RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/606400 / FL RK 26-164
Beëindiging van het ouderlijk gezag
Beschikking van de meervoudige kamer van 14 augustus 2026
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming
locatie Utrecht, hierna te noemen: de Raad,
over het kind:
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A.L. Witteveen, kantoorhoudende in Rotterdam,
[de vader] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. E. Lucas, kantoorhoudende in Lelystad,
[pleegvader] en [pleegmoeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders,
de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en
Reclassering, gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de GI.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift (met bijlagen) van de Raad, binnengekomen op 3 februari 2026;
aanvullende bijlagen van de Raad, binnengekomen op respectievelijk 4 februari en 22 juni 2026;
het verweerschrift (met bijlagen) van de moeder met daarin een zelfstandig verzoek, binnengekomen op 26 juni 2026.
Het verzoek is door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door mr. F. Pool, waarnemend advocaat;
de vader en zijn advocaat;
de pleegmoeder;
[A.] namens de Raad;
[B.] namens de GI;
De pleegvader heeft een uitnodiging van de rechtbank gekregen, maar is niet naar de zitting gekomen. De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan [C.] , begeleider van de moeder.
2. Waar de procedure over gaat
De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] staat sinds 28 maart 2024, als toen nog ongeboren kind, (voorlopig) onder toezicht van de GI. Hierdoor heeft [minderjarige] een gezinsvoogd, ook wel een jeugdbeschermer genoemd. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is na de eerste ondertoezichtstelling telkens verlengd en loopt nu tot 11 juni 2027.
Op 3 mei 2024 is een machtiging gegeven om [minderjarige] vanaf zijn geboorte met een (spoed)machtiging van de kinderrechter uit huis te plaatsen. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna telkens verlengd, de laatste keer tot 11 juni 2027.
[minderjarige] verblijft sinds 16 december 2024 in het huidige pleeggezin.
De Raad verzoekt de rechtbank om het gezag van de ouders te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten. De GI heeft per brief van 29 januari 2026 laten weten dat zij bereid is om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de Raad. Zij verzoekt de rechtbank om het verzoek tot beëindiging van haar ouderlijk gezag af te wijzen en een nader onderzoek te gelasten in de vorm van een gezinsopname of een NIFP-onderzoek.
De vader is het ook niet eens met het verzoek van de Raad. Hij wil dat de rechtbank dit verzoek afwijst.
3. De beoordeling
De beslissing
De rechtbank zal het verzoek van de Raad toewijzen en het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigen en de GI met de voogdij over hem belasten. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij zo beslist.
Het juridisch kader bij gezagsbeëindiging
Een gezagsbeëindiging is de meest vergaande kinderbeschermingsmaatregel. Volgens de wet kan de rechtbank het gezag van een ouder of van beide ouders beëindigen als het kind opgroeit op een manier waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De ‘aanvaardbare termijn’ is de periode waarbinnen het voor het kind duidelijk moet zijn waar het zal opgroeien.
Daarnaast moet de rechtbank volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) beoordelen of een gezagsbeëindiging noodzakelijk is, of deze maatregel in verhouding staat tot het doel dat ermee wordt bereikt en of hetzelfde doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt. Ook geldt als uitgangspunt dat na een uithuisplaatsing wordt gewerkt aan terugkeer van een kind naar zijn ouders, tenzij duidelijk wordt dat dit niet meer in zijn belang is.
Is de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn verstreken?
De rechtbank is van oordeel dat de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn is verstreken.
[minderjarige] is een jongetje van twee jaar oud dat in zijn korte leven al veel onstabiliteit en onveiligheid heeft meegemaakt. Wegens de grote zorgen over de woonsituatie van de ouders en het persoonlijk functioneren van de moeder is hij al voor zijn geboorte voorlopig onder toezicht gesteld en direct na de geboorte in een crisispleeggezin is geplaatst. Daarna heeft de moeder samen met [minderjarige] bij moeder-kindhuis [naam] verbleven, vervolgens bij een andere kleinschalige setting en opnieuw bij [naam] . Ondanks de inzet van intensieve een-op-een-begeleiding kon de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd worden en zijn deze plaatsingen vroegtijdig beëindigd. [minderjarige] is toen opnieuw met spoed in een crisispleeggezin geplaatst en sinds december 2024 verblijft hij in het huidige, perspectiefbiedende pleeggezin. In de eerste zeven maanden van zijn leven heeft [minderjarige] , als de verschillende plaatsingen binnen het moeder-kindhuis worden meegeteld, op zes verschillende plekken gewoond.
In het huidige pleeggezin ontwikkelt [minderjarige] zich inmiddels leeftijdsadequaat. Hij krijgt daar de structuur, duidelijkheid, veiligheid en stimulatie die hij nodig heeft. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat inhoudt dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin ligt. Dit betekent dat hij daar zal opgroeien en dat de GI niet langer hulpverlening inzet die gericht is op het toewerken naar een thuisplaatsing. In plaats daarvan zet de GI nu in op het uitbreiden van het contact tussen [minderjarige] en de ouders.
De moeder heeft aangevoerd dat zij op dit moment een positieve ontwikkeling doormaakt. Zij heeft een vaste verblijfsplek, accepteert hulpverlening en gebruikt medicatie. Volgens de moeder staat daarom niet vast dat zij niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De moeder betwist ook dat de voor [minderjarige] aanvaarbare termijn is verstreken. Hij is namelijk nog maar twee jaar oud. Daardoor ervaart hij nog geen onduidelijkheid over waar hij zal opgroeien, aldus de moeder. De vader sluit zich daarbij aan.
De rechtbank is van oordeel dat de positieve ontwikkeling van de moeder, hoe goed van haar ook, niet maakt dat de verwachting reëel is dat zij binnen afzienbare tijd in staat zal zijn om voor [minderjarige] te zorgen. Deze ontwikkeling is niet alleen pril, maar volgens de GI ook kwetsbaar. De ouders zijn nog ver van een thuisplaatsing verwijderd. Dit blijkt ook uit de huidige omgangsregeling: op dit moment heeft [minderjarige] met allebei de ouders één uur per week begeleide omgang. Hoewel de omgangsmomenten overwegend positief verlopen en het de bedoeling is dat deze worden uitgebreid, is het maar een minimale regeling en bovendien blijven de omgangsmomenten begeleid.
De rechtbank stelt bij haar beslissing het belang van [minderjarige] voorop. Zijn belang is de eerste overweging en dan pas volgt het belang van de ouders. Naarmate [minderjarige] ouder wordt, wordt het voor hem steeds belangrijker dat duidelijk is waar hij zal opgroeien. Daar komt bij dat [minderjarige] inmiddels al een groot deel van zijn leven in het pleeggezin woont. Voor hem is dat zijn thuis. Een plaatsing bij (één van) de ouders zal hij volgens de GI juist ervaren als een uithuisplaatsing. Het is daarom voor [minderjarige] van belang dat hij geen onzekerheid ervaart over waar hij zal opgroeien, ook al is hij nog maar twee jaar. Hoewel de aanvaardbare termijn voor ieder kind en gezin anders is, is deze termijn voor jonge kinderen kort, omdat zij zich snel hechten aan de plek waar zij opgroeien. [minderjarige] woont inmiddels al anderhalf jaar in het huidige pleeggezin. Naar het oordeel van de rechtbank is de voor hem aanvaardbare termijn daarmee ruimschoots verstreken. De rechtbank volgt hiermee het advies van de Raad.
Is het beëindigen van het gezag van de ouders noodzakelijk en proportioneel?
De rechtbank is van oordeel dat een gezagsbeëindiging noodzakelijk en proportioneel is en dat niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden volstaan. De rechtbank zal daarom het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigen en de GI belasten met de voogdij. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn naar hun aard tijdelijke maatregelen. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin is en dat niet langer wordt toegewerkt naar een plaatsing bij een van de ouders. Dat betekent dat jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer de juiste juridische maatregelen zijn. Daar komt bij dat de moeder zich niet neerlegt bij het perspectiefbesluit. Zij erkent dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt in het pleeggezin, maar zij blijft van mening dat hij in de toekomst weer bij (één van) zijn ouders kan en moet wonen. Zij zal blijven ‘vechten’. Hierdoor is een vrijwillige uithuisplaatsing niet mogelijk en zal er onzekerheid ontstaan bij [minderjarige] over waar hij zal opgroeien, voor zover hij die onzekerheid niet al ervaart. Dat is niet in zijn belang.
Tot slot weegt mee dat de ouders hun gezag in het verleden niet altijd in het belang van [minderjarige] hebben uitgeoefend. In 2025 hebben zij geweigerd toestemming te verlenen voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] , waardoor vervangende toestemming van de kinderrechter noodzakelijk was. Gelet op de houding van met name de moeder ten aanzien van het perspectief van [minderjarige] , acht de rechtbank het risico aanwezig dat ook toekomstige gezagsbeslissingen worden gebruikt om de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin ter discussie te stellen.
Voogdij
Nu het gezag van de ouders wordt beëindigd, is de vraag wie de voogdij over [minderjarige] moet uitoefenen. De Raad adviseert de voogdij bij de GI te beleggen. Ook de GI heeft geadviseerd de voogdij bij een onafhankelijke derde te leggen en niet bij de pleegouders. De rechtbank volgt dit advies. Wanneer de pleegouders de voogdij over [minderjarige] zouden krijgen, bestaat het risico dat de verstandhouding tussen de ouders en pleegouders onder druk komt te staan als zij het niet eens worden over te nemen beslissingen. Dat zou niet in het belang van [minderjarige] zijn.
Het verzoek van de moeder tot onderzoek
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om een onderzoek te gelasten naar onder meer haar (opvoed)capaciteiten, de opvoedbehoefte van [minderjarige] en de mogelijkheden tot thuisplaatsing afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Op grond van de wet kan een deskundigenonderzoek alleen worden gelast als dit mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. Daarvan is hier geen sprake. De moeder heeft toegelicht dat zij met een deskundigenonderzoek alsnog een eerlijke kans wil krijgen om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. Volgens haar wordt bovendien onvoldoende gewicht toegekend aan de positieve ontwikkeling die zij op dit moment doormaakt. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank die positieve ontwikkeling bij haar beoordeling betrokken. Dat leidt echter niet tot een ander oordeel. De moeder heeft in de afgelopen jaren meerdere kansen gekregen om, met intensieve hulpverlening en begeleiding, toe te werken naar een veilige thuisplaatsing van [minderjarige] . Deze kansen zijn uitgebreid uiteengezet in de stukken en betrokken bij eerdere beslissingen van deze rechtbank en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Naar het oordeel van de rechtbank is de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn inmiddels verstreken en ligt zijn perspectief in het pleeggezin. Een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder, de opvoedbehoeften van [minderjarige] of de mogelijkheden van een thuisplaatsing kunnen daarom niet meer bijdragen aan de beslissing die de rechtbank in deze procedure moet nemen. De rechtbank ziet daarom (net als rechtbank en gerechtshof eerder) geen aanleiding een deskundigenonderzoek te gelasten.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ;
benoemt de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering tot voogd van [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. K.G. van de Streek (voorzitter),
mr. M.M. Janssen – Witteveen en mr. N. Durdabak, kinderrechters, in samenwerking met M.R. Meijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.