RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12198067 \ MC EXPL 26-2124
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
KLAVERBLAD SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd in Zoetermeer,
eisende partij,
hierna te noemen: Klaverblad,
gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] heeft een autoverzekering bij Klaverblad afgesloten. Op 2 april 2023 is [gedaagde] betrokken geweest bij een eenzijdig ongeval, waarbij zij met haar auto tegen een vrachtwagen en een personenwagen is aangereden. Klaverblad heeft de schade aan de eigenaren van de voertuigen vergoedt. Omdat sprake was van alcoholgebruik door [gedaagde] , is er volgens de polisvoorwaarden geen dekking. Klaverblad wil daarom dat [gedaagde] de uitgekeerde schade aan Klaverblad terugbetaalt. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, vordert Klaverblad nu terugbetaling in deze procedure, € 16.621,86 plus rente en incassokosten. [gedaagde] erkent wel dat zij een bedrag moet terugbetalen, maar niet het door Klaverblad gevorderde bedrag. De kantonrechter wijst het door Klaverblad gevorderde toe.
3. De beoordeling
Klaverblad heeft vrijheid van handelen
Tussen partijen is geen punt van discussie dat er op basis van de polisvoorwaarden geen dekking voor de schade door het ongeval is. Klaverblad is als WAM-verzekeraar van [gedaagde] wel verplicht geweest de schade aan de derden te vergoeden. Gezien het ontbreken van de dekking, kan Klaverblad terecht de door haar uitgekeerde schade op [gedaagde] verhalen. In principe moet [gedaagde] die schade betalen. Dat is alleen anders wanneer Klaverblad niet verplicht zou zijn die schade uit te keren of wanneer zij bedragen heeft uitgekeerd die te hoog zijn. Het uitgangspunt is dat Klaverblad in redelijkheid de belangen van [gedaagde] moet respecteren. Klaverblad heeft daarbij in redelijke mate vrijheid van handelen, maar heeft wel een verplichting om na afloop van de uitkeringen rekening en verantwoording af te leggen tegenover [gedaagde] .
Aan genoemde verplichting heeft Klaverblad voldaan. Van onverplicht uitgekeerde schadebedragen blijkt niet en de hoogte van de uitgekeerde schade is niet onredelijk. Het verweer van [gedaagde] wordt hieronder besproken en beoordeeld (afgewezen).
De vrachtwagen
Klaverblad heeft € 9.149,66 aan reparatiekosten en € 2.169,60 aan huurkosten voor vervangend vervoer uitgekeerd. Samen met (zoals de kantonrechter begrijpt) de vergoedde wettelijke rente en expertisekosten heeft Klaverblad € 11.617,68 voor de schade aan de vrachtwagen betaald. Volgens [gedaagde] heeft Klaverblad niet onderbouwd dat het reparatiebedrag minder is dan de dagwaarde van de vrachtwagen. Deze was namelijk (zo stelt [gedaagde] ) al oud. Volgens [gedaagde] zou dan de (volgens [gedaagde] dus lagere) dagwaarde moeten zijn uitgekeerd in plaats van de reparatiekosten. [gedaagde] voert ook aan dat de duur van het vergoedde vervangend vervoer onnodig lang zou zijn geweest.
Zoals Klaverblad terecht betoogt, is de reparatieschade door een schade-expert vastgesteld en mocht zij van de deskundigheid van die expert uitgaan. Dat volgt de kantonrechter, ook omdat het tegendeel niet gesteld en ook niet gebleken is. Bovendien gaat het om een specifiek soort vrachtwagen. Die was namelijk speciaal ingericht voor paardenvervoer en daarvan zijn er niet heel veel. De dagwaarde daarvan is dan sowieso moeilijk vast te stellen, ook al is zo’n vrachtwagen oud. [gedaagde] heeft behalve de ouderdom niets anders concreet gesteld waardoor aan de hoogte van de schade getwijfeld zou kunnen worden. De hoogte van de uitgekeerde schade voor de reparatiekosten is correct.
Klaverblad heeft 14 dagen vervangend vervoer voor de vrachtwagen vergoed, terwijl de reparatieduur 5 dagen bedroeg. Maar de werkelijke reparatietijd zegt op zichzelf nog niet dat de doorlooptijd van een reparatie precies even lang is. Klaverblad heeft ook aangetoond dat zij de duur van het vervangend vervoer dat door de eigenaar van de vrachtwagen oorspronkelijk was geclaimd (62 dagen) heeft gecorrigeerd. Volgens Klaverblad heeft zij een afweging gemaakt tussen de mogelijkheid dat de eigenaar van de vrachtwagen bedrijfsschade zou claimen (zonder vervangend vervoer lag de bedrijfsvoering van de eigenaar van de vrachtwagen stil) en de kosten van 14 dagen vervangend vervoer. De uitkomst daarvan is geweest dat uitkering van vervangend vervoer op dat moment de beste optie was, en de kantonrechter ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De hoogte van de uitgekeerde schade voor het vervangend vervoer is daarom correct.
De conclusie is dat de hoofdsom voor de vrachtwagen wordt toegewezen.
De personenauto
De aangereden personenauto was na het ongeval total-loss en Klaverblad heeft de dagwaarde (€ 3.700,00) aan de eigenaar uitgekeerd. Daarnaast heeft Klaverblad 80% van de kosten voor 14 dagen vervangend vervoer vergoed, (80% x € 1.270,50 =) € 1.016,40. Samen met (zoals de kantonrechter begrijpt) de vergoedde wettelijke rente en expertisekosten heeft Klaverblad € 4.807,89 voor de schade aan de personenauto betaald.
[gedaagde] is het niet eens met de uitgekeerde vergoeding voor het vervangend vervoer. Volgens [gedaagde] hoeft bij een total-loss alleen de dagwaarde vergoed te worden en houdt het daarbij op. Dat klopt niet. Vervangend vervoer is gevolgschade en komt bovenop de schade aan het voertuig zelf. Zoals Klaverblad terecht betoogt, is een periode van 14 dagen niet onredelijk lang om onderzoek te doen en vast te stellen dat een voertuig inderdaad als total-loss is te beschouwen. Binnen de verzekeringsbranche is een periode van 14 dagen voor vervangend vervoer kennelijk staand beleid, evenals blijkbaar de gewoonte om daarvan 80% te vergoeden. De kantonrechter acht dat niet onredelijk. De uitgekeerde schade voor het vervangend vervoer wordt daarom toegewezen.
De conclusie is dat de hoofdsom voor de personenauto wordt toegewezen.
Bergingskosten
Klaverblad heeft € 196,29 aan bergingskosten betaald. Volgens [gedaagde] hebben er geen bergingswerkzaamheden plaatsgevonden. Dat blijkt te kloppen, want Klaverblad heeft nader onderbouwd dat dit gaat om aanrijkosten van de berger die zij heeft moeten betalen.
De kantonrechter acht het niet onlogisch of onredelijk dat bij een ongeval in de orde van grootte zoals die van [gedaagde] een berger wordt ingeschakeld. Dat die uiteindelijk geen werkzaamheden hoeft te verrichten, betekent niet dat de berger de aanrijkosten niet in rekening zou kunnen brengen. [gedaagde] moet daarom de aanrijkosten van de berger betalen.
De nevenvorderingen
Klaverblad vordert € 1.339,49 aan verschenen rente van 7 november 2024 tot 1 april 2026, plus de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 april 2026 tot de betaling. Ook vordert Klaverblad € 941,22 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Dat wordt toegewezen. Op grond van het bovenstaande staat vast dat [gedaagde] de hoofdsom van (€ 11.617,68 + € 4.807,89 + € 196,29 =) € 16.621,86 moet betalen. Met de brief van Klaverblad van 8 oktober 2024 is [gedaagde] tot betaling daarvan vóór 7 november 2024 aangesproken en heeft Klaverblad aangezegd dat zij anders de wettelijke rente moet betalen. Die brief heeft [gedaagde] naar eigen zeggen nooit bereikt, omdat zij destijds al niet meer op het in de brief vermelde adres woonde. Maar het in de brief vermelde adres heeft [gedaagde] zelf aan Klaverblad doorgegeven op 19 juni 2023. Dat stelt Klaverblad en weerspreekt [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd. Kennelijk heeft [gedaagde] na die tijd geen nieuw adres doorgegeven. Dat had zij wel moeten doen, want zij wist dat Klaverblad haar aansprakelijk achtte voor de schade van het ongeval. Het is dan niet aan Klaverblad om steeds te toetsen of [gedaagde] al dan niet nog op het door haar zelf aangegeven adres woont, maar aan [gedaagde] om veranderingen door te geven. Dat de brief van 8 oktober 2024 [gedaagde] niet zou hebben bereikt, blijft in dit geval voor haar risico. De wettelijke rente wordt toegewezen.
Dat geldt ook voor de buitengerechtelijke incassokosten. Bij brief van 7 augustus 2025 is [gedaagde] naar behoren aangezegd dat zij de incassokosten moet betalen wanneer zij de hoofdsom niet tijdig betaalt. De brief is kennelijk verstuurd naar het adres waar [gedaagde] op dat moment niet meer woonde, maar daarvoor geldt hetzelfde als wat hiervoor bij de rente is overwogen. De brief voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de gevorderde incassokosten is in overeenstemming met de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en wordt toegewezen.
De slotsom is dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van (€ 16.621,86 + € 1.339,49 + € 941,22 =) € 18.902,57, plus de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 april 2026 tot de betaling.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Klaverblad worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.639,08
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Klaverblad te betalen een bedrag van € 18.902,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 16.621,86, met ingang van 1 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.639,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. I.L. Rijnbout op 26 augustus 2026.
RW1368