RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.314021.25
Datum uitspraak : 19 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. S. Striekwold, advocaat in Doetinchem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 november 2025 te Arnhem
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door de meterkast/zekeringskast te vernielen en/of de meterkast/zekeringskast los te trekken van de muur en/of door op/tegen de meterkast/zekeringskast te slaan (met een houten plank en/of een deur),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor de in de woning, althans het pand, aanwezige goederen en/of het pand zelf en/of aangrenzende/omliggende woning(en)/pand(en)/perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoner(s) en/of aanwezige(n) in/nabij aangrenzende/omliggende woning(en) en/of pand(en)/perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 20 november 2025 te Arnhem
opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan stichting Volkshuisvesting Arnhem, toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en (levens)gevaar voor personen en aan vernieling.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op brandstichting zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Het slaan op een meterkast kan misschien een vonk doen ontstaan maar naar algemene ervaringsleer is er geen aanmerkelijke kans dat zo’n vonk direct een uitslaande brand tot gevolg heeft. Door zijn psychotische toestand had verdachte voorts geen besef van de risico’s van zijn handelen. Verwezen is naar het rapport van de psycholoog. Van een bewuste aanvaarding van de kans op brand is dan ook geen sprake. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in het proces-verbaal van forensisch onderzoek van 24 november 2025 is beschreven dat in de gegeven omstandigheden geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen zodat voor deze onderdelen vrijspraak moet volgen. Voor feit 2, vernieling, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
feit 1
Brand
Op 20 november 2025 heeft een brand plaatsgevonden in de meterkast en hal van een tussenwoning aan het [adres] in Arnhem, eigendom van Volkshuisvesting Arnhem. Verbalisant zag dikke zwarte rook uit het dakraam en het raam aan de voorkant van de woning komen. Kort daarna arriveerde de brandweer die de brand heeft geblust. De bevelvoerder zag dat de meterkast volledig van de muur was getrokken en dat er veel kabels openlagen.
Uit forensisch onderzoek blijkt dat de grootste vuurbelasting in de meterkast heeft plaats gevonden en dat het vuur zich van daaruit heeft verspreid naar de hal ter hoogte van de ingang van de woonkamer. Tussen de verbrande resten naast de meterkast lagen beschadigde plastic kappen van onder andere de zekeringsinstallatie, die niet door de brand waren aangetast. Volgens het forensisch onderzoek moeten de kappen daarom vóór de brand zijn verwijderd. Hierdoor moet er gas zijn vrijgekomen dat door de ontstane brand is gaan fakkelen. Niet kon worden vastgesteld hoe de dader het vuur heeft doen ontbranden. Gezien de verwijderde en beschadigde kappen van de zekeringskast wordt het waarschijnlijker geacht dat de brand opzettelijk is ontstoken.
Verdachte, de toenmalige bewoner, heeft bij de inverzekeringstelling op 20 november 2025 verklaard dat hij met iets, hij denkt een stuk hout, op iets in de meterkast stond te rammen. Ineens was er een vonk en toen vuur. Op 22 november 2025 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij uit alle macht de meterkast kapot heeft geramd; hij denkt met een keukenkastje. Hij hoorde een knal en zag een gigantische vlam boven hem die omhoog knalde. Een vonkje sloeg over naar gas.
De rechtbank overweegt dat verdachte deze verklaring op meerdere momenten kort na het feit heeft afgelegd. Dat verdachte de meterkast met geweld heeft vernield vindt steun in de bevindingen dat de meterkast volledig los van de muur was, dat beschermkappen van de zekeringen waren beschadigd en dat een gasleiding beschadigd was geraakt. De rechtbank gaat daarom uit van deze lezing van verdachte. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het scenario dat verdachte voor het eerst op de zitting van 5 oktober 2026 naar voren heeft gebracht, inhoudende dat hij zich aan de meterkast heeft vastgehouden om niet om te vallen waardoor de kast van de muur is gekomen en schade heeft opgelopen, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.
Op basis van de bewijsmiddelen bezien in onderlinge samenhang concludeert de rechtbank dat het slaan door verdachte op/tegen de meterkast en zekeringen met een stuk hout, direct heeft geleid tot het ontstaan en verspreiding van de brand.
Opzet
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag of verdachte opzettelijk brand heeft veroorzaakt. Niet is gebleken dat verdachte vol opzet heeft gehad. Wel is de rechtbank van oordeel dat uit de handelswijze van verdachte voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van brand kan worden afgeleid. Naar algemene ervaringsregels is de kans op zijn minst aanmerkelijk dat door met geweld de meterkast te vernielen en op/tegen zekeringen (zonder beschermkap) en een gasleiding te slaan, zeker met een stuk hout, een vonk kan ontstaan die vervolgens brand kan veroorzaken. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat het verloop van een brand onvoorspelbaar is en dat brand zich snel kan ontwikkelen. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij die kans bewust op de koop toegenomen.
Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte vanwege de psychotische toestand waarin hij verkeerde in het geheel geen besef had van de risico’s van zijn handelen zodat van bewuste aanvaarding van de kans op brand geen sprake kan zijn, wordt verworpen.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een geestelijke stoornis slechts dan aan bewezenverklaring van opzet in de weg kan staan als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (HR 9 december 2008, LJN BD2775, NJ 2009, 157).
Dat verdachte geen mogelijkheden had om zijn gedrag voldoende te sturen en te reguleren of na te denken over de mogelijke gevolgen van zijn gedragskeuzes, zoals beschreven door de psycholoog in het kader van de toerekenbaarheid, betekent nog niet dat bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Ook uit de bevindingen van de psychiater of andere informatie blijkt niet dat verdachte geen besef had van zijn handelen.
Gevaar
De volgende vraag is of verdachte door zijn handelen gemeen gevaar voor goederen, dan wel levensgevaar of gevaar op zwaar lichamelijk letsel voor personen heeft veroorzaakt. Om zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen moet uit de bewijsmiddelen blijken dat dit gevaar ten tijde van de gedragingen van verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
Uit forensisch onderzoek blijkt dat de brand zich al had verspreid naar de hal ter hoogte van de woonkamer en zich verder had kunnen verspreiden in de woning en naar de aangrenzende (rijtjes)woningen. Ook is beschreven dat ten tijde van het handelen van verdachte buren thuis waren, die op tijd waren gewaarschuwd. Voorts hoorde verbalisant de forensisch onderzoeker zeggen dat als de brand was uitgeslagen, er zeker gevaar voor personen zou zijn geweest.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door de brand naast gevaar voor goederen zoals het pand zelf en aangrenzende woningen, wel degelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan. Dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners of aanwezigen in aangrenzende woningen zich niet heeft verwezenlijkt is slechts te danken aan de omstandigheid dat zij tijdig waren gewaarschuwd en dat de brand snel is opgemerkt en geblust waardoor deze relatief beperkt is gebleven.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1.
De rechtbank ziet geen bewijs dat er een (gas)explosie heeft plaatsgevonden. Verdachte zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.
feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte p. 7;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 oktober 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 20 november 2025 te Arnhem
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door de meterkast/zekeringskast te vernielen en/of de meterkast/zekeringskast los te trekken van de muur en/of door op/tegen de meterkast/zekeringskast te slaan (met een houten plank en/of een deur),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor de in de woning, althans het pand, aanwezige goederen en/of het pand zelf en/of aangrenzende/omliggende woning(en)/pand(en)/perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoner(s) en/of aanwezige(n) in/nabij aangrenzende/omliggende woning(en) en/of pand(en)/perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 20 november 2025 te Arnhem
opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan stichting Volkshuisvesting Arnhem, toebehoorden
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
GZ-psycholoog V.T.G. Arnts heeft in het rapport van 29 juni 2026 over verdachte beschreven dat sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de feiten. Verdachte was in de voorafgaande maanden gestopt met medicatie. Zijn denken, voelen en handelen werden beïnvloed door zijn psychotische toestand. Hij had geen mogelijkheden om eigen gedrag voldoende te sturen en te reguleren of na te denken over de mogelijke gevolgen van zijn gedragskeuzes. Daarom wordt geadviseerd hem het tenlastegelegde in het geheel niet toe te rekenen.
Psychiater T.W.D.P. van Os komt in het rapport van 3 juli 2026 over verdachte tot dezelfde diagnostiek en heeft daarnaast een neurobiologische ontwikkelingsstoornis met kenmerken van ADHD en een autismespectrumstoornis beschreven. Verdachte was gestopt met medicatie en raakte geheel ontregeld. Mogelijk was hij nog wel in staat het ongeoorloofde van zijn gedragingen in te zien, maar hij was niet meer in staat om zijn wil overeenkomstig dat inzicht te bepalen. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en is net als de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen
worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar zodat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7. De overwegingen ten aanzien van maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte tbs met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
Bij oplegging van een tbs-maatregel heeft de raadsvrouw gepleit voor de voorwaardelijke variant met daarnaast eventueel een zorgmachtiging. Verdachte verzet zich niet tegen behandeling en hulpverlening in een forensische setting. Hij heeft aangegeven mee te werken aan plaatsing en aan de voorwaarden die de reclassering heeft geformuleerd. Met een zorgmachtiging kan het medicatiegebruik worden gegarandeerd en kan tegemoet worden gekomen aan de bezwaren van de reclassering. Verdachte wil de kans krijgen te laten zien dat hij voorwaarden kan naleven. Duidelijk is dat hij een rustige en prikkelarme omgeving nodig heeft. Volgens de deskundigen nemen de risico’s bij tbs met dwangverpleging juist toe, wat maakt dat deze vorm niet proportioneel en niet subsidiair is.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft met zijn handelen een ernstig gevaar veroorzaakt voor zichzelf, buurtbewoners en goederen. Door het snelle optreden van politie en brandweer is de brand tijdig geblust en waren buurtbewoners op tijd gealarmeerd. De schade is hierdoor relatief beperkt gebleven. Het gedrag van verdachte heeft voor angst en ophef gezorgd in de buurt. Herhaling moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Het advies van de deskundigen
In eerdergenoemde rapporten adviseren de psycholoog en de psychiater aan verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Om het hoge recidiverisico duurzaam te verlagen, achten zij langdurig, zeer mogelijk levenslang, behandeling en begeleiding in een forensisch kader noodzakelijk. Van belang is dat verdachte zijn medicatie blijft gebruiken en dat dit gemonitord wordt. Eerdere klinische en ambulante behandelingen hebben onvoldoende resultaat opgeleverd.
Verdachte is snel overprikkeld. Volgens de psychiater heeft tbs met dwangverpleging als nadeel dat verdachte bloot zal blijven staan aan veel prikkels wat het risico op incidenten meer doet toenemen dan afnemen. Van behandeling kan weinig worden verwacht gezien de handicap van verdachte. Resultaten moeten vooral worden verwacht in het optimaliseren van een passende omgevingsprothese. Voordeel van tbs met voorwaarden is dat er snel kan worden doorgeschakeld naar een ambulante (prikkel)arme situatie. Nadeel is dat verdachte impulsief is en daardoor makkelijk voorwaarden zou kunnen overtreden. Verdachte wil zich wel aan voorwaarden houden, maar de vraag is of hij dat langdurig kan. Alles afwegend, adviseert de psychiater tbs met voorwaarden indien de reclassering daartoe mogelijkheden ziet.
De psycholoog schat in dat het langdurige klinische karakter van behandeling binnen het kader van tbs met dwangverpleging verdachte zal demotiveren en zal leiden tot meer angst en depressieve gevoelens, suïcidale of zelfdestructieve gedragingen en mogelijk tot agressie. Hierdoor kan behandeling binnen dit kader stagneren en juist meer risico’s met zich brengen. Een belangrijke kanttekening bij tbs met voorwaarden is echter of verdachte in staat is zich voor langere tijd aan behandelafspraken en voorwaarden te houden. De aard van zijn problematiek zorgt er namelijk voor dat hij wisselend is in zijn behandelmotivatie en dat zijn ziekte-inzicht beperkt is. De psycholoog adviseert om de reclassering onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van tbs met voorwaarden. Indien deze variant niet mogelijk blijkt te zijn, wordt tbs met dwangverpleging geadviseerd.
De reclassering heeft in haar rapport van 11 september 2026 negatief geadviseerd over tbs met voorwaarden omdat zij ernstige twijfels heeft bij de haalbaarheid van de uitvoering van deze maatregel. Net als de psycholoog en psychiater heeft zij zorgen over het vermogen van verdachte zich langere tijd aan de voorwaarden te houden. Vanuit zijn stoornis kan hij impulsief handelen en laat hij zelfbepalend gedrag zien ten aanzien van medicatiegebruik. Deze ambivalente houding en het beperkte ziekte-inzicht zullen de samenwerking bemoeilijken. De kans dat verdachte vroeg of laat de voorwaarden zal overtreden en omzetting naar tbs met dwangverpleging moet volgen, wordt daarom reëel geacht. Voorts ziet de reclassering enkele praktische bezwaren bij oplegging van tbs met voorwaarden. Volgens IFZ zal daarnaast ook een zorgmachtiging nodig zijn om eventuele dwangmedicatie toe te kunnen passen. Aan de combinatie van tbs met voorwaarden en een zorgmachtiging zitten echter ook nadelen. Op de zitting heeft de reclasseringswerker het advies nader toegelicht en gehandhaafd.
Maatregel
De rechtbank overweegt dat uit alle rapporten naar voren komt dat om herhaling te voorkomen, verdachte langdurig behandeling en begeleiding nodig heeft in een forensisch kader en dat een tbs-kader de enige optie is. De rechtbank is het met de deskundigen, de officier van justitie en de raadsvrouw eens dat noch tbs met voorwaarden noch tbs met dwangverpleging echt passend lijkt te zijn voor verdachte. De rechtbank had verdachte een rustige en prikkelarme woon -en behandelomgeving gegund, zoals een hutje op de hei, in zijn woorden. Het Wetboek van Strafrecht biedt in deze situatie helaas slechts deze twee behandelkaders. De reclassering heeft de mogelijkheden van tbs met voorwaarden uitgebreid onderzocht en duidelijk uitgelegd waarom zij deze vorm niet haalbaar acht. De inschatting is dat verdachte vanwege de aard van zijn problematiek niet in staat is zich langdurig aan de voorwaarden te houden, met uiteindelijk waarschijnlijk omzetting tot dwangverpleging als gevolg. Verdachte is daarmee uiteindelijk slechter af. De rechtbank volgt het standpunt van de reclassering. De optie van tbs met voorwaarden valt daarom af. Daardoor blijft als juridisch kader alleen tbs met dwangverpleging over. De rechtbank realiseert zich dat ook aan deze vorm van tbs niet zonder risico’s is, maar zij ziet geen andere mogelijkheid om de kans op herhaling te verminderen.
De rechtbank overweegt dat is voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging.
De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank stelt verder vast dat het bewezenverklaarde onder feit 1 een misdrijf oplevert als bedoeld in artikel 37a, lid 1 onder 2 Sr, waarvoor tbs mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging eist. Dit is een verstrekkende en ingrijpende maatregel. De rechtbank acht deze maatregel noodzakelijk en proportioneel gezien de ernst van het bewezenverklaarde onder feit 1 en het hoge recidiverisico.
De bewezenverklaarde brandstichting is een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e , eerste lid, Sr is de tbs dan niet in duur gemaximeerd.
Maatregel
Ook zal de rechtbank de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr opleggen.
Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van verdachte. Daarnaast is de oplegging van de maatregel naar het oordeel van de rechtbank in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden kan in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde terbeschikkingstelling plaatsvinden.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
gelast dat verdachte ter zake van feit 1 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op.