RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05-061372-26, 05-069727-26, 05-249046-25, 05-250039-25, 05-257630-25, 05-259073-25, 05-261885-25, 05-233505-26 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 19 oktober 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. G.F. Schadd, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
05-249046-25
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere koffieproducten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
05-261885-25
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3. APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 02:32 uur in/op de Korte Hoogstraat, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-257630-25
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3 APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 19:50 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-259073-25
hij op of omstreeks 3 september 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3. APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 17:20 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-250039-25
hij op of omstreeks 5 september 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3 APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 00:29 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-061372-26
hij op of omstreeks 27 februari 2026 te Arnhem een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Politie Nederland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
05-069727-26
1.hij, op of omstreeks 7 maart 2026 te Arnhem opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 1] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar) en/of [aangever 2] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankerlijers" , althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Arnhem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 1] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar) en/of [aangever 2] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door- voornoemde [aangever 2] een of meerdere malen op de arm te slaan- voornoemde [aangever 2] van zich af te duwen en/of- zich los te rukken uit de greep van voornoemde [aangever 2] ;
05-233505-26
hij op of omstreeks 16 augustus 2026 te Arnhem een of meerdere verpakkingen kip, althans winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dekamarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de parketnummers 05-261885-25, 05-257630-25, 05-259073-25 en 05-250039-25, omdat het gebiedsverbod onvoldoende duidelijk is. Ten aanzien van parketnummer 05-061372-26 heeft de raadsman bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van schending van het Tallon-criterium.
Ten aanzien van de parketnummers 05-233505-26, 05-249046-25 en 05-069727-26 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank:
Ten aanzien van parketnummer 05-249046-25:
Aangever heeft op 2 augustus 2025 aangifte gedaan van diefstal bij Albert Heijn XL Kronenburg in Arnhem. Verdachte heeft samen met een ander zakken met koffiebonen in de tas gestopt. Tijdens het boodschappen doen, het afrekenen van de biertjes en het verlaten van de zelfscan waren zij samen. De andere verdachte is weggelopen. Bij de diefstal zijn vier zakken Douwe Egberts koffiebonen met een totale verkoopwaarde van € 69,96 weggenomen.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en medeverdachte Hermans in het gangpad met koffie liepen. Verdachte pakte meerdere keren een zwartkleurige zak uit het schap en bracht deze richting de draagtas die de medeverdachte droeg.
De beveiliger van de Albert Heijn heeft gezien dat verdachte en medeverdachte bij het afrekenen samen de biertjes hebben afgerekend. Toen zij door de poortjes van de zelfscan waren heeft de beveiliger de twee staande gehouden en de tas gepakt waarin de vier zakken koffiebonen zaten die niet waren afgerekend.
Verbalisanten herkennen verdachte ambtshalve op de camerabeelden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05-261885-25:
Uit de bekendmaking gebiedsontzegging voor twee maanden d.d. 23 juli 2025 blijkt dat verdachte zich van 31 juli 2025, 04:40 uur tot 30 september 2025, 04:40 uur niet in het Centrum en het Spijkerkwartier mocht bevinden. Verdachte heeft de gebiedsontzegging ondertekend.
Verbalisanten zagen verdachte lopen in het horecagebied, terwijl hun bekend is dat verdachte een gebiedsontzegging voor het betreffende gebied heeft. In het politiesysteem zagen zij dat op 31 juli 2025 de gebiedsontzegging van twee maanden is uitgereikt aan verdachte.
Verdachte werd vervolgens op 3 augustus 2025 om 02:32 uur aangehouden op de Korte Hoogstraat te Arnhem.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het gebiedsverbod voldoende duidelijk is. In het verbod is namelijk aangegeven dat het verbod geldt voor het Centrum en het Spijkerkwartier (gebied 3), en daarbij zijn ter verduidelijking kaartjes van de verboden gebieden gevoegd.
Ten aanzien van parketnummer 05-257630-25:
Uit de bekendmaking gebiedsontzegging voor twee maanden d.d. 23 juli 2025 blijkt dat verdachte zich van 31 juli 2025, 04:40 uur tot 30 september 2025, 04:40 uur niet in het Centrum en het Spijkerkwartier mocht bevinden. Verdachte heeft de gebiedsontzegging ondertekend.
Op 11 augustus 2025 zagen verbalisanten verdachte op de Emmastraat in het gebied Spijkerkwartier lopen, terwijl hen bekend is dat verdachte een gebiedsontzegging voor het betreffende gebied heeft.
Verdachte werd vervolgens op 11 augustus 2025 om 19:50 uur aangehouden op de Emmastraat 43A te Arnhem (op straat).
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het gebiedsverbod voldoende duidelijk is. In het verbod is namelijk aangegeven dat het verbod geldt voor het Centrum en het Spijkerkwartier (gebied 3), en daarbij zijn ter verduidelijking kaartjes van de verboden gebieden gevoegd.
Ten aanzien van parketnummer 05-259073-25:
Uit de bekendmaking gebiedsontzegging voor twee maanden d.d. 23 juli 2025 blijkt dat verdachte zich van 31 juli 2025, 04:40 uur tot 30 september 2025, 04:40 uur niet in het Centrum en het Spijkerkwartier mocht bevinden. Verdachte heeft de gebiedsontzegging ondertekend.
Op 3 september 2025 kregen verbalisanten een melding om naar het Velperplein te Arnhem te gaan, omdat verdachte daar zou lopen en hij een gebiedsverbod heeft op grond waarvan hij zich daar niet mag bevinden. Verbalisanten zagen verdachte op de Spoorwegstraat in het Spijkerkwartier. Verdachte werd vervolgens op 3 september 2025 om 17:20 uur aangehouden op de Spoorwegstraat te Arnhem.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het gebiedsverbod voldoende duidelijk is. In het verbod is namelijk aangegeven dat het verbod geldt voor het Centrum en het Spijkerkwartier (gebied 3), en daarbij zijn ter verduidelijking kaartjes van de verboden gebieden gevoegd.
Ten aanzien van parketnummer 05-250039-25:
Uit de bekendmaking gebiedsontzegging voor twee maanden d.d. 23 juli 2025 blijkt dat verdachte zich van 31 juli 2025, 04:40 uur tot 30 september 2025, 04:40 uur niet in het Centrum en het Spijkerkwartier mocht bevinden. Verdachte heeft de gebiedsontzegging ondertekend.
Op 5 september 2025 omstreeks 00:25 uur reden verbalisanten door de Rijnstraat, waarna zij verdachte zagen staan in de Tullekensteeg. Het was verbalisanten ambtshalve bekend dat verdachte een gebiedsverbod heeft op grond waarvan hij zich daar niet mag bevinden. Verdachte werd vervolgens op 5 september 2025 om 00:29 uur aangehouden in de Tullekensteeg te Arnhem.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het gebiedsverbod voldoende duidelijk is. In het verbod is namelijk aangegeven dat het verbod geldt voor het Centrum en het Spijkerkwartier (gebied 3), en daarbij zijn ter verduidelijking kaartjes van de verboden gebieden gevoegd.
Ten aanzien van parketnummer 05-061372-26:
De officier van justitie heeft op 14 januari 2026 toestemming gegeven voor de inzet van een lokmiddel in de periode van 25 januari 2026 tot en met 25 maart 2026.
Verbalisanten bevonden zich op vrijdag 27 februari 2026 omstreeks 14:40 in burger gekleed in het treinstation van Arnhem. Het lokslachtoffer liep met een rugzak en een rolkoffer met daarop een schoudertas. In de schoudertas zat een portemonnee met daarin 3 x € 50,- (nepgeld). De portemonnee zat in het voorvak en was voor een klein gedeelte zichtbaar. Het lokslachtoffer deed alsof hij op de informatieborden keek en gedroeg zich als een toerist. Hij zag dat er naast hem een man (naar later bleek verdachte) stond die een blikje bier in zijn handen vasthield. De man keek om zich heen en was spichtig. De andere verbalisant zag dat het lokslachtoffer deed alsof hij aan het bellen was en met zijn rug naar de koffer stond. Hij zag dat om omstreeks 14:42 uur verdachte met zijn hand naar de lokportemonnee ging en deze uit de schoudertas pakte en in zijn linker jaszak stopte. Vervolgens nam verdachte afstand en leunde weer tegen de reling aan waar hij eerder ook tegenaan leunde. Even later liep verdachte weg richting de uitgang en is hij op heterdaad aangehouden voor zakkenrollerij.
Op de camerabeelden van de stationshal van het centraal station in Arnhem is te zien dat het lokslachtoffer bij een hek in de hal gaat staan en zijn koffer neerzet en zich omdraait en met zijn rug naar de koffer gaat staan telefoneren. Vlakbij hem zat een man op een hek die qua kleding en signalement volledig voldoet aan het signalement van verdachte. Deze man stapt van het hek en met een snelle beweging pakt hij iets met zijn rechterhand uit de tas op de koffer.
Verdacht heeft verklaard dat hij inderdaad iets heeft weggenomen op het station, maar dat hij is uitgelokt.
Conclusie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de politie een lokmiddel op onrechtmatige wijze heeft ingezet. De tas met de uitstekende lokportemonnee is door de politie bewust voor verdachte neergezet. Daarmee is het Tallon-criterium geschonden en is verdachte gebracht tot ander handelen dan waarop zijn opzet was gericht.
Op basis van de beelden en het proces-verbaal van bevindingen stelt de rechtbank vast dat een koffer is geplaatst met daarop een tas met daarin – duidelijk zichtbaar – een portemonnee. Deze wijze van inzetten van een lokportemonnee gebeurt vaker en is rechtmatig. Het lokslachtoffer is nooit bij de tas weggegaan en de tas stond niet onbeheerd in de stationshal, het lokslachtoffer stond alleen te bellen met zijn rug naar de tas toe. Daarnaast is niet gebleken dat de tas bewust naast verdachte is neergezet. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet is verleid of gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet van tevoren daar niet al op was gericht. Het Tallon-criterium is aldus niet geschonden. De inzet van het lokmiddel was rechtmatig.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05-069727-26:
Verbalisanten zagen op 7 maart 2026 om 19:55 uur dat verdachte naast de ingang van de supermarkt stond te schreeuwen en wijzen naar hen. Verdachte schreeuwde ‘kankerlijers’ en ‘kom dan vieze kankerlijers’. Verdachte wees daarbij naar de verbalisanten en kwam naar hen toelopen. De verbalisant riep ‘afstand houden’ en zette zijn hand tussen hem en de verdachte in. Verdachte liep door waardoor de verbalisant de verdachte heeft weggeduwd. Verdachte bleef provocerend op de verbalisant aflopen en sloeg de verbalisant met zijn rechterarm. De verbalisant riep wederom dat verdachte afstand moest houden, waarop hij nogmaals op de verbalisant kwam aflopen. De verbalisant gaf verdachte wederom een duw met zijn platte hand. Vervolgens liep verdachte naar de andere verbalisant en riep ‘kankerhoer’ of woorden van gelijke strekking, waarop aan verdachte werd meegedeeld dat hij was aangehouden. Bij de aanhouding ontstond een worsteling tussen verbalisant en verdachte, waarbij verdachte met zijn vuist op de rechterarm van de verbalisant sloeg. Hij bleef zich verzetten en rukte zich los. De verbalisanten zijn vervolgens achter verdachte aangelopen. De verbalisanten voelden zich in hun eer aangetast, nu meerdere omstanders dit hoorden en zagen gebeuren.
