RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2026
in de zaken tussen
het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3204 en 26/3613
[verzoekers] (handelend onder de naam [h.o.d.n] ), uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. T. Tuenter),
en
(gemachtigden: T.J. van Tuijn, J. Cremer, mr. J.J.W. van Ingen, mr M. Cornellissen, E. Helling).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [bedrijf] B.V. uit [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. R.J.H. Minkhorst en mr. R.A. Cuesta Valentin).
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op twee verzoeken om een voorlopige voorziening. De eerste zaak (zaaknummer 26/3204) gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen de derde-partij in verband met het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de bouw van 36 woningen in het gebied tegenover [adres] te Druten (plaatselijk bekend als 'de hertenweide") zonder omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. De tweede zaak (zaaknummer: 26/3613) gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor een wateractiviteit voor het afvoeren van hemelwater vanaf nieuwe verharding via een retentievoorziening naar oppervlaktewater ten behoeve van hetzelfde woningbouwproject.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. In de zaak over de afwijzing van het handhavingsverzoek is geen sprake van een spoedeisend belang. In de andere zaak bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat – kort samengevat – niet gebleken is dat eventuele waterhuishoudkundige problemen tot wateroverlast bij verzoekers zullen leiden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 11 juni 2026 (bestreden besluit I) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Bij besluit van 7 juli 2026 (bestreden besluit II) heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 september 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekers hebben [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en de gemachtigde deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij zijn [persoon 5] en de gemachtigden verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaken over gaan. Daarna beoordeelt hij in beide zaken of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.
Waar gaan deze zaken over?
4. Aan [adres] en [adres] te Druten (noord en zuid kant) worden door de derde-partij 36 nieuwe woningen ontwikkeld. Op 5 juni 2026 hebben verzoekers een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Zij verzoeken het college daarin – kort samengevat – om handhavend op te treden tegen werkzaamheden die worden verricht met betrekking tot het woningbouwproject zonder omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Een toezichthouder van het college is naar aanleiding van dit handhavingsverzoek diezelfde dag nog ter plaatse gaan kijken. In de rapportage van bevindingen beschrijft de toezichthouder dat hij het terrein heeft geobserveerd en dat hij geen onttrekkingen en ook geen lozingen, of apparaten of voorzieningen die gebruikt kunnen worden bij een grondwateronttrekking en/of lozing heeft waargenomen. Evenmin heeft hij werkzaamheden in de beschermingszone van een waterstaatswerk gezien. Op 10 juni 2026 heeft de toezichthouder een hercontrole verricht en heeft hij geen bemalingen, lozingen dan wel aanwijzingen voor dreigende lozingen waargenomen. Bij bestreden besluit I heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Op 1 juli 2026 is nog een hercontrole uitgevoerd, waar wederom geen bemalingen, lozingen dan wel aanwijzingen voor dreigende lozingen zijn waargenomen.
De derde-partij heeft op 10 december 2025, aangevuld op 20 januari 2026, een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangevraagd ten behoeve van dit project. De aanvraag heeft betrekking op de afvoer van hemelwater vanaf nieuwe verharding via een retentievoorziening naar oppervlaktewater ter plaatse van [adres] en [adres] in Druten. Het college heeft vergunninghouder verzocht om deze aanvraag aan te passen. Op 2 april 2026 heeft het college de aangepaste vergunningaanvraag aangeleverd. Daarna heeft het college nog verzocht om gecorrigeerde tekening met details en doorsneden te verstrekken, welke de derde-partij op 29 juni 2026 heeft aangeleverd. Bij bestreden besluit II heeft het college de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit verleend.
Verzoekers wonen aan de [adres] en [adres] in Druten en vrezen – kort samengevat – dat als gevolg van de verleende omgevingsvergunning wateroverlast bij hun woningen ontstaat. Om die reden verzoeken zij de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen te treffen totdat op de bezwaarschriften is beslist.
Zaak met zaaknummer 26/3204: Weigering om handhavend op te treden
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. Het college en de derde-partij stellen dat geen sprake is van een spoedeisend belang in deze zaak. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan.
Op zitting heeft de derde-partij toegelicht dat alle werkzaamheden waar het handhavingsverzoek betrekking op had reeds zijn uitgevoerd. Verzoekers hebben dit niet betwist. Verzoekers kunnen met deze procedure dus niet meer voorkomen dat de werkzaamheden waar het handhavingsverzoek betrekking op had niet worden uitgevoerd. Daar komt bij dat ondertussen een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit is verleend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers gelet op het voorgaande geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening en kan de beslissing op bezwaar worden afgewacht.
Zaak met zaaknummer 26/3613: Omgevingsvergunning voor een wateractiviteit
Bestaat er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening?
6. Verzoekers vrezen – kort samengevat – wateroverlast bij hun woningen. Op zitting heeft de derde-partij toegelicht dat zo snel mogelijk wordt gestart met de volgende stappen van de bouw, waarbij verharding zal worden aangebracht. De voorzieningenrechter neemt daarom in het voordeel van verzoekers aan dat sprake is van spoed, omdat het aanbrengen van verharding over het algemeen waterhuishoudkundige gevolgen heeft. Desondanks ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarvoor is het volgende van belang.
Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Met andere woorden: het besluit blijft gelden ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekers moeten dus zwaarwegende belangen hebben die maken dat zij de beslissing op bezwaar niet kunnen afwachten en dus een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen.
Van dergelijke zwaarwegende belangen is de voorzieningenrechter niet gebleken. Zoals in het verweerschrift is uiteengezet en ook op zitting is toegelicht aan de hand van (hoogte)kaarten, liggen de woningen van verzoekers hoger dan het afvoersysteem van de wadi’s en de weg aan de vóórkant van de woningen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat als de wadi’s niet goed zouden functioneren, verzoekers daar wateroverlast van zouden ondervinden. Het water zou namelijk niet richting de woningen van verzoekers stromen, maar richting de nieuwbouwwoningen en het bestaande oppervlaktewater. Verzoekers hebben geen concrete onderbouwing aangeleverd waaruit blijkt dat desondanks wateroverlast zal ontstaan bij hun woningen. Zij hebben enkel gesteld dat zij nu al wateroverlast ervaren, maar niet is gebleken waarom deze omgevingsvergunning die overlast zou verergeren.
Reeds vanwege het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen. De bezwaargronden behoeven daarom in deze uitspraak geen verdere bespreking. Het college moet nog wel op deze bezwaargronden ingaan in de beslissing op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: