RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12045170 \ MC EXPL 26-48
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
STICHTING QREDITS MICROFINANCIERING NEDERLAND,
handelend onder de naam Qredits,
te Almelo,
eisende partij,
hierna te noemen: Qredits,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 december 2025 met producties 1 tot en met 6,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,- de conclusie van repliek met producties 7 en 8,- de conclusie van dupliek met producties 1 tot en met 10,
- de akte van Qredits.
Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben twee zakelijke leningen afgesloten bij Qredits voor de exploitatie van een tattoostudio. Er is een achterstand ontstaan in de aflossing van de leningen en Qredits heeft het krediet opgeëist. Zij vordert het restantbedrag, plus rente en kosten. Zij beperkt haar vordering in deze procedure tot € 25.000,00.
[gedaagde sub 2] is niet verschenen. [gedaagde sub 1] erkent dat hij aan Qredits moet betalen, maar meent dat hij een groter deel van de lening heeft afgelost dan uit de administratie van Qredits blijkt. Hij betwist dus de hoogte van het verschuldigde bedrag. Hij heeft die betwisting echter onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt de vordering van Qredits toegewezen.
3. De beoordeling
Ten aanzien van [gedaagde sub 2]
[gedaagde sub 2] is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Tegen haar is daarom verstek verleend. Omdat [gedaagde sub 1] wel in de procedure is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tussen alle partijen één vonnis op tegenspraak gewezen. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] niet in verzet kan komen tegen dit vonnis.
De leningen
Qredits heeft twee zakelijke leningen afgesloten met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] : één van € 10.000,00 (hierna: ‘lening 1’) en één van € 25.000,00 (hierna: ‘lening 2’). Deze leningen zijn door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afgesloten in de uitoefening van hun beroep of bedrijf, namelijk voor de exploitatie van een tattoostudio. In de kredietovereenkomsten is een contractuele rente van 8,75% per jaar afgesproken. Op enig moment is een achterstand in de aflossing van de leningen ontstaan. Daarom heeft Qredits het gehele krediet opgeëist. Deze feiten zijn niet in geschil.
Opbouw van de vordering
Volgens Qredits is tot 8 november 2023 in totaal € 7.619,97 op lening 1 afgelost en € 817,54 op lening 2. Daarnaast is tot 8 november 2023 in totaal € 1.516,06 aan contractuele rente verschuldigd geraakt over lening 1 en € 1.611,07 over lening 2. Op 8 november 2023 heeft zij daarom als hoofdsom een vordering op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van € 29.689,62.
Tussen 8 november 2023 en 17 december 2025 is volgens Qredits € 900,00 aan haar gemachtigde betaald, is € 5.473,10 aan contractuele rente verschuldigd geraakt en is € 1.297,00 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geraakt. Daarom meent zij op 17 december 2025 een vordering op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te hebben van € 35.559,72.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 25.000,00 betalen
[gedaagde sub 1] erkent dat hij de leningen moet terugbetalen, maar hij betwist de hoogte van het aan Qredits verschuldigde bedrag. Hij meent namelijk dat in totaal € 14.003,39 aan Qredits is betaald, terwijl Qredits meent dat in totaal slechts € 9.337,51 (€ 7.619,97 + € 817,54 + € 900,00) is betaald. Daarnaast meent [gedaagde sub 1] dat de financiële overzichten van Qredits onvoldoende inzicht geven in de opbouw van haar vordering, zodat de vordering om die reden voor [gedaagde sub 1] niet op juistheid te controleren is.
Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Qredits financiële overzichten overgelegd. De stellingen van Qredits worden voldoende onderbouwd door deze financiële overzichten. Ter onderbouwing van zijn betwisting van deze stellingen heeft ook [gedaagde sub 1] financiële overzichten overgelegd. De financiële overzichten van Qredits en [gedaagde sub 1] zijn op verschillende wijzen opgesteld en om die reden niet eenvoudig met elkaar te vergelijken.
[gedaagde sub 1] bestrijdt de hoogte en controleerbaarheid van de vordering. In het kader van zijn betwisting van de voldoende onderbouwde stellingen van Qredits had het op zijn weg gelegen om aan te geven op welke punten de door Qredits overgelegde overzichten onjuist of onvoldoende transparant zijn. Voor zover hij bijvoorbeeld meent dat in de overzichten van Qredits betalingen ontbreken, had hij aan de hand van zijn eigen overzichten specifieke betalingen kunnen aanwijzen die in de overzichten van Qredits ontbreken. Dit heeft hij niet gedaan. Voor de onderbouwing van zijn betwisting is het onvoldoende om slechts zijn eigen financiële overzichten te overleggen, die op andere wijze zijn opgesteld dan die van Qredits en daarom niet eenvoudig te vergelijken zijn, zonder dat hij daarbij op enige wijze ingaat op de financiële overzichten van Qredits. Het is ook niet aan de kantonrechter om, aan de hand van deze overzichten, zonder enige onderbouwing van de kant van [gedaagde sub 1] , de juiste hoogte van de vordering te destilleren.
Dat betekent dat [gedaagde sub 1] onvoldoende onderbouwd heeft betwist dat Qredits op 17 december 2025 in totaal € 35.559,72 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te vorderen had. De vordering tegen [gedaagde sub 2] komt de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. In deze procedure heeft Qredits haar vordering beperkt tot € 25.000,00, met uitdrukkelijke reservering van het overige. Daarom zal de kantonrechter de vordering van Qredits tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toewijzen tot een bedrag van € 25.000,00.
De contractuele rente tot 17 december 2025
In de kredietovereenkomsten is een contractuele rente van 8,75% per jaar afgesproken. [gedaagde sub 1] betwist niet dat hij deze contractuele rente verschuldigd is, maar meent dat Qredits onvoldoende transparant heeft gemaakt hoe de rentevordering exact is opgebouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt voldoende duidelijk uit de door Qredits overgelegde kredietovereenkomsten en financiële overzichten op welke wijze de rentevordering is opgebouwd. [gedaagde sub 1] heeft daarom onvoldoende onderbouwd betwist dat hij het door Qredits gevorderde bedrag aan contractuele rente tot 17 december 2025 verschuldigd is. De gevorderde contractuele rente kan worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
Qredits vordert betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Besluit). De kantonrechter stelt vast dat Qredits voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De contractuele rente vanaf de dagvaarding
Qredits vordert de contractuele rente vanaf de dagvaarding tot de dag van volledige betaling, over een bedrag van € 18.229,90. De dagvaarding is uitgebracht op 31 december 2025. Vanaf die datum wordt de contractuele rente van 8,75% per jaar toegewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Qredits worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
152,84
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
1.114,00
(2 punten × € 557,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.914,84
Hoofdelijke veroordeling
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan Qredits.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan Qredits te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 8,75% per jaar over een bedrag van € 18.229,90, met ingang van 31 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.914,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
68352