Omstreeks 19:55 uur hoorden twee andere verbalisanten dat door twee BOA’s van de gemeente de noodknop was ingedrukt en dat zij in de buurt waren. Zij zijn ter plaatse gegaan en zagen dat verdachte achter twee BOA’s aanrende. Hij bewoog wild met zijn armen en was verbaal zeer luidruchtig aanwezig. De andere verbalisanten hebben verdachte tegen de muur geplaatst en hem vervolgens om 20:05 uur aangehouden.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de feiten (belediging en wederspannigheid) wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05-233505-26:
Aangever heeft op 16 augustus 2026 aangifte gedaan van diefstal bij Dekamarkt, Hoefbladlaan 27 in Arnhem. Verdachte heeft twee pakken kipfiletblokjes in zijn tas gestopt en passeerde de kassa zonder de goederen ter betaling aan te bieden. Hij heeft alleen de rijst afgerekend en de andere twee goederen in zijn tas gelaten. De verkoopwaarde van de kipfiletblokjes is € 15,57. Verdachte wilde de goederen niet teruggeven aan de winkel.
Op de camerabeelden is te zien dat een man met een rugtas bezig is bij het vlees. De man opent zijn rugtas en pakt tweemaal een plasticverpakking uit het koelschap en stopt deze in zijn rugtas. Het winkelpersoneel heeft verklaard dat de man bij de kassa kwam met een pak rijst. Dit pak rijst is afgerekend middels een emballage bon. De plastic verpakkingen heeft de verdachte niet aangeboden en, na het afrekenen van de rijst, heeft verdachte de winkel verlaten. Na een zoekslag in de omgeving is verdachte aangehouden op enkele minuten loopafstand van de Dekamarkt. Verdachte voldeed aan het opgegeven signalement en verbalisanten herkennen verdachte van de getoonde beelden
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
05-249046-25
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere koffieproducten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
05-261885-25
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3. APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 02:32 uur in/op de Korte Hoogstraat, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-257630-25
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3 APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 19:50 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-259073-25
hij op of omstreeks 3 september 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3. APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 17:20 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-250039-25
hij op of omstreeks 5 september 2025 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.4.3 APV Arnhem, gedaan door of namens de burgemeester van Arnhem, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 31 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet mocht bevinden in/op gebied 3, Centrum en/of het Spijkerkwartier, door, zich op voornoemde datum om 00:29 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
05-061372-26
hij op of omstreeks 27 februari 2026 te Arnhem een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Politie Nederland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
05-069727-26
1.hij, op of omstreeks 7 maart 2026 te Arnhem opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 1] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar) en/of [aangever 2] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankerlijers" , althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Arnhem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 1] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar) en/of [aangever 2] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door- voornoemde [aangever 2] een of meerdere malen op de arm te slaan- voornoemde [aangever 2] van zich af te duwen en/of- zich los te rukken uit de greep van voornoemde [aangever 2] ;
05-233505-26
hij op of omstreeks 16 augustus 2026 te Arnhem een of meerdere verpakkingen kip, althans winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dekamarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05-249046-25:
diefstal door twee of meer verenigde personen
parketnummer 05-261885-25:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast
parketnummer 05-257630-25:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast
parketnummer 05-259073-25:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast
parketnummer 05-250039-25:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast
parketnummer 05-061372-26:
diefstal
parketnummer 05-069727-26:
feit 1:eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
feit 2:wederspannigheid
parketnummer 05-233505-26
diefstal
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt opgelegd voor de duur van twee jaren (hierna: ISD-maatregel). De officier van justitie heeft ook de gevangenneming van verdachte gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel disproportioneel is op dit moment. De raadsman acht een al dan niet deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Op die manier kan op een minder ingrijpende en minder kostbare manier eveneens de maatschappij worden beschermd, aldus de raadsman. De raadsman heeft verzocht de vordering tot gevangenneming af te wijzen, nu toepassing van voorlopige hechtenis niet strikt noodzakelijk is om recidive te voorkomen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen, het meermaals overtreden van een gebiedsverbod, wederspannigheid en belediging van een ambtenaar in functie. Dit zijn vervelende feiten, die niet alleen schade en overlast veroorzaken, maar ook tijdrovend zijn voor winkeliers en politie.
