ECLI:NL:RBDHA:2026:31929

ECLI:NL:RBDHA:2026:31929

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-10-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer NL26.63672
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, beroep, toetsingskader, gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.63672

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),

en

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 21 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Verweerder kan een vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV) van toepassing is op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Uit artikel 44, tweede lid, van de AMBV volgt verder dat er sprake moet zijn van een onderduikrisico, of dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. Verweerder dient hierbij een individuele beoordeling te maken van de situatie van de betrokken persoon en mag een vreemdeling enkel in bewaring stellen voor zover dit evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring

2. In de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en er een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn gemotiveerd om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen en dat daaruit een onderduikrisico volgt.

Lichter middel

3. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Daartoe voert eiser aan dat hij wil meewerken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Ook stelt eiser dat niet valt in te zien waarom hij niet in de gelegenheid is gesteld zelf naar Zwitserland te reizen.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder wijst allereerst terecht op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan, en het onderduikrisico dat daaruit volgt. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verklaard dat hij in Duitsland en Zwitserland asiel heeft aangevraagd en zich in deze landen niet beschikbaar heeft gehouden voor deze procedures. Hij heeft verklaard dat hij het maar niets vond en dat hij daarom maar een poging ergens anders ging wagen. Voorts is de enkele stelling dat eiser wil meewerken aan zijn overdracht naar Zwitserland en daar zelf naar toe wil reizen, onvoldoende voor het oordeel dat volstaan had kunnen worden met een lichter middel. Niet is gebleken dat eiser stappen heeft gezet om zelfstandig naar Zwitserland te vertrekken. Verder heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat thans een minder dwingende maatregel afdoende is om zijn uitzetting te waarborgen. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.

Ambtshalve toetsing

4. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. L.J. Helsen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand