ECLI:NL:RBMNE:2026:2095

ECLI:NL:RBMNE:2026:2095

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 16/206620-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging van een 7-jarig meisje en een poging tot doodslag, twee bedreigingen en twee mishandelingen van meerdere andere slachtoffers op 6 en 7 juli 2025. Het bewezenverklaarde handelen kan niet aan de verdachte worden toegerekend omdat hij door de psychose waarin hij verkeerde in het geheel geen keuzevrijheid meer had. De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank volgt het advies van de psychiater en de psycholoog en legt geen tbs-maatregel met voorwaarden op, maar verleent ambtshalve een zorgmachtiging. Daarvan is een separate beschikking opgemaakt. Daarnaast legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr op met een contact- en locatieverbod, en neemt beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/206620-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 mei 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1977] in [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

hierna: de verdachte.

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 april 2026. Het onderzoek is gesloten op 1 mei 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

- S. Labrijn, GZ-psycholoog;

- C.J. van Gestel, psychiater;

- B. de Groot, GZ-psycholoog (in het kader van het onderzoek naar een zorgmachtiging)

- [C] , reclasseringswerker.

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair:

op 7 juli 2025 in Nieuwegein heeft geprobeerd [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, door met een schaar in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 3] te steken, een schaar tegen haar keel te drukken, haar tegen de grond te drukken en op haar te zitten;

subsidiair:

op 7 juli 2025 in Nieuwegein heeft geprobeerd [slachtoffer 3] zwaar te mishandelen door de hiervoor genoemde handelingen;

meer subsidiair:

op 7 juli 2025 [slachtoffer 3] heeft mishandeld door de hiervoor genoemde handelingen;

feit 2

op 7 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 3

op 7 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 3] opzettelijk en wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd;

feit 4

primair: op 7 juli 2025 in Nieuwegein heeft geprobeerd [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven door met een schaar in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 4] te steken;

subsidiair: op 7 juli 2025 in Nieuwegein heeft geprobeerd [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar te mishandelen door de hiervoor genoemde handelingen;

meer subsidiair: op 7 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 5

op 7 juli 2025 in Nieuwegein opzettelijk en wederrechtelijk de auto van [slachtoffer 4] heeft beschadigd;

feit 6

op 7 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 7

op 7 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 8

op 7 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

feit 9

op 6 juli 2025 in Nieuwegein [slachtoffer 6] heeft mishandeld.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 primair en de feiten 5 tot en met 9 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair en subsidiair en feit 4 primair en subsidiair.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

De advocaat voert verder geen verweer over het bewijs ten aanzien van de overige feiten.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 7 juli 2025 kwamen bij de politie meerdere meldingen binnen dat een verwarde man in de speeltuin in de omgeving van de [straat] in Nieuwegein een meisje ( [slachtoffer 3] ) had aangevallen met een mes of een schaar. De politie ging ter plaatse en zag een man in onderbroek en winterjas schreeuwend in de speeltuin staan. Hij reageerde niet, liep ongecontroleerd heen en weer en zijn handen waren bebloed. Uiteindelijk heeft de politie de man kunnen aanhouden. Dit bleek de verdachte te zijn. Door een van de omstanders ( [slachtoffer 2] ) werd ook aangifte gedaan van mishandeling, de verdachte zou hem geduwd hebben. Voorafgaand aan het incident in de speeltuin heeft er een incident plaatsgevonden waarbij de verdachte een man ( [slachtoffer 4] ) zou hebben aangevallen en anderen ( [slachtoffer 7] en [slachtoffer 5] ) zou hebben bedreigd.

In de aanloop naar 7 juli 2025 werden meerdere meldingen over de verdachte gedaan, onder andere door zijn begeleider van Kwintes. Er waren zorgen over de verdachte en hij zou steeds verwarder gedrag vertonen. De crisisdienst is in de middag van 7 juli 2025 langsgegaan voor een beoordeling. De verdachte was redelijk tot goed aanspreekbaar en er werd afgesproken dat de crisisdienst de verdachte dagelijks ging bezoeken om zijn medicijnen toe te dienen en zijn gedrag in de gaten te houden. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij al enige tijd zeer angstig en gestrest was en in een zware psychose terecht was gekomen, waarbij hij last had van hallucinaties en wanen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank zal hieronder beoordelen welke feiten bewezen kunnen worden. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. Hieronder zal de rechtbank, waar nodig, ingaan op de door de advocaat gevoerde verweren.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverwegingen

3.3.3.1. Ten aanzien van het incident met [slachtoffer 3] (feiten 1, 2 en 3)

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 7 juli 2025 was het zevenjarige slachtoffer [slachtoffer 3] aan het spelen in de speeltuin bij de [straat] in Nieuwegein. De verdachte kwam de speeltuin in en pakte het slachtoffer vast. De verdachte duwde het slachtoffer naar de grond en hield haar op de grond gedrukt door op haar te zitten. [slachtoffer 3] lag op haar buik en de verdachte zat wijdbeens over haar heen. De verdachte had daarbij een schaar vast in zijn hand en riep dat hij haar ging vermoorden. De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt. Er zijn meerdere getuigen geweest van het incident en alleen de getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard over de stekende bewegingen. De andere getuigen (waaronder [slachtoffer 3] zelf) verklaren dat de verdachte de schaar bij de nek of keel van

[slachtoffer 3] hield en [slachtoffer 3] had onder andere een kraswond achter haar oor en een prikwond op haar wang. De rechtbank is daarom van oordeel dat vastgesteld kan worden dat de verdachte de schaar bij de nek van [slachtoffer 3] heeft gehouden en dat hij ook in haar wang geprikt heeft.

De rechtbank realiseert zich dat dit een hele beangstigende situatie voor [slachtoffer 3] en haar moeder moet zijn geweest en dat zij gevreesd hebben dat de verdachte [slachtoffer 3] wat aan zou doen. De rechtbank dient echter te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen kan worden of er juridisch sprake was van een poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling.

Daarvoor moet de rechtbank beoordelen of buiten redelijke twijfel vast staat dat het opzet (vol opzet of voorwaardelijke opzet) van de verdachte erop was gericht om [slachtoffer 3] te doden (primair) of om haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair).

Inzicht in draagwijdte van zijn gedragingen

De advocaat stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk handelde, omdat de verdachte in een psychose verkeerde.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat het bestaan van een ziekelijke stoornis, zoals de psychose van de verdachte, niet in de weg aan het bewijs van opzet. Dit is slechts anders, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan is volgens de Hoge Raad slechts bij hoge uitzondering sprake. Die uitzondering doet zich hier niet voor.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat er veel mensen in de speeltuin waren. Hij was zich dus bewust van de personen die zich in zijn buurt bevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij nog weet dat het meisje gilde en dat hij wist dat hij haar niet ging steken, maar dat hij dit deed om te dreigen zodat de mensen weggingen. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich in ieder geval deels bewust was van wat hij deed. De verdachte had dus in ieder geval enig inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat.

Is er sprake van poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling?

De eerste vraag die rechtbank moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om [slachtoffer 3] van het leven te beroven of haar zwaar te verwonden (juridisch gezien is er dan sprake van vol opzet). De rechtbank vindt dat dit niet buiten redelijk twijfel vastgesteld kan worden. Het feit dat de verdachte een schaar bij de keel van [slachtoffer 3] hield en riep “ik ga haar vermoorden”, is daarvoor niet genoeg. Dit kan ook gezien worden als een bedreiging en een manier om anderen op afstand te houden. De volgende vraagt die de rechtbank dient te beantwoorden is of er sprake is geweest van voorwaardelijke opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij

[slachtoffer 3] . Daarvan is sprake als er een aanmerkelijke kans (of in andere woorden een reële en niet onwaarschijnlijke kans) was dat [slachtoffer 3] door het handelen van de verdachte was komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel had opgelopen en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.

De rechtbank oordeelt dat dit ook niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Weliswaar heeft [slachtoffer 3] letsel opgelopen en had ze mogelijk nog erger gewond kunnen raken als ze een onverwachte beweging had gemaakt, maar aangezien niet bewezen is dat de verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt, maar de schaar tegen haar aan heeft gehouden, kan de rechtbank – hoe beangstigend en heftig de situatie ook moet zijn geweest voor [slachtoffer 3] en haar moeder – niet buiten redelijke twijfel vaststellen er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 3] zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zou lopen en dat de verdachte dat bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair en subsidiair.

Mishandeling (meer subsidiair), wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging

De rechtbank is van oordeel dat wel bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld (feit 1 meer subsidiair), heeft bedreigd (feit 2) en van haar vrijheid heeft beroofd (feit 3).

3.3.3.2. Ten aanzien het incident met [slachtoffer 4] (feit 4)

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 7 juli 2025 kwam de aangever [slachtoffer 4] aan bij de [adres] . De aangever zat in zijn auto aan de bestuurderszijde. Hij zag de bewoner van de [adres] , de verdachte, uit zijn woning komen met een schaar in zijn hand. De verdachte kwam naar de bestuurderszijde van de auto van de aangever lopen. De autoruit was geopend en de verdachte stond tegen het bestuurdersportier aan, op zeer korte afstand van de aangever. De verdachte schreeuwde en maakte stekende bewegingen met de schaar in de richting van de aangever, onder meer naar zijn hoofd en nek (dat wordt door meerdere getuigen bevestigd). De aangever kon de stekende beweging ontwijken.

De rechtbank zal hierna beoordelen of bewezen kan worden dat sprake is van een poging doodslag, poging tot zware mishandeling of bedreiging. Daarvoor geldt hetzelfde juridische kader over opzet als hiervoor is uitgelegd bij de beoordeling van de feiten 1 tot en met 3.

Inzicht in draagwijdte van zijn gedragingen

De advocaat stelt zich ook ten aanzien van dit feit op het standpunt dat de psychose waar de verdachte in verkeerde aan een bewezenverklaring van opzet in de weg staat. De rechtbank heeft dat verweer reeds onder feit 1 besproken en verworpen en verwijst voor de onderbouwing hiervan naar wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld bij feit 1.

Poging doodslag, poging tot zware mishandeling of bedreiging?

De rechtbank oordeelt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om [slachtoffer 4] van het leven te beroven of hem zwaar te verwonden (vol opzet). Was er dan voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever of op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 4] ? De verdachte heeft met een schaar stekende bewegingen gemaakt richting het hoofd en nek van [slachtoffer 4] en hij had hem dus in zijn hoofd of nek kunnen raken. Daarbij hadden zenuwen, spieren of het gezicht geraakt kunnen worden met blijvend letsel of ontsierende littekens tot gevolg. Er is dus in ieder geval een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank kan echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat er ook een aanmerkelijke kans was [slachtoffer 4] als gevolg van de verwondingen zou komen te overlijden. Het is onduidelijk met welke kracht de verdachte heeft gestoken en waar hij [slachtoffer 4] zou hebben geraakt.

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen (het maken van stekende bewegingen richting het hoofd en nek) blijkt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.

De rechtbank oordeelt op basis van het voorgaande dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de poging tot doodslag (de primaire beschuldiging), maar dat de poging tot zware mishandeling (de subsidiaire beschuldiging) wel wettig en overtuigend bewezen is.

Feiten 5 tot en met 9

De rechtbank oordeelt dat de feiten 5 tot en met 9 wettig en overtuigend zijn bewezen op basis van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1 meer subsidiair op 7 juli 2025 te Nieuwegein [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door- met een schaar tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] te prikken,- een schaar tegen de nek van die [slachtoffer 3] te drukken en gedrukt te houden,- die [slachtoffer 3] tegen de grond te drukken en gedrukt te houden, en- met zijn lichaam op die [slachtoffer 3] te zitten;

feit 2 op 7 juli 2025 te Nieuwegein [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een schaar tegen de nek van die [slachtoffer 3] te drukken en gedrukt te houden, en- dreigend te zeggen dat hij haar, die [slachtoffer 3] , gaat vermoorden;

feit 3 op 7 juli 2025 te Nieuwegein opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door- die [slachtoffer 3] vast te pakken en vast te houden en met zich mee te trekken en- die [slachtoffer 3] tegen de grond te drukken en op haar te zitten en over haar heen te hangen en- een schaar tegen de nek van die [slachtoffer 3] te drukken en gedrukt te houden;

feit 4 subsidiair op 7 juli 2025 te Nieuwegein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een schaar, meermalen in de richting van het hoofd en de nek van die [slachtoffer 4] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 5 op 7 juli 2025 te Nieuwegein opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Opel Zafira) die aan [slachtoffer 4] , toebehoorde heeft beschadigd;

feit 6 op 7 juli 2025 te Nieuwegein [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een schaar in zijn hand in de richting van en achter die [slachtoffer 7] (aan) te rennen;

feit 7 op 7 juli 2025 te Nieuwegein [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een schaar in zijn hand achter en in de richting van die [slachtoffer 4] (aan) te rennen;

feit 8 op 7 juli 2025 te Nieuwegein [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te duwen, waardoor hij ten val kwam;

feit 9 op 6 juli 2025 te Nieuwegein [slachtoffer 6] heeft mishandeld, door (met kracht) met een riem tegen de buik van die [slachtoffer 6] te slaan.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3

de eendaadse samenloop van

mishandeling;

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met zware mishandeling;

en

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

feit 4 subsidiair

poging tot zware mishandeling;

feit 5

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 6

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met zware mishandeling;

feit 7

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met zware mishandeling;

feit 8

mishandeling;

feit 9

mishandeling.

Strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 8 januari 2026, opgesteld door dr. C.J. van Gestel, psychiater, en drs. S. Labrijn, psycholoog. De bevindingen en conclusies in dit rapport zijn op de zitting van 17 april 2026 door de deskundigen toegelicht.

Uit het psychologisch en psychiatrisch onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten leed aan een psychotisch toestandsbeeld, in de zin van schizofrenie. Er was sprake van een psychotische decompensatie en van een stoornis in het gebruik van cannabis. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was bij de verdachte sprake van een psychose en zijn waarnemingsvermogen en belevingswereld waren daardoor zeer ernstig aangetast. Hij handelde vanuit psychotische motieven en vanuit de psychotische realiteit (hij dacht dat mensen hem wilden vermoorden en dat hij achterna gezeten werd).

Er is een direct verband tussen de inhoud van de psychose en de tenlastegelegde feiten. Het advies van zowel de psychiater als de psycholoog is om de tenlastegelegde feiten bij een bewezenverklaring niet aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte had door het verstoorde waarnemingsvermogen en de psychotische belevingswereld geen keuzevrijheid meer en was niet meer in staat om zich anders te gedragen. Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen neemt de rechtbank die conclusies over. De rechtbank oordeelt daarom dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte, wegens een psychische stoornis die aanwezig was tijdens het begaan van die feiten, geheel niet kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar is en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5. Maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging en aan hem de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: tbs-maatregel) zal opleggen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft verzocht om ambtshalve tot het afgeven van een zorgmachtiging over te gaan.

Oordeel van de rechtbank

Nu de bewezenverklaarde feiten de verdachte niet worden toegerekend, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het opleggen van een maatregel en/of zorgmachtiging passend en geboden is, gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft bij het maken van deze afweging het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft op 6 en 7 juli 2025 onder invloed van een psychose meerdere ernstige strafbare feiten gepleegd. Op 6 juli heeft hij [slachtoffer 6] mishandeld door hem te slaan met een riem. De volgende dag (7 juli) is hij met een schaar naar buiten gelopen en heeft hij stekende bewegingen gemaakt naar [slachtoffer 4] , die op dat moment in de auto zat. Gelukkig kon [slachtoffer 4] de stekende beweging ontwijken, maar [slachtoffer 4] had zwaargewond kunnen raken. Verder heeft hij [slachtoffer 7] en [slachtoffer 5] bedreigd door met een schaar achter hen aan te rennen. Daarna is hij naar de speeltuin gelopen en heeft hij [slachtoffer 3] (toen 7 jaar oud) mishandeld, bedreigd en van haar vrijheid beroofd door haar vast te pakken, op de grond te drukken en op haar te zitten en een schaar tegen haar nek te drukken, terwijl hij riep dat hij haar ging vermoorden. Toen de moeder van [slachtoffer 3] en de heer [slachtoffer 2] eraan kwamen viel de verdachte en kon [slachtoffer 3] gelukkig wegkomen. [slachtoffer 2] kon de schaar afpakken na een worsteling met de verdachte, waarbij de verdachte [slachtoffer 2] nog heeft geduwd, die daardoor is gevallen en letsel heeft opgelopen. Deze reeks aan geweldshandelingen is voor iedereen ontzettend beangstigend geweest. Dat hebben de verklaringen van de slachtoffers op de zitting duidelijk gemaakt. Daaruit volgt ook dat velen van hen er tot op de dag van vandaag nog last van hebben. Zoals hiervoor is uitgelegd handelde de verdachte in een psychose en kan hem dit niet worden toegerekend. Het is wel van belang dat dit niet opnieuw gebeurt en de vraag is dan ook binnen welk juridisch kader de verdachte moet worden behandeld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het strafblad van 17 september 2025 van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten;

- de hiervoor genoemde rapporten van dr. C.J. van Gestel, psychiater, en drs. S. Labrijn, psycholoog, en op wat zij op de zitting van 17 april 2026 hebben verklaard;

- het reclasseringsadvies van [C] van 2 april 2026 en op wat zij op de zitting van 17 april 2026 heeft verklaard; en

- de stukken met betrekking tot het onderzoek ten aanzien van een zorgmachtiging door de geneesheer-directeur, en de toelichting op de zitting van 17 april 2026 door drs. B. de Groot, GZ-psycholoog van de [instelling] te [plaats] .

Uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis, zoals hiervoor in rubriek 4.3 omschreven.

Uit die rapporten en de door de psycholoog en psychiater gegeven toelichting op de zitting volgt ook dat de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten door de verdachte (het recidiverisico) op de korte en middellange termijn wordt ingeschat als laag, zolang hij onder behandeling is (in zorg). Op de langere termijn, indien de verdachte weer middelen zou gaan gebruiken en psychotisch ontregelt, wordt het recidiverisico (buiten zorg) ingeschat als matig. Dat het op 6 en 7 juli 2025 mis is gegaan, is vooral te wijten aan het feit dat de verdachte op dat moment niet met een verplicht kader behandeld werd en er daarom niet op tijd gesignaleerd werd dat de verdachte psychotisch aan het ontregelen was. Ook is aangegeven dat de verdachte gemotiveerd is om medicatie, begeleiding en behandeling te accepteren. De psycholoog en psychiater adviseren om de behandeling meteen na detentie te laten plaatsvinden in een kliniek voor forensische GGZ en dat daarna ambulante behandeling kan volgen. Wel is er druk nodig van buitenaf om de verdachte in behandeling en in zorg te houden. Omdat de kans op herhaling bij de verdachte, mits hij behandeld wordt, niet groot is, adviseren de psycholoog en de psychiater dat de behandeling van de verdachte plaats kan vinden door verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging. Een tbs-maatregel vinden zij niet noodzakelijk. Bij het toekennen van een zorgmachtiging kan de verdachte direct worden geplaatst op een KIB (klinisch intensieve behandeling) afdeling van de [instelling] in [plaats] .

Uit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering een aantal nadelen ziet als er enkel behandeling plaats zou vinden op basis van een zorgmachtiging. Er kan niet worden uitgesloten dat de verdachte, vooral op de langere termijn, opnieuw tussen ‘wal en schip’ zou vallen als er onvoldoende grond zou worden gezien voor gedwongen zorg. Aldus zou de continuïteit van de zorg kwetsbaar zijn. Een tbs-maatregel met voorwaarden zou een sterker juridisch kader bieden waarin behandeling en toezicht dwingender kunnen worden vormgegeven, met duidelijke voorwaarden zoals medicatietrouw, abstinentie, begeleid wonen en intensieve controle. Bovendien kan bij signalen van terugval sneller worden opgeschaald. Op grond hiervan adviseert de reclassering positief over een tbs-maatregel met voorwaarden.

Uit de stukken met betrekking tot het onderzoek ten aanzien van de zorgmachtiging volgt dat de geneesheer-directeur positief adviseert ten aanzien van een zorgmachtiging, wat op de zitting ook is bevestigd door de GZ-psycholoog van de [instelling] .

Overwegingen omtrent tbs-maatregel

De rechtbank neemt het advies van de psychiater en de psycholoog over en zal geen tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee. De rechtbank stelt voorop dat zij de zorgen van de slachtoffers en overige betrokkenen begrijpt. Zij hebben vanwege de psychose van de verdachte iets vreselijks meegemaakt en zij willen dat zoiets nooit meer gebeurt. En ook de rechtbank ziet – net als alle betrokken deskundigen – de noodzaak van de behandeling van de verdachte, om te voorkomen dat de verdachte weer een psychose krijgt, met mogelijk alle gevolgen van dien. Gelet op de ernst van de feiten wordt dan al snel aan een tbs-maatregel (al dan niet met voorwaarden) gedacht. De rechtbank moet echter wel altijd kijken of er ook andere (lichtere) mogelijkheden zijn om de verdachte te behandelen en het gevaar voor herhaling te beperken, omdat een tbs-maatregel een zeer verstrekkende maatregel is. Dit wordt het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Daarbij is ook van belang om op te merken dat het opleggen van een maatregel geen bestraffend karakter heeft, maar dat gekeken wordt naar wat nodig is voor behandeling en om herhaling te voorkomen. In dit geval is er een mogelijkheid om de verdachte de vereiste behandeling te laten ondergaan in een minder verstrekkend kader dan de maatregel tbs met voorwaarden, namelijk met een zorgmachtiging. Uit de rapporten van de psycholoog en psychiater volgt namelijk dat op dit moment de kans dat het nog een keer mis gaat ingeschat wordt als laag, mits de verdachte de juiste zorg krijgt. In het kader van een zorgmachtiging kan hem de juiste zorg worden geboden en kan hij verplicht worden opgenomen in een kliniek en verplicht worden de zorg te accepteren. De verdachte zal dan wel eerst geplaatst moeten worden in een instelling voor forensische GGZ en die mogelijkheid is er. De zorgmachtiging biedt (vanwege de mogelijkheid om de zorgmachtiging steeds te verlengen) de mogelijkheden om de verdachte zo lang als nodig in zorg te houden en om ervoor te zorgen dat hij medicatie blijft nemen en niet terugvalt in middelengebruik. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen hun advies goed onderbouwd. De rechtbank weegt ook nog mee dat de verdachte een blanco strafblad heeft, dat er een duidelijk verband is tussen de psychotische stoornis en de strafbare feiten en dat de verdachte ten tijde van de strafbare feiten geen verplicht kader had waarbinnen hij behandeld werd. Dat laatste lijkt de voornaamste reden te zijn geweest dat hij is afgegleden in een psychose, zonder dat dit gesignaleerd werd.

De ambtshalve bevoegdheid tot het afgegeven van een zorgmachtiging

Met ingang van 1 januari 2020 maakt artikel 2.3 Wfz het voor de strafrechter mogelijk om met toepassing van de Wvggz een zorgmachtiging tot verplichte zorg, waaronder opname, af te geven om ernstig nadeel af te wenden.

Op grond van artikel 2.3 lid 1 van de Wfz komt de rechter de bevoegdheid toe ambtshalve een zorgmachtiging af te geven. Het ambtshalve gebruik maken van deze bevoegdheid is vanzelfsprekend alleen mogelijk als de rechtbank beschikt over de gegevens die zij nodig heeft voor die beoordeling.

De rechtbank constateert dat zij beschikt over een medische verklaring, de zorgkaart en het zorgplan inclusief de bijlagen, de bevindingen van de geneesheer-directeur en de politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel. Aldus acht de rechtbank zich bevoegd en in staat een zorgmachtiging af te geven.

Conclusie: ambtshalve verlenen zorgmachtiging

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om van haar ambtshalve bevoegdheid tot het verlenen van een zorgmachtiging gebruik te maken, omdat de rechtbank verplichte zorg aangewezen acht. De rechtbank zal daarom ambtshalve een zorgmachtiging verlenen op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz voor de duur van zes maanden. Van die beslissing is een separate beschikking opgemaakt.

Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel (ex artikel 38v Sr)

De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v Sr. De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte:

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met:

[slachtoffer 3] , geboren op [2018] ;

[slachtoffer 1] , geboren op [1988] ;

[slachtoffer 4] , geboren op [1970] ;

[slachtoffer 7] , geboren op [1973] ;

[slachtoffer 5] , geboren op [2005] ;

[slachtoffer 2] , geboren op [1973] ;

[slachtoffer 6] , geboren op [1964] ;

- zich niet ophoudt in de speeltuin aan de [straat] in Nieuwegein dan wel binnen het gebied in Nieuwegein rondom deze speeltuin, dat wordt omsloten door de [straat] , [straat] , [straat] en [straat] . De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 3 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van zes maanden.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal bovendien de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst kan worden in een kliniek met een forensisch psychiatrische afdeling of in een forensisch psychiatrische kliniek.

6. Vorderingen van de benadeelde partijen

Omschrijving van de vorderingen

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.161,00. Dit bedrag bestaat uit € 161,00 voor vergoeding van materiële schade (verplaatste schade: nieuwe bril voor haar dochter) en € 15.000,00 voor vergoeding van immateriële schade.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.113,80. Dit bedrag bestaat uit € 413,80 voor vergoeding van materiële schade (reparatie auto) en € 1.700,00 voor vergoeding van immateriële schade.

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.402,00. Dit bedrag bestaat uit € 727,00 voor vergoeding van materiële schade en € 2.675,00 voor vergoeding van immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Daggeldvergoeding ziekenhuis: € 342,00;

Eigen risico: € 385,00.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.901,12. Dit bedrag bestaat uit € 901,12 voor vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 voor vergoeding aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Kosten fysiotherapie: € 460,00;

Kosten crème: € 12,99;

Parkeerkosten: € 6,10;

Eigen risico: € 385,00;

Reiskosten: € 37,03.

Op de zitting is namens de benadeelde partij de post ii., kosten crème, verlaagd naar € 9,74, naar aanleiding van het standpunt van de advocaat dat blijkens de bon van het Kruidvat (bijlage 6 van de vordering) 25 procent korting is verleend op de crème.

De benadeelde partij vordert ook de veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij die zijn begroot op € 21,41.

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 520,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Alle benadeelde partijen verzoeken het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en zij verzoeken oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schadevergoedingen kunnen worden toegekend zoals daartoe is verzocht en hierboven is opgenomen, inclusief de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] op het standpunt dat de hoogte van de immateriële dient te worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,00.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] voert de advocaat aan dat ten aanzien van post ii., kosten crème, 25 procent korting is verleend blijkens de bon. Namens de benadeelde partij is de vordering op de zitting op dit punt verlaagd. De hoogte van de immateriële schade dient volgens de advocaat te worden gematigd tot € 1.500,00. Voor wat betreft de proceskosten voert de advocaat aan dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 6] dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De advocaat betwist de gestelde schade, omdat er geen foto’s of medische verklaring van het letsel is. De overige schade valt niet onder het bereik van het feit waarvan de verdachte beschuldigd is en is niet althans onvoldoende onderbouwd.

Tot slot verzoekt de advocaat om aan de verdachte geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Indien de rechtbank wel de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen verzoekt de advocaat het aantal dagen gijzeling op nihil te stellen. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte zeer waarschijnlijk een zorgtraject ingaat, zal hij niet in staat zijn binnen redelijke termijn aan zijn betalingsverplichtingen te voldoende. Daarmee zou de op te leggen gijzeling een punitief karakter krijgen en dat is onwenselijk.

Voor het overige heeft de advocaat geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] dat ziet op de vergoeding voor materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Voor zover de materiële schade in de vordering van [slachtoffer 2] is betwist, is deze namelijk aangepast op de zitting. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 1, 2, 3, ([slachtoffer 1]), 5 ([slachtoffer 4]), 7 ([slachtoffer 5]) en 8 ([slachtoffer 2]) bewezen verklaarde feiten. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vorderingen toe.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn of haar persoon is aangetast.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in voorkomende gevallen worden vastgesteld op basis van de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan. Het slachtoffer zal de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad in beginsel met concrete gegevens moeten onderbouwen. In uitzonderlijke gevallen (denk aan zeer ernstige feiten) kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zó voor de hand liggen, dat (reeds daarom) ook zonder onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank zal hieronder per benadeelde partij een toelichting geven op de grondslag waarop de vordering is gebaseerd en op de hoogte van het toe te wijzen bedrag.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade is in de vorderingen tot schadevergoeding veelal aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kan de rechtbank kijken naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen kan de rechtbank vervolgens bij de billijkheidsafweging betrekken. De rechtbank houdt echter ook rekening met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

[slachtoffer 3] – feit 1, 2 en 3

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval tevens is gebaseerd op de grondslag aantasting in persoon ‘op andere wijze’.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het meer subsidiaire feit, te weten mishandeling, waarbij met name van belang is dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van stekende bewegingen, waar in de vordering onder de aard van het geweld en de normschending wel uitdrukkelijk naar wordt verwezen. Dit neemt niet weg dat de gebeurtenissen heftig waren en dat dit enorm beangstigend moet zijn geweest. Het is echter wel een omstandigheid die de rechtbank moet meewegen in de beoordeling van de hoogte van de immateriële schade. Het lichamelijk letsel van de benadeelde is – gelukkig – beperkt gebleven, er is geen ernstig of blijvend lichamelijk letsel vastgesteld.

Namens de benadeelde partij zijn gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. In het verslag ‘Emotionele en praktische gevolgen Gezin [slachtoffer 3] ’ dat is opgenomen als bijlage in de vordering, concludeert Praktijk [naam] dat bij de benadeelde sprake is van emotionele schade, duidelijke traumagerelateerde klachten, ontregeling ten gevolge van het incident, ontwikkelingsrisico’s en een risico op langdurige of chronische traumaklachten. De rechtbank overweegt dat voldoende is onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel. Het geestelijk letsel is echter onvoldoende onderbouwd om op dit moment vast te kunnen stellen in welke categorie van de Rotterdamse Schaal het letsel valt. In het bijzonder kan niet worden vastgesteld dat het letsel valt in de categorie ‘ernstig’ van de Rotterdamse Schaal waarnaar verwezen wordt in de vordering. Het incident, hoe heftig ook voor de benadeelde, rechtvaardigt ook niet de conclusie dat de benadeelde er vanzelfsprekend ernstig geestelijk letsel aan zal overhouden. Om die redenen neemt de rechtbank niet alleen de categorieën van de Rotterdamse Schaal, en dan in het bijzonder de categorie ‘ernstig’ van geestelijk letsel, tot uitgangspunt. De rechtbank kijkt ook naar de relevante factoren bij een persoonsaantasting in het geval van bedreiging zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal onder paragraaf 19.5. En daarnaast kijkt de rechtbank naar de hoogte van de schadevergoeding die wordt toegekend in soortgelijke uitspraken. In onderhavige zaak kent de rechtbank gewicht toe aan de zeer jonge leeftijd van de benadeelde, slechts zeven jaar oud ten tijde van de feiten, en de aard van de intimiderende handelingen van de verdachte. De verdachte zat onder het bloed, had een schaar in zijn hand en hield de benadeelde van haar vrijheid beroofd waardoor zij niet weg kon uit de situatie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade toe tot een bedrag van € 7.500,00. Voor het meer gevorderde is meer onderbouwing nodig en daar is in dit strafproces geen ruimte meer voor. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.

[slachtoffer 1] – feit 1, 2 en 3

De benadeelde partij vordert vergoeding van schokschade. Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) blijkt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van schokschade het volgende moet meewegen:

de aard, de toedracht en de gevolgen van het tegen het slachtoffer gepleegde feit, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het slachtoffer toegebrachte leed;

de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de tegen het slachtoffer gepleegde feit en de gevolgen daarvan;

de aard en hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.

Het bestaan van geestelijk letsel kan in het algemeen alleen worden aangenomen als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een diagnose is daarvoor niet vereist, maar het bestaan van geestelijk letsel moet wel kunnen worden vastgesteld op grond van een rapport van een bevoegde en bekwame deskundige, zoals een psychiater, huisarts of psycholoog. Als sprake is van geestelijk letsel, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van schokschade, dit is door de verdediging ook niet betwist. De benadeelde partij is de moeder van het zeer jonge slachtoffer en was aanwezig toen de verdachte het slachtoffer had vastgegrepen en op haar zat. De benadeelde heeft de verdachte, onder het bloed, met een schaar in zijn hand, op haar dochter zien zitten. Zij is op de verdachte en haar dochter afgerend om haar dochter te bevrijden. Zij hoorde de verdachte roepen ‘ik ga haar vermoorden’. De rechtbank twijfelt er niet aan dat deze confrontatie een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht bij de benadeelde en ook niet dat daaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Het geestelijk letsel blijkt ook uit het verslag ‘Emotionele en praktische gevolgen Gezin [slachtoffer 3] ’ van Praktijk [naam] , dat is overgelegd bij de vordering. Uit het verslag blijkt dat er sprake is van traumagerelateerde klachten, aanhoudende angst en vermijding, hyperalertheid en psychische en praktische overbelasting. Deze klachten zijn direct gelinkt aan het incident. Dit verslag is medeondertekend door een GZ-psycholoog.

Het geestelijk letsel is voldoende onderbouwd. Het geestelijk letsel is echter onvoldoende onderbouwd om op dit moment vast te kunnen stellen in welke categorie van de Rotterdamse Schaal het letsel valt, in het bijzonder om te kunnen vaststellen dat het letsel valt in de categorie ‘ernstig’ van de Rotterdamse Schaal waarnaar verwezen wordt in de vordering. Het incident, hoe heftig ook voor de benadeelde, rechtvaardigt ook niet de conclusie dat de benadeelde er vanzelfsprekend ernstig geestelijk letsel aan zal overhouden. Om die redenen neemt de rechtbank niet alleen de categorieën van de Rotterdamse Schaal, en dan in het bijzonder de categorie ‘ernstig’ van geestelijk letsel, tot uitgangspunt. De rechtbank kijkt ook naar de hoogte van de schadevergoeding die wordt toegekend in soortgelijke uitspraken. Zij kijkt hierbij naar zaken waarin het gaat om steekincidenten waarbij het tot zeer ernstig letsel kwam en waarbij de benadeelde is geconfronteerd met het steekincident en dat letsel. De rechtbank komt op basis daarvan tot een matiging van het toe te kennen bedrag. In onderhavige zaak kent de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag gewicht toe aan de zeer jonge leeftijd van het slachtoffer, slechts zeven jaar oud ten tijde van de feiten en de aard van de intimiderende handelingen van de verdachte. De verdachte zat onder het bloed, had een schaar in zijn hand en riep dat hij het slachtoffer ging vermoorden. Die combinatie van handelingen wekte bij de benadeelde de indruk dat de verdachte het dreigement daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen, althans dat haar dochter zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade toe tot een bedrag van € 7.500,00. Voor het meer gevorderde is meer onderbouwing nodig en daar is in dit strafproces geen ruimte meer voor. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

[slachtoffer 4] – feit 4 en 5

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De vordering is door de verdediging niet betwist. De benadeelde heeft in het verzoek tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring voldoende onderbouwd en concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. De benadeelde heeft last van herbelevingen, is emotioneler dan voorheen en warrig in zijn hoofd. De benadeelde is door de huisarts doorverwezen naar de praktijkondersteuner. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering geheel kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.700,00.

[slachtoffer 5] – feit 7

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De vordering is door de verdediging niet betwist. De benadeelde heeft in het verzoek tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring voldoende onderbouwd en concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Zij is kort na het gepleegde feit opgenomen in het ziekenhuis vanwege een acute stressreactie met dissociatieve en katatone kenmerken. Tijdens de ziekenhuisopname kreeg de benadeelde regelmatig paniekaanvallen. Daarna was zij nog angstig, ervaarde stress en had last van nachtmerries en herbelevingen. De rechtbank kijkt echter ook naar bedragen die in soortgelijke zaken (bedreiging) als schadevergoeding worden toegekend en komt op een lager bedrag uit. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding billijk is. Voor het meer gevorderde is meer onderbouwing nodig en daar is in dit strafproces geen ruimte meer voor. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

[slachtoffer 2] – feit 8

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval tevens is gebaseerd op de grondslag aantasting in persoon ‘op andere wijze’.

De benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een schouder-armblessure. De benadeelde is in behandeling (geweest) bij een fysiotherapeut en heeft sinds maart 2026 geen pijn meer, maar is wel beperkt in bewegingen. Uit de vordering volgt dat de benadeelde naast het lichamelijk letsel ook psychische klachten heeft overgehouden aan het incident. Bij de benadeelde is PTSS vastgesteld. De benadeelde heeft meerdere EMDR-sessies gehad en er zullen nog sessies volgen voor de PTSS-klachten. De benadeelde ervaart nog angstgevoelens om naar de plaats van het incident te gaan.

Ten aanzien van de categorisering van het geestelijk letsel, de PTSS, geldt het volgende. In de vordering wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 14.2 van de Rotterdamse Schaal, bij de categorie minder ernstig. Hoewel er bij de verdachte PTSS is vastgesteld, leest de rechtbank in het behandelplan van de psycholoog van 15 oktober 2025 dat de diagnose, naast de worsteling, ook is gebaseerd op het achterna gerend worden met de schaar door de verdachte en de dreiging van de grote honden van de verdachte. Het ten laste gelegde feit in de onderhavige zaak is de mishandeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het geestelijk letsel op dit moment onvoldoende is onderbouwd in relatie tot het bewezen feit, zodat niet kan worden vastgesteld in welke categorie van de Rotterdamse Schaal het letsel valt. De rechtbank kijkt verder naar bedragen die door rechters in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.675,00. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Voor het meer gevorderde is meer onderbouwing nodig en daar is in dit strafproces geen ruimte meer voor. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

[slachtoffer 6] – feit 9

De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op het lichamelijk letsel dat hij zou hebben opgelopen als gevolg van het ten laste gelegde feit, waardoor hij in de persoon is aangetast. Het lichamelijke letsel bestaat kort gezegd uit rode striemen op zijn buik.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van hetgeen bewezen is verklaard. De vordering tot schadevergoeding bevat geen foto’s of medische verklaring van het letsel. De benadeelde heeft daarnaast een onderbouwing van psychische gevolgen en een verklaring van de casemanager van Altrecht gegeven voor het psychisch leed dat hij heeft ondervonden. Uit de overgelegde informatie komt naar voren dat er bij benadeelde sprake was van angst, stress en slapeloze nachten. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van psychisch letsel dat in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit hiermee vooralsnog niet kan worden vastgesteld en dat nadere bewijslevering op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij krijgt dan ook geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Proceskosten

[slachtoffer 2]

De benadeelde [slachtoffer 2] heeft € 21,41 aan proceskosten gevorderd. De benadeelde heeft een pro-formazitting bezocht in de rechtbank en daarbij werd de benadeelde niet vertegenwoordigd door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland. Hierbij heeft de benadeelde reiskosten (€ 7,26) en parkeerkosten (€ 14,15) gemaakt. Op grond van art. 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komen reis- en verblijfkosten voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde advocaat – wordt geprocedeerd. De benadeelde partij werd op de pro-formazitting niet bijgestaan door een advocaat. De rechtbank zal het gevorderde bedrag toewijzen.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6]

De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de overige benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de in het dictum te noemen bedragen. Bij niet betaling steeds bij elke vordering aan te vullen met het daarachter vermelde aantal dagen gijzeling. De rechtbank ziet in de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen aanleiding de gijzeling geheel achterwege te laten. De schadevergoedingsmaatregel is niet bedoeld als straf. Bij oplegging van een maatregel speelt, anders dan bij een straf, de mate van verwijtbaarheid geen rol. Bovendien wordt bij de tenuitvoerlegging van de maatregel rekening gehouden met draagkracht. Gijzeling wordt namelijk niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij niet in staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregel en beslissing zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 55, 57, 282, 285, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1 primair en subsidiair en feit 4 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

38v-maatregel

- [slachtoffer 3] , geboren op [2018] ;

- [slachtoffer 1] , geboren op [1988] ;

- [slachtoffer 4] , geboren op [1970] ;

- [slachtoffer 7] , geboren op [1973] ;

- [slachtoffer 5] , geboren op [2005] ;

- [slachtoffer 2] , geboren op [1973] ;

- [slachtoffer 6] , geboren op [1964] ;

vorderingen tot schadevergoeding

benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 1, 2 en 3)

benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1, 2 en 3)

benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4 en 5)

benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 7)

benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 8)

benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 9)

voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst kan worden in de [instelling] of een andere forensische GGZ instelling.