De door verdachte gepleegde feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. In de vijf jaar voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten is verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verdachte voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel.
Ook wordt aan de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders) voldaan. Immers, verdachte is een zeer actieve veelpleger die, over een periode van vijf jaren, processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf van 16 augustus 2026.
In het reclasseringsrapport van 11 september 2026 is gerapporteerd dat verdachte langdurig kampt met ernstige en meervoudige problematiek op nagenoeg alle leefgebieden Hij heeft een verslavingsgeschiedenis en gebruikt nog altijd (overmatig) middelen, heeft een beperkt inkomen en forse financiële problemen. Hij heeft geen eigen huisvesting noch een dagbesteding. Vermoedelijk is ook sprake van een verstandelijke beperking. In de periode tussen maart 2026
en augustus 2026 heeft verdachte onder reclasseringstoezicht gestaan in het kader van een
schorsing preventieve hechtenis. Het is verdachte slechts tweemaal gelukt om op afspraken te
verschijnen en verder is hij uit beeld geweest. Ook eerdere inspanningen van de reclassering,
waaronder een intensief toezichttraject in 2023 waarbij met veel geduld en flexibiliteit is geprobeerd gedragsverandering en stabilisatie te realiseren, hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Het uitblijven van vooruitgang lijkt in belangrijke mate samen te hangen met de houding en het gedrag van verdachte, waarbij afspraken en voorwaarden stelselmatig niet worden nagekomen. Zijn omvangrijke justitiële voorgeschiedenis heeft ertoe geleid dat hij nu voldoet aan de 'harde criteria' voor oplegging van de ISD-maatregel. Wat de reclassering betreft voldoet hij ook aan de 'zachte criteria', nu sprake is van langdurige, complexe problematiek, een hoge mate van maatschappelijke teloorgang en onvoldoende perspectief op gedragsverandering binnen een minder dwingend kader. De reclassering concludeert dat een regulier reclasseringstoezicht op dit moment niet geïndiceerd is.
De reclassering adviseert om verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De reclassering ziet het opleggen van een ISD-maatregel als enige mogelijkheid om het huidige patroon te doorbreken. Binnen de ISD-maatregel kan er, vanuit een beveiligde omgeving, toegewerkt worden naar de maatschappelijke re-integratie van verdachte.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor
stelselmatige daders voor de duur van twee jaren noodzakelijk en gewenst is. Door het
gedwongen kader van de ISD-maatregel wordt de maatschappij beveiligd en krijgt verdachte
een kans zich op verschillende gebieden te ontwikkelen en aan zijn problematiek te werken.
De rechtbank is er – gelet op de kansen die verdachte eerder heeft gekregen binnen een voorwaardelijk kader en hetgeen de reclassering daarover beschrijft – niet van overtuigd dat een minder streng kader, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel, dezelfde mogelijkheden voor bestendige verbetering zal bieden. De rechtbank merkt daarbij op dat als verdachte er binnen het kader van de ISD-maatregel in slaagt om vooruitgang te boeken, deze maatregel voorziet in voldoende perspectief op het geleidelijk verkrijgen van meer vrijheden.
Gelet op het belang dat met de ISD-maatregel wordt gediend en om de behandelmogelijkheden niet te doorkruisen, zal de rechtbank de tijd die door verdachte is doorgebracht in voorarrest niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Gelet op de bewezenverklaring en het reclasseringsrapport, zijn er naar het oordeel van de rechtbank ernstige bezwaren en gronden als bedoeld in de artikelen 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering aanwezig om de gevangenneming van verdachte te bevelen.
De rechtbank zal dan ook de gevangenneming van verdachte bevelen.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 180, 184, 267, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;