn aankomst in Nederland een aanvraag kon indienen. De enkele omstandigheid dat hij door een ander zou zijn geadviseerd om daarmee te wachten, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Bezien tegen deze achtergrond heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een geldige reden had om met het indienen van zijn aanvraag te wachten. De minister heeft de aanvraag daarom terecht als kennelijk ongegrond kunnen aanmerken.

Terugkeerbesluit

10. Omdat eiser niet in aanmerking komt voor internationale bescherming en de aanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft genomen.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand