RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12122476 \ UC EXPL 26-1873
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] , HANDELENDE ONDER DE NAAM [handelsnaam 1] EN [handelsnaam 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 februari 2026,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 22 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft een tweedehands BMW E24 (hierna: de auto) van [gedaagde] gekocht. Hij is er na de koop achter gekomen dat een deel van de onderhoudswerkzaamheden die aan de auto zouden zijn uitgevoerd aan een andere auto zijn uitgevoerd. Volgens [eiser] voldoet de auto daarom niet aan de overeenkomst en wil hij dat de koopprijs met € 3.892,17 wordt verlaagd. Dit bedrag vordert hij dan ook in deze procedure, vermeerderd met rente en proceskosten. Volgens [gedaagde] voldoet de auto wel aan de overeenkomst. De kantonrechter geeft [eiser] gedeeltelijk gelijk en wijst een bedrag van € 2.000,00 toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
3. De beoordeling
Er is sprake van consumentenkoop
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] een koper is met bovengemiddelde kennis, ervaring en onderzoeksmogelijkheden op het gebied van bijzondere auto’s. Voor zover [gedaagde] daarmee bedoelt dat [eiser] niet kan worden aangemerkt als consument of dat de consumentenbescherming niet voor hem geld, oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] consument is en dat de deskundigheid van [eiser] niet maakt dat de regels voor consumentenkoop niet voor [eiser] gelden.
De gekochte auto beantwoord niet aan de overeenkomst
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] op Marktplaats.nl de auto heeft aangeboden met de mededeling dat deze recent volledig technisch in orde is gebracht en dat er een factuur van een specialist, [onderneming] (hierna: de garage), van ruim € 6.000,00 aanwezig is waaruit dat blijkt (hierna: de onderhoudsfactuur). De onderhoudsfactuur is vóór de koop door [gedaagde] aan [eiser] gegeven.
De eerste vraag die partijen in dit geschil verdeeld houdt, is of de auto non-conform is in de zin van artikel 7:17 BW. Voor het antwoord op de vraag of een zaak non-conform is, moet beoordeeld worden of de zaak beantwoordt aan de tussen partijen gesloten overeenkomst. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
Daarvan is in dit geval sprake, omdat een groot deel van de werkzaamheden op de onderhoudsfactuur niet zijn uitgevoerd aan de auto, maar aan een andere auto (hierna: de BMW Z3). Dit blijkt uit een e-mail van de garage, waarbij een bijlage is gevoegd waarop de onderhoudswerkzaamheden aan de BMW Z3 zijn gemarkeerd. [gedaagde] heeft de juistheid daarvan niet betwist. Hiermee staat vast dat de aan [eiser] geleverde auto niet het onderhoud heeft gehad dat op de onderhoudsfactuur vermeld staat en dat de auto niet volledig technisch in orde is gebracht voor het bedrag van ruim € 6.000,00. Daarmee is er in dit geval sprake van non-conformiteit.
Anders dan [gedaagde] nog heeft aangevoerd maakt voor het voorgaande niet uit dat [eiser] een korting van € 1.500,00 bij de aankoop heeft bedongen. [eiser] heeft daarover onbetwist aangevoerd dat die korting te maken had met andere zichtbare kleine gebreken. Dat er geen garantie op de auto is gegeven doet ook aan het voorgaande niet af, omdat ook in dat geval geldt dat de auto wel aan de overeenkomst moet beantwoorden. Als laatste maakt het ook niet uit dat [gedaagde] - als tussenpersoon - niet wist dat een deel van de onderhoudswerkzaamheden aan een andere auto zijn verricht. [gedaagde] is de professionele verkoper en hij heeft uitdrukkelijk met die onderhoudsfactuur geadverteerd. Dat achteraf blijkt dat de onderhoudswerkzaamheden niet aan de auto zijn verricht, komt voor zijn rekening en risico.
De koopprijs wordt verminderd
[eiser] voert aan dat de auto minder waard was bij de aankoop, omdat het onderhoud voor ruim € 6.000,00 niet is uitgevoerd. Hij sluit voor de vermindering van de koopprijs aan bij het deel van de onderhoudsfactuur wat aan de BMZ Z3 is uitgevoerd, een bedrag van € 3.892,17.
[eiser] is pas bevoegd om de prijs te verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene als herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, danwel de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 7:21 lid 3 BW.
Herstel en vervanging zijn in dit geval onmogelijk. Het onderhoud en de reparaties, zoals vermeld in de onderhoudsfactuur, zijn uitgevoerd aan de BMW Z3. Voor de BMW Z3 waren het onderhoud en de reparaties kennelijk noodzakelijk. Dat wil niet zeggen dat dat ook voor de auto gold. De posten op de onderhoudsfactuur kunnen niet één op één alsnog aan de auto van [eiser] worden uitgevoerd. Een sprekend voorbeeld daarvan is het ‘vastzetten van de bodemplaten’, want als de bodemplaten van de auto vastzitten, is het niet nodig om dit werk alsnog uit te voeren.
Volgens [eiser] had hij minder betaald voor de auto als hij wist dat het onderhoud op de onderhoudsfactuur niet aan zijn auto was besteed. Hij heeft nu zelf kosten voor het onderhoud en vervanging van onderdelen, waarvan hij dacht dat dat al uitgevoerd was. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiser] kosten heeft gemaakt voor onderhoud. [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat de auto evenveel waard is en dat hij, als hij wist dat het onderhoud niet was uitgevoerd, de auto voor dezelfde prijs te koop had gezet. Dit laatste heeft [gedaagde] niet verder onderbouwd met stukken. [eiser] heeft daarentegen duidelijk gemaakt dat de onderhoudsfactuur voor hem doorslaggevend is geweest bij de aankoop van de auto. Al met al is het voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] zonder de onderhoudsfactuur een lager bedrag had betaald voor de auto.
De kantonrechter begroot de afwijking van wat partijen zijn overeengekomen op € 2.000,00. De posten op de factuur voor de andere auto zien enerzijds op het vervangen van onderdelen en anderzijds op het uitvoeren van reparaties. De reparaties zien op gebreken van een andere auto en leiden niet zonder meer tot een waardeverschil als de auto die gebreken zelf niet heeft. Het vervangen van onderdelen maakt een auto wel meer waard, omdat je als koper die kosten dan zelf op korte termijn niet hebt.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [eiser] worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00.
De eerder betaalde vergoeding is geen verlaging van de koopprijs
[gedaagde] heeft op 1 december 2025 een bedrag van € 750,00 aan [eiser] betaald. Volgens [gedaagde] is dat een betaling uit coulance volgens afspraak. [eiser] heeft aangevoerd dat dit bedrag niets te maken heeft met de situatie rondom de onderhoudsfactuur, maar dat dit een vergoeding is voor mankementen aan de cockpit en ontbrekende plaatjes. Dit blijkt ook uit het gegeven dat het bedrag op 1 december 2025 is overgemaakt en dat [eiser] pas op 20 januari 2026, door de e-mail van de garage, op de hoogte was van de onjuistheid van de onderhoudsfactuur. [gedaagde] heeft daartegen onvoldoende onderbouwd dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat dit bedrag ziet op de kwestie rondom de onjuiste onderhoudsfactuur. Dit bedrag kan daarom niet worden gezien als een verlaging van de koopprijs en kan niet met het bedrag van € 2.000,00 verrekend worden.
[gedaagde] moet rente en kosten vergoeden
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over het bedrag dat [gedaagde] moet betalen (€ 2.000,00) en met ingang van de datum van dagvaarding (17 februari 2026). [eiser] heeft verzocht om de rente toe te wijzen vanaf de datum waarop [gedaagde] in verzuim is, maar hij heeft niet toegelicht welke datum, eerder dan de dagvaarding, dat is.
[gedaagde] is het meest in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
265,00
- verletkosten
€
50,00
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
575,44.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [eiser] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 575,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
64510