RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026
in de zaak tussen
Verband voor Militair-Historische Uitbeeldingen, uit Heelsum, verzoekster
De Minister van Veiligheid en Justitie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4517
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef)
(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door de korpschef aan verzoekster verleende toestemming voor het dragen van (historische) wapens tijdens de door de verzoekster op 13 september 2026 in Vught georganiseerde re-enactment-uitvoering. Verzoekster is het niet eens met een van de aan de toestemming verbonden voorschriften en heeft daartegen administratief beroep ingesteld. Ook verzoekt zij om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2026 heeft de korpschef toestemming gegeven voor het dragen van (historische) wapens tijdens de door de verzoekster op 13 september 2026 in Vught georganiseerde re-enactment-uitvoering. Verzoekster heeft hiertegen administratief beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens verzoekster deelgenomen de gemachtigde en [persoon 1] . De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en [persoon 2] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster organiseert op 13 september 2026 de jaarlijkse herdenking (re-enactment) voor gesneuvelde Militaire Wielrijders op Fort Isabella in Vught. Onderdeel van het vastgestelde programma is een ceremoniële overdracht van een karabijn van het type zoals dat door de wielrijders is gebruikt aan de conservator van het museum ter plaatse, [conservator] . 3.1. Verzoekster heeft de voor de herdenking (re-enactment) benodigde verloven/toestemmingen op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm) aangevraagd. Met het bestreden besluit heeft de korpschef toestemming verleend voor het voorhanden hebben, tentoonstellen, vervoeren en dragen van historisch correcte en in het tijdsbeeld originele passende militaire (vuur)wapens ten behoeve van het uitvoeren van re-enactment activiteiten, herdenking van de gevallenen van het Regiment Wielrijders. Aan de toestemming zijn voorschriften verbonden. 3.2. Verzoekster is het niet eens met het aan de toestemming verbonden voorschrift 16. In dit voorschrift is het volgende bepaald:Het gebruik van vuurwapens die voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt op de
wijze, beschreven in Bijlage 1 'Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van
vuurwapens' bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15
december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en
technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar
zijn (PbEU 2015, L333/62), is uitsluitend toegestaan, indien dergelijke vuurwapens op een
wapenverlof voor re-enactment zijn bijgeschreven.
Verzoekster stelt dat dit voorschrift in strijd is met de uitleg die de wetgever op dit punt aan de Wwm geeft en dat dit ook door de korpschef zelf is erkend in een andere procedure waarbij is gesteld dat gedeactiveerde vuurwapens niet op een verlof horen. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter voorschrift 16 te schorsen. Anders kan de ceremoniële overdracht van een gedeactiveerde karabijn niet plaatsvinden.
Spoedeisend belang?
4. De korpschef betwist het spoedeisend belang van verzoekster. De herdenking is ruimer dan alleen de overdracht van de karabijn. De overige activiteiten kunnen wel doorgang vinden. Ook in voorgaande jaren was een vergelijkbaar voorschrift aan de toestemming verbonden en daar is geen administratief beroep tegen ingesteld. Zonder nadere toelichting valt volgens de korpschef niet in te zien waarom de overdracht dit jaar niet mogelijk zou zijn. Dat de herdenking op korte termijn plaatsvindt maakt bovendien niet dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. Het bestreden besluit is bovendien niet evident onrechtmatig, zo stelt de korpschef.
De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Reeds nu de jaarlijkse herdenking aanstaand weekend plaatsvindt heeft verzoekster een spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Dat zij zich niet eerder tegen een vergelijkbaar voorschrift heeft verzet doet hier niet aan af. Oordeel van de voorzieningenrechter
5. Ingevolge artikel 6 van de Wwm kunnen in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven, vrijstellingen en ontheffingen onder beperkingen worden verleend. Voorts kunnen er voorschriften aan worden verbonden.
Ingevolge artikel 27, derde lid, aanhef en onder a van de Wwm, kan onze Minister
bij regeling vrijstelling van het verbod van het eerste lid voor wapens van de categorieën III en IV verlenen met betrekking tot optochten.
Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling wapens en munitie (Rwm) wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling, van het verbod in artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid, van de wet vrijstelling verleend voor het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren, voorhanden hebben en overdragen van vuurwapens die voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt op de wijze, beschreven in Bijlage I ‘Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens’ bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PbEU 2015, L333/62)
Op grond van artikel 31, eerste lid van de Rwm kan van het verbod van artikel 27, eerste lid, van de Wwm, vrijstelling worden verleend voor het in een optocht meevoeren van wapens van categorie III of IV.
Op basis van het tweede lid geldt de vrijstelling ingevolge het eerste lid slechts indien:
a. de wapens worden meegevoerd door personen die op grond van de wet bevoegd zijn die wapens voorhanden te hebben, en
b. de burgemeester in de gemeente waar de optocht wordt gehouden schriftelijk heeft verklaard tegen het meevoeren van de in de verklaring omschreven wapens geen bedenkingen te hebben.
De bevoegdheid om voorschriften te stellen onder artikel 6 van de Wwm wordt beperkt door het doel van de wet. De Wwm heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen (zie Kamerstukken II 2020/21, 33033, nr. 29 en Kamerstukken II, 1976-1977, 14413, nrs. 1-3, p. 27).
6. Niet in geschil is dat de karabijn die verzoekster tijdens de ceremonie wil overdragen onbruikbaar is gemaakt, zoals in de Wwm en de Rwm is bedoeld. Dat betekent dat de karabijn valt onder de vrijstelling van artikel 18 van de Rwm voor het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren en voorhanden hebben van de karabijn. Partijen verschillen van mening over de vraag of de onbruikbaar gemaakte karabijn op het wapenverlof dient te worden bijgeschreven om tijdens de ceremonie te kunnen worden gedragen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtsvraag zich niet leent voor beantwoording in een voorlopige voorziening procedure. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het administratief beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
Het belang van verzoekster is gelegen in het laten doorgaan van de geplande ceremonie inclusief overdracht van de karabijn. De korpschef heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de korpschef in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. De waarborging van de openbare orde en veiligheid is een algemeen belang waaraan groter gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van de overdracht van de karabijn op specifieke de geplande datum. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de herdenking voor het overige door kan gaan. Ook is van belang dat de korpschef op de zitting heeft aangeboden met de korpschef van Gelderland contact op te nemen om de karabijn op het verlof van de gemachtigde bij te laten schrijven, zodat de ceremonie in ieder geval doorgang kan vinden. Dat verzoekster zich hier uit principieel oogpunt tegen verzet weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zwaar dat het tot schorsing van het opgenomen voorschrift moet leiden, zeker nu er in deze procedure geen inhoudelijke beoordeling van de standpunten plaatsvindt. In de administratief beroepsprocedure kan het principiële betoog van verzoekster inhoudelijk worden beoordeeld, maar nu de korpschef heeft aangeboden te bewerkstelligen dat aan de administratieve verplichtingen wordt voldaan en de karabijn op het verlof van de gemachtigde wordt bijgeschreven kan de door verzoekster geplande ceremonie door gaan. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: