[verzoeker] , v-nummer: [x] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. De minister heeft met het besluit van 5 augustus 2026 besloten om verzoeker definitief geen uitstel van vertrek te verlenen om medische redenen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Verzoeker heeft op 6 augustus 2026 bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister om hem uitstel van vertrek te verlenen. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit van 5 augustus 2026 echter niet op. Omdat gedurende de behandeling van het bezwaar uitzetting niet achterwege wordt gelaten heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Bij bericht van 21 augustus 2026 heeft de griffier van de rechtbank de minister verzocht om schriftelijk mee te delen of hij zich verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift van verzoeker is beslist. De minister heeft op 4 september 2026 laten weten zich hier niet tegen te verzetten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding bedraagt € 934,-, omdat zijn gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Omdat eiser definitief is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft de minister dat niet aan hem te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.