Zorgmachtiging: gelet op artikel 2.3 van de Wet forensische zorg zal ten aanzien van verdachte een zorgmachtiging volgens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg worden verleend. De beslissing tot verlening van een zorgmachtiging zal separaat worden opgemaakt en aan dit vonnis worden gehecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. O. Böhmer en

mr. N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

feit 1 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3] , van het leven te beroven,- met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in/tegen/in de richting van het hoofd, de hals, de nek, de rug en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft gestoken en/of geprikt en/of geslagen, - een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel en/of de nek van die [slachtoffer 3] heeft gedrukt en/of (gedrukt) heeft gehouden,- die [slachtoffer 3] tegen de grond heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden, en/of- met zijn lichaam op die [slachtoffer 3] heeft gezeten en/of gelegen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in/tegen/in de richting van het hoofd, de hals, de nek, de rug en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft gestoken en/of geprikt en/of geslagen,- een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel en/of de nek van die [slachtoffer 3] heeft gedrukt en/of (gedrukt) heeft gehouden,- die [slachtoffer 3] tegen de grond heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden, en/of- met zijn lichaam op die [slachtoffer 3] heeft gezeten en/of gelegen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door- met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in/tegen/in de richting van het hoofd, de hals, de nek, de rug en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] te gestoken en/of te prikken en/of te slaan,- een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel en/of de nek van die [slachtoffer 3] te drukken en/of (gedrukt) te houden,- die [slachtoffer 3] tegen de grond te drukken en/of gedrukt te houden, en/of- met zijn lichaam op die [slachtoffer 3] te zitten en/of te liggen;

feit 2 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel en/of de nek van die [slachtoffer 3] te drukken en/of (gedrukt) te houden, en/of- dreigend te zeggen dat hij haar, die [slachtoffer 3] , gaat vermoorden;feit 3hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door- die [slachtoffer 3] vast te pakken en/of vast te houden en/of met zich mee te trekken en/of- die [slachtoffer 3] tegen de grond te drukken en/of duwen en/of op haar te zitten en/of over haar heen te hangen en/of- een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel en/of de nek van die [slachtoffer 3] te drukken en/of (gedrukt) te houden;

feit 4 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd, de nek en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 4] heeft gestoken en/of geslagen en/of geprikt, althans zwaaiende bewegingen met dat voorwerp heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd, de nek en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 4] heeft gestoken en/of geslagen en/of geprikt, althans zwaaiende bewegingen met dat voorwerp heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, dreigende steekbewegingen in de richting van die [slachtoffer 4] te maken,- met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd, de nek en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 4] te steken en/of slaan en/of prikken, en/of- meermalen, althans eenmaal, tegen de ramen en het dak van het voertuig, waarin die [slachtoffer 4] zich bevond, te slaan;

feit 5 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Opel Zafira), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 4] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 6 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand in de richting van en/of achter die [slachtoffer 7] (aan) te rennen en/of te lopen;

feit 7 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand achter en/of in de richting van die [slachtoffer 4] (aan) te rennen en/of te lopen;

feit 8 hij, op of omstreeks 7 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te duwen, waardoor hij ten val kwam;

feit 9 hij, op of omstreeks 6 juli 2025 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 6] heeft mishandeld, door (met kracht) met een riem en/of kabel en/of snoer tegen de buik en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 6] te slaan.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 7 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben de moeder van [slachtoffer 3] . Mijn dochter is net 7 jaar oud. Op 7 juli 2025, ging mijn dochter buiten spelen in het speeltuintje tussen de [straat] en de [straat] in Nieuwegein. Terwijl zij net aan het spelen was hoorde ik veel herrie buiten en zag ik een man, welke woont op de [adres] , lopen in de speeltuin. Ik zag dat hij mijn dochter, bij het speeltoestel beet had. Ik zag dat die man mijn dochter tegen de grond drukte en half over haar heen lag. Ik ben naar buiten gerend om mijn dochter te helpen. Toen ik daar aan kwam zag ik dat die man een schaar op haar keel hield. Ik greep die man beet en trok hem van mijn dochter af.

- het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 8 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: We zijn hier in verband met het steekincident waarbij jouw dochter slachtoffer is geworden. Kunt u vertellen wat er is gebeurd?

A: Ineens had ik door dat hij op haar zat. En hij zei letterlijk: “Ik ga haar vermoorden”. Hij pakte haar vast met haar rug tegen zijn borst en die schaar. Hij dreigde haar iets aan te doen. [slachtoffer 3] lag op haar buik en op haar rechterwang. Op haar linkerwang heeft ze die steekwond.

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 juli 2025 heeft een poging doodslag plaatsgevonden aan de [straat] te Nieuwegein. Het slachtoffer in deze zaak is de 7-jarige [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] werd verhoord in een kindvriendelijke studio.

A: Ik was aan het spelen in de speeltuin en toen kwam die man met een schaar. Toen pakte hij mij van achter. Ik lag op mijn buik en toen ging hij op mij zitten. Toen had hij die schaar bij mijn oor gezet. Hij hield mij bij de grond vast en hij duwde mij naar beneden. Toen lag ik en hij hield mij vast met zijn hand op mijn rug. Hij heeft mij met de schaar geraakt bij mijn wang en bij mijn oor.

- het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 9 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Voorafgaand aan het door ons ingestelde forensische onderzoek, verkregen wij de volgende informatie: Een 7-jarig meisje zou zijn aangevallen met een schaar. Daarbij zou het meisje

verwondingen hebben opgelopen aan het gezicht en mogelijk aan haar rug. Het slachtoffer betrof: [slachtoffer 3] .

Wij hebben de volgende letsels waargenomen:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 juli 2025 hoorde ik, verbalisant, de melding om te gaan naar de [straat] te Nieuwegein. Ik hoorde dat de verdachte een meisje vastgepakt had en het mes of de schaar tegen haar keel had gezet waardoor een kras was ontstaan. De verdachte werd aangehouden. De verdachte bleek te zijn:

Voornaam: [voornaam]

Voorvoegsel: […]

Achternaam: [verdachte]

Geboortedatum [1977] .

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 8 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik stond op 7 juli 2025 bij het keukenraam. Ik keek naar het speelveld. Ik zag dat een man kwam aanrennen en hij trok aan een meisje. Hij pakte het meisje vast. Hij had een schaar vast. En het laatste puntje van de schaar had hij in de buurt van haar nek. En hij had dat puntje gewoon tegen haar nek aan. En toen heeft hij gezegd: ‘ik vermoord haar, ik steek haar neer.’

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 7 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 juli 2025 ben ik naar het speeltuintje gerend tussen de [straat] en de [straat] . Ik zag op het speelveld [slachtoffer 3] liggen bij het speeltoestel en ik zag een man boven op haar zitten. Ik zag dat hij een schaar vast had. Ik kon deze schaar uit zijn hand trekken en vervolgens zag ik dat die man mij een harde duw gaf. Ik heb toen met hem geworsteld en dankzij een buurman, die die man een schop gaf kon ik overeind komen. Door de worsteling met die man heb ik een pijnlijke borst, schouder en rug overgehouden.

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 15 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Toen ik (de rechtbank begrijpt op 7 juli 2025) aankwam zag ik op het bergje een man op het vriendinnetje van mijn dochter zitten. Toen ik weer zicht kreeg op de man zag ik dat hij aan het worstelen was met [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt getuige [slachtoffer 2]). Ik zag dat [slachtoffer 2] samen met de man op de grond lag. Ik zag dat hij de schaar had afgepakt.

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 7 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 juli 2025 parkeerde ik mijn auto tegenover [adres] om mijn vrouw op te halen. Ik zag dat de voordeur van [adres] open ging. De persoon die uit de woning

woning gelopen kwam heb ik vaker gezien. Ik zag dat hij in een van zijn handen een schaar vast had. Vervolgens zag ik dat hij richting mijn voertuig gelopen kwam. Ik zag vervolgens dat hij naar de bestuurderszijde van mijn auto gelopen kwam. Ik zat zelf in mijn voertuig achter het stuur, en had mijn raam aan bestuurderszijde volledig open staan. Ik hoorde dat de man schreeuwde, en met het grote schaar dreigde. Ik zag dat dreigende steekbewegingen maakte in mijn richting, hij heeft dit een aantal keren de dreigende steekbewegingen gemaakt in mijn richting. Ik zag dat de man op nog geen 20 centimeter afstand stond. Ik zag vervolgens dat hij met de schaar een daadwerkelijke steekbeweging maakte in de richting van mijn hoofd/nek. Ik zag dat hij met zijn onderarm en schaar in mijn auto mij probeerde te steken. Ik kon de steekbeweging op tijd ontwijken. Ik zag kans om bestuurdersraam dicht te doen. Ik reed hard weg. Ik hoorde vervolgens een flinke klap tegen mijn auto op het moment dat ik wegreed.

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 7 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaar van een Opel Zafira met kenteken [kenteken] . Op 7 juli 2025 reed ik naar de [adres] te [woonplaats] . Ik zette mijn auto voor de deur. Ik zag dat de buurman van nummer [huisnummer] uit zijn voordeur kwam. Ik zag dat hij een schaar in zijn handen had. Nadat mijn raam dicht was, zag ik hem op mijn auto slaan. Zowel tegen mijn ramen en op mijn dak. Ook

stak hij een keer tegen mijn raam. Hierdoor heb ik een kras op mijn raam.

- de eigen waarneming van de rechtbank van de foto’s als bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] :

De rechtbank neemt op de foto’s op pagina 112 waar dat er krassen op de autoruit van het voertuig te zien zijn.

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] d.d. 8 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij waren binnen bij mijn moeder thuis. Mijn zwager betreft [slachtoffer 4] . Ik liep naar zijn auto toe. Ik keek naar het huis van de buurman van mijn ouders (de rechtbank begrijpt telkens: de verdachte). Ineens zag ik de buurman tegen de vuilcontainer leunen. Ik ben toen van hem weggelopen. Ik zag dat de buurman naar mij toe kwam lopen. Ik was al een stuk bij hem vandaan gelopen, maar ik zag dat de buurman naar de auto van [slachtoffer 4] liep. Ik zag dat de buurman stekende bewegingen maakte richting [slachtoffer 4] . Ik zag dat hij vlak naast het portier stond. Het volgende moment zie ik dat [slachtoffer 4] weg kon rijden in zijn auto. Ik zag dat de buurman weer achter mij aan kwam. Ik rende naar het huis van mijn moeder met mijn nichtje [slachtoffer 5] . Wij werden toen met de schaar achterna gezeten door de buurman. Ik zag dat hij de schaar nog vast had. Ik denk dat hij op ongeveer 1,5 meter afstand achter ons aan rende.

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] d.d. 11 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mijn moeder werd opgehaald door mijn vader en ik was met mijn vriendin in de keuken. Ik zag de buurman van mijn oma naar buiten rennen naar mijn vader. Ik zag dat hij een schaar had in zijn hand. Uit schrik rende ik naar buiten. Hij rende achter mij en mijn tante aan. Ik zag dat hij bij mijn vader stond met een schaar. Mijn vader zat in de auto. Aan de bestuurderskant stond de buurman. Hij wees echt met de schaar naar mijn vader toe. Hij had de schaar in zijn hand. Hij probeerde mijn vader in zijn nek te raken. Mijn vader ging naar achteren. Hij maakte stekende bewegingen naar mijn vader richting de nek van mijn vader. Hij raakte hem net niet, want mijn vader dook weg. Toen hij achter mij aan rende zei hij ‘whaa’ en rende hij achter mij en mijn tante aan. Hij keek me aan en maakte dat geluid. Ik dacht klaar, die gaat mij doodmaken. Of neersteken. Hoe hij naar mij keek, en dat hij gelijk naar me toe kwam. Ik vreesde voor mijn leven.

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] d.d. 10 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik woon op de [adres] te [woonplaats] . Ik ben een hospita verhuurder. Ik verhuur

twee slaapkamers. Ik verhuur aan [verdachte] . Op 6 juli 2025 was ik thuis in de ochtend. Ik lag op de bank in de woonkamer. [verdachte] was er ook. Hij was psychotisch en had het er maar over dat zijn geld gestolen was. Uit het niets kwam [verdachte] op mij aflopen en sloeg heel hard met een riem op mijn buik. Dit deed ontzettend pijn.

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 6] deed aangifte van mishandeling op 10 juli 2025. In deze aangifte verwees [slachtoffer 6] naar [verdachte] als zijnde dader van de mishandeling en gaf hij aan een filmfragment hiervan te bezitten en dit beschikbaar te stellen aan de politie.

Ik zag in dit filmfragment een huiskamer en links in beeld een persoon in liggende positie. Hierna te noemen: slachtoffer. Rechts in beeld zag ik een man in beeld komen. Hierna te noemen verdachte. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een lang dun voorwerp vasthield. Dit voorwerp deed mij denken aan een snoer/draad.Ik zag dat de verdachte met het snoer een slaande beweging maakte richting het slachtoffer wat in de woonkamer lag. Ik hoorde het slachtoffer meermaals hard: ‘au’ en ‘ah’ roepen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand