RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer: [x] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46391
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
Procesverloop
1. Bij besluit van 6 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. In geschil is onder meer de vraag of een asielzoeker in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening aan Italië kan worden overgedragen. Op 15 september 2026 heeft een zitting plaatsgevonden van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. In die zaak ligt dezelfde vraag voor. De uitspraak van de meervoudige kamer kan van belang zijn voor de uitkomst van het beroep van verzoeker. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen dat de uitspraak van de meervoudige kamer wordt afgewacht en dat tot die tijd niet op het beroep van eiser wordt beslist.
4. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een afweging van de belangen van verzoeker en de minister in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening. Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. De gevraagde voorziening houdt alleen in dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. Dat is niets meer dan het in stand laten van de huidige situatie. Het niet treffen van de voorziening zou aan de andere kant betekenen dat verzoeker aan Italië wordt overgedragen. Niet is uitgesloten dat dit onomkeerbare gevolgen voor verzoeker kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker om de beslissing op zijn beroep in Nederland af te mogen wachten doorslaggevend gewicht toe.
5. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Italië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.