Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711007 / KG ZA 26-900
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. F. Laros te Rotterdam,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties;
- de op 17 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Op de zitting zijn verschenen: de vader, vergezeld van mr. F. Laros, de moeder, vergezeld van mr. W.A. van der Stroom-Willemsen en [naam 1] , en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar gewone verblijfplaats bij de moeder.
De ouders hebben in een niet ondertekend ouderschapsplan een zorgregeling opgenomen die er, kort gezegd, op neerkomt dat [minderjarige] bij de vader is gedurende twee lange weekenden per maand.
Zowel de vader als de moeder hebben een nieuwe partner. De moeder heeft recent een baby gekregen met haar nieuwe partner. Ook de man heeft een zoontje gekregen met zijn nieuwe partner.
3. Het geschil
in conventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – :
de moeder te veroordelen tot onverkorte nakoming van de tussen partijen geldende feitelijke zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] om de week op donderdag door de vader bij de kinderopvang wordt opgehaald en de daaropvolgende week op dinsdag door hem weer naar de kinderopvang wordt gebracht, onder oplegging van een dwangsom;
de vader vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie samen met [minderjarige] naar Frankrijk in de periode van 25 tot en met 30 oktober 2026;
de moeder te veroordelen in de kosten van het geding.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft op 12 augustus 2026 de vader medegedeeld dat de zorgregeling met onmiddellijke ingang wordt opgeschort, omdat er volgens haar bij [minderjarige] verschillende zorgsignalen zijn geconstateerd. Daarvan is melding gedaan bij Veilig Thuis en aangifte bij de politie. De moeder wenst de uitkomsten van de onderzoeken ter zake af te wachten alvorens de zorgregeling te hervatten. Om die reden wordt door de moeder ook geen toestemming verleend voor de door de vader verzochte vakantie met [minderjarige] . De vader betwist dat er goede redenen zijn om het contact tussen hem en [minderjarige] te staken. Hij meent dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij haar vader blijft zien zoals voorheen en ook met hem op vakantie kan gaan.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert (voorwaardelijk, ingeval de voorzieningenrechter oordeelt dat er hangende de lopende onderzoeken al contactherstel moet plaatsvinden) een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] eens in de twee weken, beginnend met een dagdeel, contact heeft met de vader onder begeleiding van een omgangshuis dan wel een nader te benoemen professional.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Gelet op de spanning en angst die [minderjarige] ten aanzien van haar vader heeft ervaren/ervaart, alsmede de jonge leeftijd en de kwetsbare fase waarin zij zich bevindt, is een zorgvuldige beoordeling van het contact tussen [minderjarige] en haar vader geboden voordat het contact kan worden hervat. Deze beoordeling dient te worden gemaakt door een professionele en gekwalificeerde instantie.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Omdat de vorderingen van de ouders nauw met elkaar samenhangen worden ze hierna gezamenlijk besproken.
Zorgregeling
In geschil is of het contact van de vader met [minderjarige] moet worden hervat voordat de onderzoeksresultaten van Veilig Thuis en de politie bekend zijn, en zo ja hoe.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat gebleken is dat partijen een slechte verstandhouding met elkaar hebben. Er is tussen partijen veel discussie (geweest) over een gewenste verhuizing van de moeder en overleg over de zorgregeling verloopt al langere tijd uiterst moeizaam. De moeder laat feitelijk haar partner het contact tussen [minderjarige] en de vader faciliteren. Toen de moeder zorgsignalen meende te zien, is dat tussen partijen niet goed besproken en heeft de moeder zich eenzijdig gewend tot instanties en de zorgregeling stop gezet. De vader is vervolgens door Veilig Thuis op de hoogte gebracht van de zorgen van de moeder, maar hij herkent zich niet in het door de moeder geschetste beeld. Volgens hem heeft [minderjarige] het bij hem prima naar haar zin en is van slaan geen sprake, laat staan van seksueel misbruik.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de stellingen van de ouders diametraal tegenover elkaar staan. In hetgeen de moeder in de stukken en op de zitting naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende aanleiding om het contact tussen de vader en [minderjarige] geheel te staken. Weliswaar heeft de moeder zich met zorgen gemeld bij de huisarts, is er melding gedaan bij Veilig Thuis, is er aangifte gedaan bij de politie en zijn zowel Veilig Thuis als de politie een onderzoek gestart, maar hieruit kan op dit moment niet de conclusie getrokken worden dat er sprake is van mishandeling en/of misbruik van [minderjarige] . Ook uit de door de moeder overige overgelegde stukken kan dit niet worden afgeleid. Een incidentele blauwe plek in de lies en op de bil is onvoldoende om uit te gaan van misbruik. Dat de vader zich schuldig heeft gemaakt aan slaan van [minderjarige] staat evenmin vast. Daargelaten dat de vader dit gemotiveerd heeft betwist, is door de moeder erkend dat de vader niet eerder (jegens haar of derden) fysiek agressief gedrag heeft laten zien. Daarmee is dus ook niet op voorhand aannemelijk dat de vader zich jegens [minderjarige] heeft schuldig gemaakt aan slaan. Dat klemt te meer nu evenmin is gebleken dat er ooit zorgen zijn geuit over het gedrag van de vader jegens het kind dat hij heeft bij zijn nieuwe partner. Onder de gegeven omstandigheden moet daarom uiterst voorzichtig worden omgegaan met verstrekkende beschuldigingen, en moet worden voorkomen dat contact met de vader direct geheel wordt geblokkeerd.
Dat laat onverlet dat wel moet worden nagegaan wat er nu precies aan de hand is. Het feit dat er naar zeggen van de moeder een abnormale focus op eten bestaat kan wel duiden op onrust bij [minderjarige] . Datzelfde geldt voor gedragingen als woede-uitbarstingen en plasproblemen. De Raad heeft daarbij echter terecht naar voren gebracht dat zeker niet valt uit te sluiten dat andere factoren een rol spelen bij de onrust die [minderjarige] laat zien dan de door de moeder veronderstelde misdragingen van de vader. Vast staat immers dat de ouders niet goed met elkaar kunnen communiceren, dat de moeder meent dat zij op veel punten beter in staat is te bepalen wat goed is voor [minderjarige] dan de vader en dat de partner van de moeder feitelijk een rol vervult in de zorgregeling die de moeder eigenlijk zou behoren te hebben. Ook een jong kind als [minderjarige] kan de daaruit voortvloeiende spanning tussen de ouders oppikken en daarop met veranderend/negatief gedrag reageren. Daarbij komt dat de feitelijke leefsituatie voor [minderjarige] de afgelopen tijd ingrijpend is veranderd. Ze heeft immers zowel bij de vader als bij de moeder te maken gekregen met een nieuwe partner en een nieuw broertje, wat ook gedragsverandering teweeg kan brengen, zoals de Raad heeft benadrukt.
De vraag die nu voorligt is, hoe het contact met de vader voorlopig kan worden hervat op een zodanige wijze, dat het contact voor [minderjarige] – ondanks de verschillende visies van partijen – toch prettig en onbelast kan verlopen. Op de zitting is duidelijk geworden dat de vader (mede in verband met een veronderstelde verhuiswens van de moeder) al een bodemprocedure is gestart waarin hij verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen. De mondelinge behandeling van deze procedure vindt plaats op 6 oktober 2026. Met de ouders is besproken dat gezien de behandeling op 6 oktober 2026 dit kort geding feitelijk slechts ziet op een korte periode. De zitting is vervolgens geschorst en de ouders hebben in aanwezigheid van de Raad overleg met elkaar gehad. Na de schorsing is de zitting hervat. De Raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de zorgregeling onmiddellijk moet worden hervat, in die zin dat de vader voor nu 1 x per week in het weekend contact heeft met [minderjarige] . De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van de Raad en heeft dit op de zitting al met de ouders besproken. Hierop is met de ouders de afspraak gemaakt dat de vader tot aan de zitting van 6 oktober 2026, althans tot de bodemrechter meer of anders beslist, [minderjarige] bij zich zal hebben ieder weekend op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur (na het eten). Daarbij zal de moeder [minderjarige] zelf naar de vader brengen en de vader zal [minderjarige] weer terugbrengen naar de moeder. De voorzieningenrechter vindt het daarbij nodig dat het contact voorlopig, tot een nadere beslissing van de bodemrechter, plaatsvindt in het bijzijn van (een van) de grootouders en /of zussen. Dat moet rust creëren voor de moeder en de bij haar bestaande stress en angst zoveel mogelijk wegnemen. Dat is essentieel om haar in staat te stellen emotionele toestemming te geven voor het contact en de omgang te doen slagen.
Om het vertrouwen tussen de ouders zoveel mogelijk te herstellen is ter zitting nog afgesproken dat de communicatie over de omgang tussen de ouders zal gaan via een omgangsschriftje dat de moeder zal aanschaffen. Met de ouders is besproken dat voorkomen moet worden dat zij kwaad over elkaar spreken in het bijzijn van [minderjarige] en dat de moeder kritische vragen aan de vader stelt in haar bijzijn. Het is aan de vader om in het omgangsschriftje kort op te schrijven wat hij de betreffende zaterdag heeft gedaan met [minderjarige] . Voorts is afgesproken dat er tot aan de zitting van 6 oktober 2026, althans totdat de bodemrechter meer of anders beslist, een belmoment tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden op de woensdagen om 18.30 uur, waarbij de vader de partner van de moeder zal bellen. Aan dit belmoment is geen eindtijd verbonden. Het is aan [minderjarige] om aan te geven wanneer zij het gesprek wil beëindigen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een kind van de leeftijd van [minderjarige] over het algemeen een korte aandachtsboog heeft.
Ten slotte is met de ouders afgesproken dat zij op de zitting van 6 oktober 2026 zullen bespreken hoe de contactmomenten zijn verlopen, waarna de beslissing over de verdere invulling van de zorgregeling aan de bodemrechter zal worden overgelaten. Tevens zullen partijen in de tussentijd nadenken over de vraag welke hulpverlening zij kunnen inroepen, om hun onderlinge communicatie te verbeteren.
Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter op de vordering van de vader in conventie beslissen als na te melden. Die beslissing impliceert dat de vordering van de moeder in reconventie zal worden afgewezen.
Dwangsom
De voorzieningenrechter acht oplegging van een dwangsom aan de moeder, als stimulans tot nakomen van de te geven beslissing, op dit moment niet nodig. De voorzieningenrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat de moeder de zorgregeling, zoals besproken op de zitting, zal nakomen.
Vervangende toestemming vakantie
De voorzieningenrechter zal de vader geen vervangende toestemming verlenen voor een vakantie samen met [minderjarige] naar Frankrijk in de periode van 25 tot en met 30 oktober 2026. Op dit moment is immers niet duidelijk hoe de zorgregeling tot 6 oktober 2026 zal verlopen. In voorkomend geval kan de discussie over die vakantie in de bodemprocedure verder worden gevoerd. De voorzieningenrechter wil daarop niet vooruit lopen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
bepaalt dat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , tot 6 oktober 2026, althans tot de bodemrechter ter zake van de zorgregeling meer of anders beslist, in het bijzijn van (een van) de ouders van de vader en/of (een van) zijn zussen ieder weekend op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur (na het eten) bij de vader zal zijn, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en de vader [minderjarige] weer terug zal brengen naar de moeder;
bepaalt dat tot 6 oktober 2026, althans tot de bodemrechter meer of anders beslist, een belmoment tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden op de woensdagen om 18.30 uur, waarbij de vader de partner van de moeder de vader zal bellen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
wijst de vordering van de moeder af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
PL