ECLI:NL:RBMNE:2015:8024

ECLI:NL:RBMNE:2015:8024, Rechtbank Midden-Nederland, 13-11-2015, 16/700495-13 (P)

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 13-11-2015
Datum publicatie 18-09-2025
Zaaknummer 16/700495-13 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Schuldheling. Verdachte heeft een goed vervoerd waarvan hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat het goed de gestolen Monstrans betrof nu niet is komen vast te staan dat verdachte het goed ook onverpakt heeft gezien. De rechtbank weegt de relatief beperkte rol van verdachte bij de kunstroof en het lange tijdsverloop in deze zaak mee. De rechtbank legt een voorwaardelijke werkstraf van 120 uur op.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700495-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 november 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B.J. de Pree, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

op 13 februari 2013 te Utrecht en/of Vleuten en/of Gorinchem en/of elders in Nederland een goed, te weten een Monstrans heeft geheeld;

subsidiair

op 13 februari 2013 te Utrecht en/of Vleuten en/of Gorinchem en/of elders in Nederland een Monstrans heeft witgewassen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en bepleit dat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

[aangever] heeft als volgt verklaard:

“Ik ben directeur van Museum Catharijneconvent, Lange Nieuwstraat 38 te Utrecht. Ikben gemachtigd aangifte te doen van diefstal vanuit het museum. Op 29 januari 2013, tussen 14.22 uur en 14.27 uur, heeft er in Museum Catharijneconvent een kunstroof plaatsgevonden. Het weggenomen goed betreft een Monstrans van de huiskerk ‘Het Boompje’ te Amsterdam. Deze Monstrans hadden wij in bruikleen van Parochie van de Heilige Drie-eenheid, Gibraltarstraat 55 te Amsterdam. Het is een verguld zilveren stralenmonstrans, versierd met veel diamanten met ter weerszijden van lunula een engel en eronder evangelistensymbolen. Deze monstrans stond in een vitrine in de schatkamer van het museum.”

Op 13 februari 2013 om 15.44 uur werd een telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] afgeluisterd dat als volgt luidt – voor zover hier van belang:

“ [medeverdachte 1] :

[telefoonnummer] : [verdachte]

[medeverdachte 1] : He [verdachte] jongen, met [medeverdachte 1]

[telefoonnummer] : He jochie,

[medeverdachte 1] : Oke, wil je een zakcentje verdienen

[telefoonnummer] :Wat zeg je?

[medeverdachte 1] : lk zeg:’wil je een zakcentje verdienen’?

[telefoonnummer] : Nou. euh.. dat kan ik wel gebruiken ja

[medeverdachte 1] : Ja, heb je tijd?

[telefoonnummer] : Om te stucadoren of niet, bedoel je?

[medeverdachte 1] : Nee nee nee

[telefoonnummer] : wat anders?

[medeverdachte 1] : Even met mij meerijden, kan je even een meijertje verdienen met me.

[telefoonnummer] : Waar heen rijden?

[medeverdachte 1] : Ik moet even geld ophalen in België

[telefoonnummer] : Euhh nu?

[medeverdachte 1] : Ja, krijg je.. euhh. krijg je een meijertje van me en dan betaal ik de

tank.

[telefoonnummer] : En euhhh hoe laat.. NTV...

[medeverdachte 1] : Wat zei je?

[telefoonnummer] : Hoe laat wil je weg dan?

[medeverdachte 1] : Ja zo snel mogelijk

[telefoonnummer] : Hoe lang is het rijden

[medeverdachte 1] : Euhh.. ander half uur.

[telefoonnummer] : Ander half uur heen, ander half uur terug. Het is nou, 4 uur weg, 5 uur. 6

uur, uurtje of 8 terug [medeverdachte 1] : Juist

[telefoonnummer] : Ja is goed

[medeverdachte 1] : Ja?

[telefoonnummer] : Ja is goed

[medeverdachte 1] : oke.. euhh. kom maar op. Haal ons maar op bij mijn huis

[telefoonnummer] : Ja, dan rij ik nu gelijk door. Ik was al onderweg naar huis eigenlijk,

maar dan rij ik naar je toe.”

In een proces-verbaal van observatie op 13 februari 2013 is het volgende door de politie opgenomen:

“Omstreeks 16.42 uur zagen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat: - De Hyundai [kenteken] en de Citroën [kenteken] stopten op de [adres]

ter hoogte van de percelen 13 t/m 17.

Omstreeks 16.42 uur zag ik, [verbalisant 1] , dat:- NN1 nog in de Citroën [kenteken] zat;- twee mannen wegliepen uit de richting van de Hyundai [kenteken] en in de richting liepen van de voornoemde perceelnummers van de [adres] ;

Omstreeks 16.47 uur zag ik, [verbalisant 1] , dat:

- Een vrouw, leeftijd tussen de 20 en de 30 jaar, met lang blond haar, lengte ongeveer 165 cm uit de woning [adres] kwam.

- NN1 uit de Citroën [kenteken] stapte en samen met de blonde vrouw, de woning [adres] naar binnen ging.

Omstreeks 16.54 uur zag ik, [verbalisant 1] , dat:

- NN1, NN4 en een derde man wiens signalement sterk overeen kwam met die van subject [medeverdachte 2] , uit de woning [adres] kwamen.

- NN1, NN4 en de hierboven omschreven uit de woning kwamen.

- Eén van hen een groot voorwerp, met vaste vormen, omhuld met een grijze vuilniszak uit deze woning bij zich droeg;

- NN1 en de onbekend gebleven persoon hierna naar de Hyundai [kenteken] liepen en dit voorwerp op de achterbank van de Hyundai [kenteken] legden.

Omstreeks 16.54 uur zagen wij, [verbalisant 3] , [verbalisant 1] en [verbalisant 4] , dat:

- het grote voorwerp ongeveer 1 meter hoog was, ongeveer 40 cm breed was en ongeveer 20 cm diep was.

Ik [verbalisant 4] zag dat:

- subject [medeverdachte 2] op de bestuurdersplaats van de Citroën [kenteken] plaatsnam.

Omstreeks 16.56 uur zagen wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , dat:

- De Citroën [kenteken] en de Hyundai [kenteken] , de Citroën voorop, achter elkaar aan wegreden.

Omstreeks 17.50 uur zag ik, [verbalisant 4] , dat:

- De Citroën [kenteken] stilstond in de file op de rijksweg A27 ter hoogte van het

knooppunt Gorinchem.

Omstreeks 17.50 uur herkende ik, [verbalisant 4] , de bestuurder van de Citroën [kenteken]

als zijnde het subject [medeverdachte 2] .

Rond dit tijdstip werden subject [medeverdachte 2] , NN1 en NN4 aangehouden.”

Aangehouden werden: Verdachte (NN1, rechtbank), [medeverdachte 1] (NN4, rechtbank) en [medeverdachte 2] (rechtbank).

In een proces-verbaal van bevindingen heeft de politie het volgende gerelateerd.

“Vervolgens kreeg verbalisant [verbalisant 6] een telefonisch verzoek van de meldkamer van

politie om in het genoemde voertuig de Hyundai met kenteken [kenteken] te kijken of

daar een plastic vuilniszak zou liggen. Hierop heeft verbalisant [verbalisant 6] het genoemde voertuig geopend en zag op de achterbank, achter de bestuurderstoel, een vuilniszak liggen. Deze vuilniszak zat om iets heen gedraaid. Nadat ik verbalisant [verbalisant 6] de vuilniszak had geopend zag ik een soort beeld liggen. Dit was goud van kleur. Toen ik nogmaals goed keek zag ik dat ik dat beeld herkende als zijnde de relikwie monstrans welke met geweld was meegenomen vanuit een museum te Utrecht. Het beeld is ongeveer 75 centimeter hoog en goud van kleur.”

Door verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij op 13 februari 2015 door [medeverdachte 1] is gebeld om iets te vervoeren. Hij kon hiermee een meiertje (oftewel € 100,-) verdienen. Verdachte is de woning van de schoonouders van [medeverdachte 1] in geweest en heeft daar gewacht. Toen verdachte uit de woning kwam heeft hij gezien dat er een goed in de Hyundai is gelegd. Verdachte heeft vervolgens de Hyundai bestuurd. [medeverdachte 1] en de andere man reden in zijn Citroen Berlingo Het enige waar verdachte aan dacht was het geld dat hij kon verdienen met de rit. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld nodig had om een Valentijnscadeau te kunnen kopen voor zijn vriendin.

Bewijsoverweging

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte tegen betaling met [medeverdachte 1] naar België zou rijden. Verdachte kon hiermee € 100,- verdienen. Verdachte is vervolgens in zijn Citroen Berlingo naar de woning aan de [adres] gereden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn in de Hyundai naar voornoemd adres gereden. Allen zijn de woning aan de [adres] ingegaan. Korte tijd later zijn zij de woning uitgekomen met de gestolen Monstrans, omhuld in een vuilniszak. Deze is in de Hyundai gelegd, die verdachte vervolgens bestuurde. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reden verdachte achterna in zijn Citroen Berlingo.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dacht dat hij samen met [medeverdachte 1] geld moest ophalen in België. Hij heeft geen vragen gesteld over hetgeen in de auto is gelegd. Hij heeft niet in de vuilniszak gekeken en wist niet wat hierin zat. Verdachte heeft ook geen vragen gesteld over de wisseling van het voertuig.

De rechtbank is - gelet op voornoemde feiten en omstandigheden - van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed dat hij moest vervoeren een door misdrijf verkregen goed betrof. Verdachte had een onderzoeksplicht wat betreft de herkomst van het goed gelet op de bijzondere omstandigheden, te weten het stoppen bij het adres aan de [adres] terwijl de bedoeling was naar België te rijden, het inladen van de vuilniszak met inhoud en het wisselen van de auto’s.. Met het verzaken van zijn onderzoeksplicht heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een goed.

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat het goed de gestolen Monstrans betrof nu niet is komen vast te staan dat verdachte het goed ook onverpakt heeft gezien. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

primair

op 13 februari 2013 te Vleuten en Gorinchem een goed voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemd goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

primair: schuldheling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht tot matiging van de door de officier van justitie geëiste straf.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft hand- en spandiensten verleend aan anderen die zich schuldig hebben gemaakt aan de diefstal van een waardevol liturgisch kunstvoorwerp, waarbij met grof geweld de toegang is verschaft tot het Catharijneconvent, waar zich op dat moment een Monstrans bevond. Deze roof vond plaats op klaarlichte dag in aanwezigheid van personeel en bezoekers van het museum en heeft grote indruk gemaakt op de aanwezigen en heeft ook maatschappelijke verontwaardiging en onrust opgeleverd.

Verdachte heeft de gestolen Monstrans, die verpakt was in een vuilniszak, vervoerd en daarmee een van misdrijf verkregen goed voorhanden gehad.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen het feit dat uit zijn uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 augustus 2015 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Tevens is in zijn voordeel meegewogen het lange tijdsverloop in deze zaak en de relatief beperkte rol die verdachte in het geheel van de kunstroof heeft gespeeld, gezien de beschikbare bewijsmiddelen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke werkstraf van 120 uren passend en geboden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

primair: schuldheling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Gerritse, voorzitter,

mrs. A. van Holten en A.R. Creutzberg, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 november 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 13 februari 2013 te Utrecht en/of Vleuten en/of Gorinchem

en/of elders in Nederland een goed, te weten Monstrans (waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een verzekerde waarde van 250.000 euro) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd goed en/of voornoemde Monstrans

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 13 februari 2013, te Utrecht en/of Vleuten en/of Gorinchem

en/of elders in Nederland, een voorwerp, te weten een Monstrans (waardevol

historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een verzekerde

waarde van 250.000 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een Monstrans

(waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een

verzekerder waarde van 250.000 euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist,

althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand