ECLI:NL:RBDHA:2026:31677

ECLI:NL:RBDHA:2026:31677

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer NL26.1254
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

asiel, Turkije, Gülen, beleidswijziging, vrees voor vervolging, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.1254

(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),

en

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen of het door de minister toegepaste beleid hanteerbaar is en of de minister de vrees voor vervolging van eiseres onvoldoende zwaarwegend mocht vinden. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daarbij aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is op 5 november 2018 gearresteerd wegens verdenking van lidmaatschap van de Gülenbeweging. Hierna is eiseres ook veroordeeld wegens lidmaatschap van de Gülenbeweging. Eiseres zat in Turkije in detentie tot 12 juli 2022. Eiseres vreest dat zij bij terugkeer naar Turkije opnieuw wordt gearresteerd vanwege de herstructureringsoperaties en omdat agenten in haar oude buurt naar haar hebben gevraagd. Hierdoor vreest eiseres voor de Turkse overheid.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst

2. de problemen van eiseres met de Turkse autoriteiten vanwege lidmaatschap van de Gülenbeweging

De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Eiseres heeft haar gegronde vrees voor vervolging niet aannemelijk gemaakt. Daardoor is zij geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Hierbij is het volgende van belang. Na de vrijlating van eiseres zijn er geen juridische vervolgstappen genomen tegen haar. Eiseres had de vrijheid om legaal te vertrekken uit Turkije. Ook heeft eiseres niet concreet gemaakt hoe haar contact met Gülenisten zal leiden tot vervolging. Het enkele feit dat politieagenten voor haar vertrek uit Turkije naar eiseres hebben gevraagd maakt niet dat zij zal worden vervolgd bij terugkeer naar Turkije. Tenslotte heeft eiseres maandenlang illegaal in Nederland verbleven en heeft zij gewacht met het indienen van een aanvraag om een Dublinclaim te voorkomen. Dit strookt niet met een acute vrees voor vervolging in Turkije.

Is het door de minister toegepaste beleid aanvaardbaar?

5. Op 1 december 2023 heeft de minister een wijziging doorgevoerd in het risicogroepenbeleid voor Gülenisten. In Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2023/24 is de minister teruggekomen van het tot dan geldende uitgangspunt dat voor (toegedichte) Gülenisten snel een vrees voor vervolging werd aangenomen. Daardoor spitst de minister vanaf die datum de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten meer toe op de door de betrokken vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheden. Met ingang van 1 juli 2024 is het groepenbeleid in algemene zin gewijzigd en zijn in dat beleid risicogroepen vervangen door risicoprofielen. Daarmee heeft de minister meer gewicht willen toekennen aan de individuele omstandigheden van een betrokkene bij de beoordeling van een asielaanvraag.

In WBV 2024/12 heeft de minister (toegedichte) Gülenaanhangers aangemerkt als risicoprofiel. Dat beleid heeft de minister in WBV 2025/10 voortgezet.

Eiseres betoogt dat het door de minister toegepaste beleid niet rechtmatig is. Hierbij verwijst eiseres naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam en zittingsplaats Groningen. De minister gaat ten onrechte niet inhoudelijk in op de landeninformatie die eiseres heeft ingediend als onderbouwing van het betoog dat de minister de beleidswijziging onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel. Dit geldt ook voor de beleidswijziging waarbij risicogroeperingen zijn vervangen door risicoprofielen. Ook hierbij heeft eiseres verwezen naar verschillende landenrapporten en bronnen. Hier is de minister inhoudelijk niet op ingegaan, wat een motiveringsgebrek oplevert.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het toegepaste beleid aanvaardbaar is. Dit volgt uit rechtspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 januari 2026 en met betrekking tot WBV 2023/24 uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De verwijzing van eiseres naar twee uitspraken van zittingsplaatsen van deze rechtbank maakt dit oordeel niet anders.

Mocht de minister de vrees van eiseres voor vervolging vanwege haar betrokkenheid bij de Gülenbeweging onvoldoende zwaarwegend achten?

6. Eiseres betoogt dat de minister haar vrees voor vervolging ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht. Zij vindt dat de conclusie van de minister dat niet is gebleken dat zij nog steeds in de negatieve belangstelling staat, onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres geeft aan dat zij na haar vrijlating uit de gevangenis ongeveer veertien maanden in Turkije is gebleven en in die periode heeft de politie minstens tweemaal naar eiseres en haar vader gevraagd. Dit is voldoende om aan te nemen dat eiseres (nog) in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Zoals ook blijkt uit het meest recente ambtsbericht over Turkije is er nog steeds sprake van willekeur bij de vervolging van Gülenisten. Ook heeft de minister ten onrechte niet in zijn beoordeling betrokken dat eiseres weliswaar legaal heeft kunnen vertrekken uit Turkije, maar dat haar tot een jaar na haar vrijlating een uitreisverbod was opgelegd Ook wijst eiseres op een rapport van Justice Square, waarin wordt aangegeven dat de Turkse autoriteiten onderzoek doen naar Gülenisten in Nederland. Eiseres stelt dat dat onderzoek is gedaan naar Stichting Secu en zij wijst op het ambtsbericht, waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten Gülenisten die in het buitenland verblijven monitort. De combinatie van deze informatie maakt dat niet onaannemelijk is dat de Turkse autoriteiten ook een onderzoek hebben ingesteld naar andere organisaties die zijn verbonden aan de Gülenbeweging, zoals Stichting Noordelijke Horizon, waar eiseres voor actief is. Eiseres stelt ook dat de minister er ten onrechte aan voorbijgaat dat de politie ook na haar vertrek uit Turkije nog navraag heeft gedaan over eiseres bij haar familie. Dit staat niet in het rapport van het nader gehoor, maar eiseres heeft aantekeningen overgelegd van de bespreking van dat rapport van het nader gehoor en de gemachtigde van eiseres is vergeten dit toe te voegen bij de correcties en aanvullingen. Dat de minister stelt dat de aantekeningen niet op echtheid kunnen worden onderzocht doet hier niet aan af, aangezien een gemachtigde op zijn woord moet kunnen worden geloofd. Ook had de minister kunnen verzoeken om de originele aantekeningen. Eiseres vindt ook dat de minister ten onrechte geen waarde hecht aan de bezoeken van de politie voorafgaand aan het vertrek van eiseres. Ook dat is een teken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat.

De rechtbank stelt voorop dat uit de door eiseres overgelegde stukken niet blijkt dat Stichting Noordelijke Horizon een aan de Gülenbeweging verbonden organisatie is waar door de Turkse autoriteiten op een vergelijkbare wijze onderzoek naar wordt gedaan als de door eiseres genoemde Stichting Secu. De naam van eiseres komt niet voor op de overgelegde lijst van personen die voor Stichting Secu werken en waar in Turkije nader onderzoek naar wordt gedaan. Het enkele feit dat er voorbeelden zijn van Gülenisten die in Nederland worden gemonitord maakt niet dat dit ook in het geval van eiseres het geval is. Uit het ambtsbericht blijkt dat dit vooral betrekking heeft op prominente vertegenwoordigers en geldschieters. In het geval van eiseres is niet gebleken dat zij een prominent figuur is binnen de Gülenbeweging. In zoverre slaagt het betoog van eiseres niet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister echter onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres niet (meer) in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat vaststaat dat eiseres in Turkije langdurig in de gevangenis heeft gezeten omdat zij Gülenist is. Ook is niet ongeloofwaardig bevonden dat de politie na de vrijlating van eiseres uit de gevangenis, maar vóór haar vertrek bij de familie van eiseres langs is geweest. Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, volgt dat het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag een duidelijke aanwijzing vormt dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Nu eiseres in het verleden is blootgesteld aan vervolging, is daarmee een duidelijke aanwijzing in voormelde zin gegeven. Het is vervolgens aan de minister om te motiveren dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat vervolging zich voor eiseres niet opnieuw zal voordoen. De minister is daar echter niet in geslaagd, gelet op het navolgende.

Het ambtsbericht vermeldt op pagina 52:

“Het was onduidelijk of vrijgelaten Gülenisten opnieuw het risico liepen op problemen met de Turkse autoriteiten. Een bron deelde mee dat de autoriteiten niet geneigd waren om vrijgelaten Gülenisten opnieuw strafrechtelijk te vervolgen. Een andere bron liet weten dat vrijgelaten Gülenisten in de gaten werden gehouden door de autoriteiten. Indien zij de banden opnieuw aanhaalden met andere Gülenisten, liepen ze het risico op nieuwe problemen met de autoriteiten, aldus de bron. Deze bron specificeerde niet wat er werd bedoeld met ‘opnieuw aanhalen van banden’ en ‘nieuwe problemen.’.”

Het ambtsbericht is er niet duidelijk over dat vrijgelaten Gülenisten opnieuw risico op vervolging lopen. Ook is niet duidelijk in welke gevallen ervan uit wordt gegaan dat Gülenisten opnieuw banden aanhalen met andere Gülenisten en ook is onduidelijk wat onder nieuwe problemen moet worden verstaan. De beschikbare informatie bevat geen duidelijke aanwijzing dat een vervolgde en daarna vrijgelaten Gülenist niet opnieuw in de problemen kan komen. De omstandigheden dat eiseres haar straf heeft uitgezeten en dat zij legaal heeft kunnen uitreizen zijn ontoereikend om aan te kunnen nemen dat eiseres niet opnieuw in de problemen zal komen als veroordeelde Gülenist. Daarbij moet mede in ogenschouw worden genomen dat eiseres niet uitdrukkelijk afstand heeft genomen van de Gülenbeweging, maar stelt dat zij in Nederland activiteiten verricht die daarmee in verband staan. De minister heeft daarom niet deugdelijk gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiseres niet opnieuw aan vervolging zal worden blootgesteld. Daarmee heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

Omdat het beroep om deze reden gegrond is behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. In het midden kan blijven of de minister de verklaring van eiseres dat ook na haar vertrek door de politie nog naar haar is geïnformeerd, buiten beschouwing heeft gelaten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat de minister gelet op hetgeen overwogen onder 6.2 en verder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet dan ook geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het is voor de rechtbank thans niet mogelijk om een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers uit te voeren. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hierbij een termijn van acht weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 5 januari 2026;

- draagt de minister op om binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

de griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand