ECLI:NL:RBGEL:2026:7017

ECLI:NL:RBGEL:2026:7017

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer rkn: 26-006077
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Beklag ex artikel 116 jo 552a Sv. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie om de inbeslaggenomen auto aan een ander dan de beslagene te geven. De raadkamer bepaalt dat klaagster de auto te goeder trouw heeft gekocht en een beroep toekomt op 3:86 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De auto moet daarom worden teruggegeven aan klaagster

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

raadkamernummer : 26-006077

datum : 10 september 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 116 lid 3 jo 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] ,

geboren op [geboortedag] 1991,

wonende op het [adres] [woonplaats] ,

bijgestaan door mr. E.J.W. Schuijlenburg, advocaat te Leidschendam.

De procedure

Op 27 januari 2026 is onder klaagster een personenauto merk Skoda met Frans kenteken [kenteken] in beslag genomen. De officier van justitie heeft vervolgens beslist dat de auto niet terug wordt gegeven aan klaagster maar wordt overgedragen aan de Franse autoriteiten ten behoeve van teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar, Volkswagen Bank.

Het klaagschrift op 9 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen en richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie. De rechtbank heeft op 7 mei 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn de officier van justitie, klaagster en haar advocaat mr. E.J.W. Schuijlenburg gehoord.

Volkswagen Bank is als belanghebbende opgeroepen maar niet verschenen. In reactie op de oproep heeft Volkswagen Bank laten weten dat zij € 30.115,25 aan schadevergoeding willen vorderen. Daarop heeft de raadkamer hen geinformeerd over het feit dat er geen mogelijkheid bestaat om een dergelijk verzoek te behandelen in een procedure ex artikel 116 jo 552a Sv.

Bij tussenbeslissing van 21 mei 2026 is het onderzoek heropend en heeft de raadkamer zowel de officier van justitie als klaagster verzocht om aanvullende vragen te beantwoorden.

Op 27 augustus 2026 is de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer hervat. Daarbij zijn wederom de officier van justitie, klaagster en haar advocaat verschenen. De belanghebbende is voor deze zitting opgeroepen maar niet verschenen.

De standpunten

Kort gezegd stelt klaagster zich op het standpunt dat de auto aan haar moet worden teruggegeven omdat zij te goeder trouw was toen zij de auto kocht. De officier van justitie betwist dat en zegt dat zij alerter had moeten zijn.

Beoordeling

Vast staat dat er geen strafvordelijk belang meer verlangt dat het beslag wordt voortgezet. In dat geval volgt teruggave aan beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Volgens de officier van justitie is dat Volkswagen Bank. Volgens klaagster klopt dat niet en dient de auto aan haar te worden teruggegeven.

Bij de vraag of Volkswagen Bank redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt of dat de auto moet worden teruggegeven aan klaagster als beslagene stelt de raadkamer allereerst voorop dat overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad de rechter niet behoort te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties maar wel civielrechterlijke aspecten mag betrekken. Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. In deze zaak geldt dat zowel de officier van justitie als klaagster te kennen heeft gegeven dat – ondanks eventuele internationale componenten in deze zaak – de vraag of Volkswagen Bank redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden beschouwd enkel moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Daar gaat de raadkamer dus ook vanuit.

Op grond van de stukken en het onderzoek in raadkamer stelt de raadkamer de volgende gang van zaken vast.

De auto betreft een witte Skoda Enyaq. Deze auto is op 6 augustus 2025 door Volkswagen Bank aan [persoon 1] geleverd na aanbetaling van € 9.000,-. Welke precieze constructie daaraan ten grondslag heeft gelegen, is niet helemaal duidelijk geworden maar het lijkt erop dat het in ieder geval is gegaan om een vorm van een lease/koop constructie. De maandelijkse aflossingen/kosten van de constructie bedroegen € 638,72. Op enig moment bleek Volswagen Bank dat de door [persoon 1] ten behoeve van de overeenkomst overgelegde loonstroken vals waren. Omdat [persoon 1] op dat moment wel aan zijn maandelijkse betalingsverplichting voldeed, besloot Volkswagen Bank om hierop niet te acteren en de auto niet terug te halen. Op enig moment is [persoon 1] gestopt met betalen en werd hij onbereikbaar voor Volkswagen Bank. Volkswagen Bank heeft daarop aangifte gedaan. Naar aanleiding van die aangifte hebben de Franse autoriteiten de Skoda ten behoeve van de opsporing in Sirene geplaatst met omschrijving “theft”.

[persoon 1] heeft de auto vervolgens verkocht aan [persoon 2] . Op 5 december 2025 heeft [persoon 2] de auto vervolgens weer verkocht aan klaagster nadat zij via een familielid met elkaar in contact waren gekomen. Klaagster heeft voor de auto € 24.500,- betaald, € 20.000,- per bank en € 4.500 contant. Bij de overdracht van de auto heeft klaagster twee sleutels en het kentekenbewijs gekregen. Klaagster heeft gezien dat [persoon 2] op het moment van overdracht als tenaamgestelde stond vermeld op het Franse kentekenbewijs. Zij heeft ter plekke samen met [persoon 2] het certificaat van overdracht van een tweedehands voertuig van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken ingevuld. Ook daar stonden alle gegevens van [persoon 2] op.

Op 22 januari 2026 is klaagster met de auto en alle papieren bij de RDW in Schiedam geweest om de auto te laten invoeren. Dat lukte toen niet omdat de auto in de systemen als gestolen stond gesignaleerd. Omdat bij de RDW twijfel bestond over de juistheid van die informatie, heeft klaagster de auto weer mee kunnen nemen onder de afspraak dat de RDW een en ander zou uitzoeken en klaagster binnen drie dagen zou berichten.

Op 27 januari 2026 is klaagster door de politie staande gehouden naar aanleiding van een ANPR-hit in verband met de vermelding van het voertuig in Sirene. De auto is vervolgens door de politie inbeslaggenomen.

Klaagster heeft vervolgens contact gezocht met [persoon 2] met de vraag hoe het kon dat de auto kennelijk als gestolen stond geregistreerd. Daarvoor heeft hij geen verklaring gegeven. [persoon 2] heeft vervolgens op haar aandringen nog wel bij de Franse politie aangifte gedaan van het feit dat aan hem een gestolen auto is verkocht maar heeft daarna het contact met klaagster verbroken. Klaagster heeft hem op geen enkele manier meer te pakken gekregen.

Verder acht de raadkamer voor de beoordeling de volgende omstandigheden van belang.

Alle persoonsgegegevens van [persoon 2] (naam, adres, telefoonnummer etc.) zijn bij klaagster bekend en heeft zij kunnen verstrekken. Klaagster heeft ook een afschrift van de bankbetaling overgelegd. Zij heeft de bij de auto behorende papieren verkregen en getoond. Het kentekenbewijs, wat in eerste instantie is achterbleven bij de RDW, wordt door de RDW ook het originele kentekenbewijs genoemd. Daarop staat inderdaad [persoon 2] als (eerdere) tenaamgestelde. Klaagster is in bezit van twee sleutels. 1 daarvan is aan de politie overhandigd. Volgens de politie gaat het om de originele sleutel. De andere sleutel heeft klaagster meegenomen naar zitting. Ook daar is niets bijzonders aan te zien.

De officier van justitie heeft desgevraagd laten weten dat de melding in Sirene “ diefstal” onjuist is. Het is niet helemaal duidelijk wat het in Frankrijk onderliggende strafbare feit betreft maar het gaat in ieder geval niet om diefstal.

Het juridisch kader dat van belang is, kan in de kern als volgt worden omschreven. Artikel 3:84 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek regelt de algemene vereisten voor overdracht van goederen. Er moet dan sprake zijn van een levering die gebaseerd is op een geldige titel en die verricht is door iemand die bevoegd was over het goed te beschikken. Als iemand niet beschikkingsbevoegd blijkt te zijn, bijvoorbeeld omdat het goed van diefstal afkomstig is, kan in beginsel dus ook geen rechtsgeldige overdracht plaatsvinden, behalve wanneer de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is (3:86 lid 1 BW). Deze bepaling beschermt de verkrijger die niet van de eerdere diefstal op de hoogte is geweest en in dat verband ook geen verwijt kan worden gemaakt. Uitzondering hierop staat in artikel 3:86 lid 3 BW. Die houdt in dat een eigenaar van een roerende zaak die zijn bezit heeft verloren door diefstal deze binnen drie jaar kan opeisen bij de verkrijger te goeder trouw tenzij sprake is van consumentenkoop.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft klaagster de auto gekocht van iemand die niet bevoegd was daarover te beschikken. Naar het oordeel van de raadkamer komt klaagster in dat geval de in artikel 3:86 lid 1 BW genoemde bescherming toe omdat klaagster te goeder trouw was en de auto anders dan om niet heeft verkregen. Klaagster heeft de auto gekocht van de tenaamgestelde, van wie zij alle gegevens heeft en is – naar het zich laat aanzien - in het bezit van de bij de auto behorende papieren en sleutels. De officier van justitie heeft verzocht om nader onderzoek naar echtheid van die papieren en sleutels af te wachten maar dat verzoek heeft de raadkamer afgewezen. Voor het beoordelen van de vraag of iemand te goeder trouw is, gaat het immers niet zozeer over de vraag of een en ander echt is maar of iemand ervan uit mocht gaan dat het echt was. Het feit dat de RDW het heeft over het originele kentekenbewijs en de politie het over de orginele sleutel maakt al dat die papieren en sleutels kennelijk niets hebben op basis waarvan de instanties valsheid vermoeden. Dan kon dus ook niet van klaagster worden verwacht dat zij argwaan zou krijgen, in het geval de papieren en de sleutels tegen de verwachtingen in toch vals zouden blijken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet te goeder trouw is omdat zij argwaan had moeten krijgen op basis van de overeengekomen prijs. Die is veel te laag voor deze auto. Echter, de onderbouwing van dat standpunt is enkel gebasseerd op het kennelijk door [persoon 1] verschuldigde bedrag van € 49.900,- terwijl onduidelijk is of en in hoeverre de bij lease gebruikelijke kosten van verzekering en onderhoud bij dit bedrag inbegrepen zitten. Bovendien geldt dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat dit de waarde van de auto was in juli 2025, daarmee nog niet is gezegd dat dit ook de waarde was in december 2025. Iedere auto daalt immers in waarde op het moment dat er bijvoorbeeld sprake is van een ongeval of schade anderzins. Om de werkelijke waarde te weten, had de auto moeten worden getaxeerd. Dat is niet gebeurd.

Klaagster heeft € 24.500,- betaald en heeft gewezen op advertenties van soortgelijke auto’s met soortgelijke prijzen. Naar het oordeel van de raadkamer kan daarom niet worden gezegd dat zij op basis van enkel het bedrag alerter had moeten zijn. Bovendien heeft zij de betaling grotendeels per bank gedaan in welk geval het geld traceerbaar is. Bij schimmige overdrachten vindt betaling veelal cash of via bankrekeningen van derden plaats, juist om ervoor te zorgen dat het geld en daarmee ook de verkoper niet meer te achterhalen is. Ook daarvan is hier geen sprake, integendeel. Ook de omstandigheden waaronder de betalingen zijn gegaan, hadden bij klaagster dus niet tot argwaan moeten leiden.

Alles afwegende komt de raadkamer tot het oordeel dat klaagster te goeder trouw is geweest. Ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van [persoon 2] heeft daarom een rechtsgeldige overdracht plaatsgevonden. In het geval Volkswagen Bank het voertuig zou hebben verloren door diefstal, had het voertuig kunnen worden opgeeist. Daarvan is echter geen sprake. Dat betekent dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De raadkamer verklaart het klaagschrift daarom gegrond en gelast de teruggave van het voertuig aan klaagster als beslagene.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag gegrond

- gelast de teruggave van de onder klaagster inbeslaggenomen personenauto Skoda Enyaq 80 aan klaagster .

Deze beslissing is gegeven door

mr. S.C.A.M. Janssen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.L. Goedheer, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.C.A.M. Janssen

Griffier

  • mr. A.L. Goedheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand