RECHTBANK LIMBURG
[naam] , uit Meerssen, eiser sub 1,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/1481 en 26/1483
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[naam] , uit Meerssen, eiser sub 2,
(gemachtigde: mr. B. Queis),
hierna gezamenlijk aan te duiden als: eisers,
en
(gemachtigde: mr. R.L.M. Baltesen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] uit Sittard (vergunninghouder).
Procesverloop
1. Op 3 oktober 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een tussenwoning aan de [adres] te Meerssen. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 19 mei 2026 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, met aanvulling van de motivering van het primaire besluit.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat vergunninghouder heeft aangegeven op korte termijn met de werkzaamheden te starten, hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit en het primaire besluit worden geschorst zodat van de omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.
Op 1 juli 2026, voorafgaand aan de behandeling ter zitting, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel het primaire en bestreden besluit geschorst tot het moment van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser sub 2, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en vergunninghouder, tezamen met zijn partner [naam] .
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Vergunninghouder is mede-eigenaar van een tussenwoning aan de [adres] te Meerssen. Hij is begonnen met het verbouwen van deze woning zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Het college heeft daarom op 22 september 2023 aan vergunninghouder een last onder dwangsom opgelegd om hem te bewegen de werkzaamheden te staken.
3. Op 29 november 2023 heeft vergunninghouder een principeverzoek gedaan tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het afronden van de werkzaamheden en het legaliseren van de reeds voltooide werkzaamheden. Het college heeft op 7 februari 2025 positief geadviseerd over het conceptverzoek, nadat het bouwplan aan de hand van aanbevelingen van de gemeentelijke welstandscommissie was aangepast. Het college heeft vergunninghouder verzocht een definitieve aanvraag in te dienen.
4. Namens vergunninghouder heeft [naam] (hierna: [naam] ) op
24 april 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een woonhuis. In het bijzonder heeft [naam] de volgende werkzaamheden aangevraagd: “Aanbouw, uitbouw of bijgebouw (bijbehorend bouwwerk) bouwen; Beschoeiing, damwand of andere constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil plaatsen; Dakkapel plaatsen; Hekwerk of andere erf- of perceelafscheiding plaatsen; Andere veranderingen aan bestaande bouwwerken”.
5. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit van 3 oktober 2025 verleend. Met de omgevingsvergunning is op vier onderdelen een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen vergund zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, alsmede een technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet.
6. Eiser sub 1 woont aan de [adres] te Meerssen, het naastgelegen perceel van de [adres] . Eiser sub 2 is eigenaar en verhuurder van een pand aan de [adres] , aangrenzend aan de [adres] . Zij kunnen zich geen van beiden verenigen met het primaire besluit en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft hun bezwaar met het bestreden besluit van 19 mei 2026 ongegrond verklaard. Wel heeft het college met het bestreden besluit de grondslag voor de verleende omgevingsplanactiviteit heroverwogen en de motivering van het primaire besluit aangevuld.
Toetsingskader
7. Op het woonhuis aan de [adres] is, op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan ‘gemeente Meerssen’, het bestemmingsplan “Meerssen” (hierna: het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan geldt de bestemming ‘wonen’ op het perceel. Daarnaast is er een bouwvlak op het perceel aangewezen, alsmede een vlak met de aanduiding ‘bijgebouwen’. De relevante bestemmingsplanbepalingen zijn opgenomen in de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
8. Op grond van artikel 31.2.1, onder a, van het bestemmingsplan, mogen woningen op gronden die voor ‘wonen’ zijn aangewezen enkel in het bouwvlak worden gebouwd. Op grond van artikel 31.2.1, onder d, van het bestemmingsplan mogen bijbehorende bouwwerken uitsluitend in het bouwvlak en binnen de aanduiding ‘bijgebouwen’ gebouwd worden.
9. Op grond van artikel 31.2.3, onder a, van het bestemmingsplan mogen ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ uitsluitend bijbehorende bijgebouwen worden gebouwd die maximaal één bouwlaag hoog zijn. Het bouwplan van vergunninghouder voorziet echter in een tweede bouwlaag ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ en is daarom in strijd met artikel 31.2.3, onder a, van het bestemmingsplan.
10. Ten slotte bepaalt artikel 31.2.4, onder b, van het bestemmingsplan dat de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3 meter mogen bedragen. De door vergunninghouder beoogde trapafscheiding en terrasafscheidingen zullen 4.20 meter hoog worden. Het bouwplan is daarom in strijd met artikel 31.2.4, onder b, van het bestemmingsplan.
11. Het handelen in strijd met het bestemmingsplan, dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan Meerssen, zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning is op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet verboden. Het college heeft de strijdigheden met voornoemde bestemmingsplanbepalingen door middel van het toepassen van zogeheten ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheden’ vergund, die voor zover relevant in het navolgende zullen worden besproken.
Gronden van beroep
Omvang van het geding
12. Het college heeft een tweetal activiteiten vergund voor het verbouwen van het woonhuis aan de [adres] . Ten aanzien van de technische bouwactiviteit, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet, hebben eisers geen beroepsgronden gericht. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot het geven van een oordeel over de vergunde omgevingsplanactiviteit.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan ten aanzien van de aangevraagde en vergunde (vier onderdelen van de) omgevingsplanactiviteit in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de strijdigheden van het bouwplan met het bestemmingsplan zich tot de onder 7 en verder genoemde bestemmingsplanbepalingen beperkt. Het geschil tussen partijen is beperkt tot de door het college gebruikte afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van een extra bouwlaag buiten het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak in het bijgebouwenvlak, het afwijken van de maximale hoogte van de trap- en terrasafscheiding en of het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eisers in het licht van de ruimtelijke beoordeling die aan het primaire en bestreden besluit ten grondslag ligt.
13. De voorzieningenechter zal hierna per activiteit beoordelen of het college bevoegd was om gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan om de gevraagde omgevingsvergunning te kunnen verlenen.
Het afwijken ten behoeve van de tweede bouwlaag in het bijgebouwenvlak
14. Eisers stellen dat het college gebruik heeft gemaakt van een onjuiste afwijkingsbevoegdheid ten aanzien van het realiseren van een tweede bouwlaag ter hoogte van de aanduiding ‘bijgebouwen’. In het primaire besluit heeft het college getracht deze strijdigheid op te heffen door middel van het toepassen van artikel 31.4.2 van het bestemmingsplan. Dit artikel is echter alleen van toepassing op vrijstaande woningen. Het college heeft deze afwijkingsmogelijkheid in het bestreden besluit vervangen door artikel 31.4.1 van het bestemmingsplan, naar aanleiding van het bezwaarschrift van eisers.
15. Artikel 31.4.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat het college een omgevingsvergunning kan verlenen ten behoeve van het toevoegen van een extra bouwlaag aan grondgebonden woningen, voor zover dit past binnen het stedenbouwkundig beeld en de belangen zoals bedoeld in artikel 58.2 van het bestemmingsplan niet onevenredig worden aangetast. Volgens eisers is deze bestemmingsplanbepaling niet van toepassing op de extra bouwlaag in het bijgebouwenvlak, omdat dit artikel bedoeld is voor het toevoegen van bouwlagen in het bouwvlak.
16. De voorzieningenrechter constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat het uitbreiden van de woning buiten het bouwvlak in het bijgebouwenvlak als een ‘bijbehorend bouwwerk’ dient te worden gedefinieerd zoals bedoeld in artikel 1.42 van het bestemmingsplan. Dit betekent dat partijen het eens zijn dat het realiseren van de aanbouw in één bouwlaag in het bijgebouwenvlak rechtstreeks toegestaan is op grond van het bestemmingsplan. Partijen zijn het er echter over oneens of artikel 31.4.1 van het bestemmingsplan ook van toepassing kan zijn op bijbehorende bouwwerken.
De voorzieningenrechter stelt vast dat over het maximaal aantal bouwlagen in het bestemmingsplan twee relevante bepalingen zijn opgenomen. Voor het bouwen binnen het bouwvlak geldt op grond van artikel 31.2.2 dat maximaal twee bouwlagen mogen worden gerealiseerd. Voor bijbehorende bouwwerken in het bijgebouwenvlak op grond van artikel 31.2.3 van het bestemmingsplan geldt dat deze uit maximaal 1 bouwlaag mogen bestaan. De voorzieningenrechter maakt uit het systeem van het bestemmingsplan op dat onderscheid gemaakt wordt tussen het bouwen in het bouwvlak en het bouwen in het bijgebouwenvlak, waarbij het bestemmingsplan expliciet spreekt over ‘bijbehorende bouwwerken’. In de door het college toegepaste afwijkingsbevoegdheid wordt echter niet over ‘bijbehorende bouwwerken’ gesproken, maar over ‘grondgebonden woningen’. Het bestemmingsplan voorziet daarom dus niet expliciet in het toevoegen van extra bouwlagen aan bijbehorende bouwwerken, anders dan dat deze maximaal één bouwlaag hoog mogen zijn.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college niet bevoegd is om met toepassing van artikel 31.4.1 van het bestemmingsplan de tweede bouwlaag te vergunnen. Uit de omgevingsvergunning volgt, en ook tussen partijen is niet in geschil, dat de eerste bouwlaag van de aanbouw rechtstreeks is toegestaan nu de bouwlaag als ‘bijbehorend bouwwerk’ aan te merken valt en bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 31.2.3 uit maximaal een bouwlaag mogen bestaan. Dat de aanbouw, die het college in de omgevingsvergunning in eerste instantie juridisch kwalificeert als een bijbehorend bouwwerk, onderdeel is geworden van de grondgebonden woning en dus voor de verdere beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning van kleur verschiet naar ‘grondgebonden woning’ zoals het college ter zitting heeft betoogd en waardoor toepassing zou kunnen worden gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 31.4.1, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter verwijst ter motivering naar hetgeen zij hiervoor in rechtsoverweging 16.1 met betrekking tot de systematiek van het bestemmingsplan heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt.
Het afwijken ten behoeve van de trap- en terrashoogte
17. Eisers hebben zich ook verzet tegen de afwijking van de maximale hoogte voor de trap- en terrasafscheiding, omdat zij van mening zijn dat hun privacy niet voldoende gewaarborgd wordt. Op grond van artikel 31.4.5 van het bestemmingsplan kan van de afmetingen in artikel 31.2.4 van het bestemmingsplan worden afgeweken zolang ten behoeve van de privacy voldoende afstand tot aangrenzende percelen wordt aangehouden. De voorzieningenrechter begrijpt uit het betoog van eisers dat zij daarom bestrijden dat het college bevoegd was om gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 31.4.5 van het bestemmingsplan.
18. In het bestreden besluit schrijft het college het volgende:
“De trapafscheiding ligt op een afstand van circa 2.50 meter van de erfgrens. Bovendien ligt de trap achter de muur die op de erfgrens staat. Daardoor is het over en weer niet mogelijk om zicht te hebben op elkaars perceel bij het op- en aflopen van de trap. De
terrasafscheiding van het terras op de verdieping ligt tussen twee muren die het zicht op elkaars perceel over en weer wegneemt. Door de terrasafscheiding wordt het dakterras gecreëerd. Dit dakterras biedt alleen zicht naar achteren toe. Dus zicht op het eigen perceel en een gedeelte van het achterste deel van de buurpercelen.”
19. Uit het voorgaande begrijpt de voorzieningenrechter dat het college het verhogen van de trap- en terrasafscheiding in afwijking van wat het bestemmingsplan toelaat, heeft vergund omdat volgens hem de privacy niet in het geding is nu de trap- en terrasafscheiding wordt gerealiseerd tussen twee muren die het zicht op elkaars percelen over en weer wegneemt. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 31.4.5 van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter stelt vast dat de twee muren die de privacy waarborgen, de twee muren zijn die onderdeel zijn van de tweede bouwlaag van het bouwplan in het bijgebouwenvlak. Zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 16.1 en 16.2 is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college niet met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van artikel de tweede bouwlaag kon vergunnen – en zodoende dus ook niet de twee muren die het zicht op de percelen over en weer weg nemen. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de motivering die op dit moment aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet langer voldoende is. Het bestreden besluit bevat op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt daarom.
Resumerend
20. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college niet bevoegd is om met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 31.4.1 een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een tweede bouwlaag in het bijgebouwenvlak. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat een deugdelijke motivering ontbreekt om een trap- en terrasafscheiding te realiseren in afwijking van wat artikel 31.2.4 van het bestemmingsplan toestaat. Het beroep is daarom gegrond.
21. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen uitvoerig gesproken over (de voorwaarden van) artikel 58.2. van het bestemmingsplan en de ruimtelijke onderbouwing die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, onder andere over bezonning, privacy, stedenbouwkunde en het afwegen van de betrokken belangen. Nu het bestreden besluit reeds wegens het ontbreken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 31.4.1 binnenplans te kunnen afwijken en het ontbreken van een deugdelijke motivering om toepassing te kunnen geven aan de binnenplanse bevoegdheid van artikel 31.4.5 wordt vernietigd, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een beoordeling van de overige door gronden die eisers hiertegen hebben aangevoerd. De voorzieningenrechter geeft het college echter uitdrukkelijk in overweging om bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers nogmaals aandacht aan de hiervoor genoemde aspecten te besteden.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de tweede bouwlaag in het bijgebouwenvlak en de afwijkende trap- en terrasafscheiding. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid aanhef en onder a van de Awb de rechtgevolgen in stand te laten. Het college moet daarom ten aanzien van deze onderdelen van het bestreden besluit een nieuwe beslissing op bezwaar nemen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Omdat de voorzieningenrechter eveneens op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Ordemaatregel
23. Als gevolg van deze uitspraak vervalt de voorafgaand aan de zitting getroffen ordemaatregel van 1 juli 2026.
Proceskostenveroordeling
24. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, dient het college het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van € 400,- (€ 200,- voor het verzoek om voorlopige voorziening en € 200,- voor het beroep) aan hen te vergoeden. Daarnaast bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun verzoek en beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 14 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: bestemmingsplanbepalingen
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak (zoals een carport of overkapping).
Algemeen
Op en onder de voor 'Wonen' aangewezen gronden is bouwen toegestaan ten dienste van de bestemming, waarbij ook voldaan wordt aan de volgende bepalingen:
a. vrijstaande, geschakelde en aaneengesloten woningen mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd;
[…]
d. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend in het bouwvlak en binnen de aanduiding 'bijgebouwen' en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' worden gebouwd;
Regels met betrekking tot het bouwvlak
Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:
[…]
c. in het bouwvlak mag in ten hoogste 2 bouwlagen worden gebouwd, met dien verstande dat:
1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' een afwijkend aantal bouwlagen is toegestaan;
2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - setback' in ten hoogste 3 bouwlagen wordt gebouwd, waarbij de derde bouwlaag in de vorm van een setback uitgevoerd moet worden;
Regels met betrekking tot de aanduiding 'bijgebouwen'
Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gelden de volgende regels:
[…]
b. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken in 1 bouwlaag (van ten hoogste 3,50 meter) worden gebouwd;
Overige regels met betrekking tot bouwwerken
Voor het bouwen gelden de volgende overige regels:
[…]
b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of de bijgebouwgrens ten hoogste 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of bijgebouwgrens ten hoogste 2,00 meter bedraagt.
Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het toevoegen van een extra bouwlaag aan grondgebonden woningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het toevoegen van een extra bouwlaag aan grondgebonden woningen, met dien verstande dat:
de toevoeging van de bouwlaag past binnen het stedenbouwkundig beeld en de ter plaatse aanwezige bebouwingstypologie;
ij het verlenen van de omgevingsvergunning de bepalingen in acht worden genomen, zoals opgenomen in artikel 58.2.
Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken met een grotere bouwhoogte
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken met een grotere bouwhoogte, met dien verstande dat:
ten behoeve van de privacy voldoende afstand tot aangrenzende percelen wordt aangehouden;
Algemene voorwaarden bij afwijken
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels van het plan, dient het onderstaande in acht te worden genomen:
er wordt geen substantiële afbreuk gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse;
belangen van derden worden niet onevenredig nadelig geschaad of kunnen niet onevenredig nadelig geschaad worden;
er vindt geen onevenredige nadelige aantasting plaats van:
1. de milieusituatie;
2. het woonmilieu en de leefbaarheid ter plaatse;
3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende grond;
4. de verkeersveiligheid;
5. de parkeerbalans in de directe omgeving, waarbij de parkeernormen overeenkomstig de 'Nota parkeerbeleid 2022-2025' (of diens rechtsopvolger) in acht worden genomen.