RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11981025 \ UC EXPL 25-9274
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] , Polen,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Quispel,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
te [plaats 2] ,
niet verschenen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
gemachtigde: mr. A. Klaassen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 2] c.s.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 november 2025 met 6 producties, - de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] met 6 producties,
- het tegen [gedaagde sub 1] verleende verstek,
- de nagezonden producties 7 tot en met 9 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
Op 14 november 2018 is [eiser] door een bedrijfsongeval gewond geraakt aan zijn onderbeen. [eiser] heeft [gedaagde sub 1] , als formele werkgever, en [gedaagde sub 2] , als inlener, hiervoor aansprakelijk gesteld. Partijen hebben al eerder geprocedeerd over de aansprakelijkheid en in het vonnis van 1 maart 2023 is voor recht verklaard dat [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval en dat [gedaagde sub 2] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van de schade. In deze schadestaatprocedure vordert [eiser] kort gezegd betaling van € 116.449,56 aan schade. [gedaagde sub 2] voert verweer tegen de vordering van [eiser] , terwijl tegen [gedaagde sub 1] verstek is verleend. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] samen tot betaling aan [eiser] van € 14.362,03 en [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiser] van € 103.925,56.
3. De beoordeling
De kantonrechter merkt allereerst het volgende op. [gedaagde sub 2] is een zogenaamd gewetensbezwaard ondernemer en heeft daarom geen verzekeringen afgesloten. Eén van de gevolgen hiervan is dat niet een verzekeraar, maar [gedaagde sub 2] zelf hier de wederpartij van [eiser] is. Dit terwijl in procedures over werkgeversaansprakelijkheid veelal verzekeraars de wederpartij zijn. Aangezien in deze zaak dus geen verzekeraar partij is, is er geen medisch traject inclusief medische expertise, opgestart, hetgeen op grond van de Gedragscode Behandeling Letselschade (vaak) op initiatief van een verzekeraar geschiedt. In het geval van [eiser] is dus geen verzekeraar geweest die actief de schaderegeling heeft opgepakt. Dat [gedaagde sub 2] gewetensbezwaard ondernemer is en er geen verzekeraar is geweest die de schaderegeling actief heeft opgepakt, mag echter niet betekenen en tot gevolg hebben dat een slachtoffer van een arbeidsongeval, zoals [eiser] , daarvan de dupe is en daarvan nadeel ondervindt. De kantonrechter constateert anderzijds dat in deze zaak nog veel onduidelijk is voor wat betreft de door [eiser] opgevoerde schadeposten en de onderliggende onderbouwing daarvan. [eiser] heeft die onderbouwing op verschillende punten niet verschaft. De kantonrechter komt gelet hierop tot de volgende uitkomst van deze zaak.
[gedaagde sub 1] is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet in de procedure verschenen. Tegen [gedaagde sub 1] is daarom verstek verleend. Omdat [gedaagde sub 2] wel in de procedure is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv tussen alle partijen één vonnis op tegenspraak gewezen. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] niet in verzet kan komen tegen dit vonnis. Omdat de kantonrechter een ander bedrag toewijst ten aanzien van [gedaagde sub 2] dan ten aanzien van [gedaagde sub 1] , worden de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hierna apart beoordeeld.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2]
Het beoordelingskader
De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] c.s. voor het bedrijfsongeval staat vast. Dat is in de eerdere procedures al beslist. [gedaagde sub 2] c.s. is gehouden om de schade van [eiser] te vergoeden die hij als gevolg van de onrechtmatige daad heeft geleden.
Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding geldt dat [eiser] zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als het bedrijfsongeval niet had plaatsgevonden (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 5 december 2008, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2008:BE9998). De schade van [eiser] wordt dus berekend met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Zijn schade wordt zo veel als mogelijk concreet berekend en, als dit niet mogelijk is, zo goed als mogelijk geschat (op grond van artikel 6:97 BW). Daarnaast bepaalt artikel 6:98 BW dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de schade, redelijkerwijs aan de aansprakelijke partij (in dit geval: [gedaagde sub 2] c.s.) kan worden toegerekend.
[gedaagde sub 2] is niet gehouden de kosten te vergoeden die verband houden met de heupoperatie
[eiser] vordert ook vergoeding van kosten die verband houden met een heupoperatie in september 2024. [gedaagde sub 2] betwist dat de heupoperatie in 2024 in relatie staat tot het bedrijfsongeval in 2018. Zij zou dan ook niet gehouden zijn die kosten te vergoeden.
Partijen zijn het dus oneens met elkaar over het causaal verband tussen de heupoperatie in 2024 en het bedrijfsongeval in 2018. Vanwege deze onduidelijkheid over het causaal verband, is volgens [eiser] een rapportage van een medisch adviseur nodig, om op die manier te bepalen of de heupoperatie en de daarmee gepaard gaande kosten in causaal verband staan tot het bedrijfsongeval. Ondanks dat [eiser] daarom heeft verzocht bij [gedaagde sub 2] , wilde [gedaagde sub 2] niet meewerken aan een gezamenlijk op te stellen medisch rapportage.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld voor zijn standpunt dat sprake is van een causaal verband tussen de heupoperatie in 2024 en het bedrijfsongeval in 2018. Aangezien [gedaagde sub 2] niet wilde meewerken aan een gezamenlijk te benoemen medisch deskundige, had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn standpunt nader te onderbouwen met een eigen medisch advies waaruit de eventuele causale relatie tussen het bedrijfsongeval en de heupoperatie zou blijken. Dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat er in het navolgende dan ook van uit dat er geen causaal verband bestaat tussen het bedrijfsongeval en de heupoperatie in september 2024.
Bovendien blijkt uit de door [eiser] overlegde brief van de orthopedisch chirurg van 2 juli 2024 (onderdeel van productie 7) dat [eiser] op dat moment 8 maanden pijnklachten had aan de linkerheup en dat die er waren sinds hij van de fiets was gevallen. Omdat [eiser] daarvoor geen last had van zijn heup, acht de kantonrechter het ook niet aannemelijk dat de heupklachten in causaal verband staan tot het bedrijfsongeval. Dit is door [eiser] ook niet aangetoond. De arts heeft in de brief ook geschreven dat er tijdens het onderzoek osteonecrose van de linkerheup is vastgesteld. Volgens de arts is dit door de val versneld, maar was deze anders ook opgetreden. Volgens [eiser] wijst de constatering dat de osteonecrose ook zonder ongeval was opgetreden erop dat dit te maken heeft met het bedrijfsongeval. Die redenering wordt echter geenszins onderbouwd en de kantonrechter gaat hier daarom aan voorbij.
[gedaagde sub 2] moet € 14.362,03 aan [eiser] betalen
Volgens [eiser] heeft hij in totaal € 116.449,56 aan schade geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. De onderbouwing hiervoor zou volgen uit de door [eiser] als productie 4 overgelegde schadestaat. Het bedrag valt uiteen in een aantal posten, die de kantonrechter hierna – per post – zal beoordelen. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde sub 2] een bedrag van aan [eiser] € 14.362,03 moet betalen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
De medische kosten
[eiser] vordert in totaal € 1.155,- aan medische kosten. De kantonrechter oordeelt over de verschillende onderdelen van deze schadepost als volgt:
Ziekenhuisopname 3 dagen van in totaal € 90,-. Op grond van de Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding kan de betrokkene aanspraak maken op een vast bedrag per dag bij opname in het ziekenhuis. [gedaagde sub 2] heeft onvoldoende weersproken dat [eiser] hier aanspraak op zou kunnen maken. Deze post wordt daarom geheel toegewezen.
Ziekenhuisopname in verband met heupoperatie van € 35,-. Zoals hiervoor in 3.6 is overwogen, is er geen causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de heupoperatie. [gedaagde sub 2] kan daarom niet aansprakelijk zijn voor kosten die betrekking hebben op de heupoperatie. Deze post wordt daarom afgewezen.
Kosten voor 10 behandelingen bij fysiotherapeut van in totaal € 480,-. [eiser] heeft niet met facturen en/of betaalbewijzen onderbouwd dat hij deze fysiobehandelingen daadwerkelijk heeft gehad, ondanks dat hij heeft gesteld hiermee te zijn gestart kort na het optreden van de necrose. Hoewel het hierdoor niet controleerbaar is dat [eiser] kosten heeft gemaakt voor deze behandelingen, is het bij dergelijk letsel wel aannemelijk dat [eiser] fysio heeft gehad na zijn beenbreuk. De kosten komen daarom naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Omdat de schade als gevolg van de gemaakte kosten voor fysiobehandeling niet concreet is vast te stellen, moet die schade worden geschat. De kantonrechter schat de schade en sluit aan bij het gevorderde bedrag van € 480,-.
Kosten voor medicatie van € 250,-. Er zijn geen facturen of bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. Gelet op de beenbreuk en de daaropvolgende necrose, komen de kosten echter naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Omdat de schade als gevolg van de gemaakte kosten voor medicatie niet concreet is vast te stellen, moet die schade worden geschat. De kantonrechter schat de schade op een bedrag van € 100,-.
Kosten voor rolstoel en krukken van in totaal € 300,-. Er zijn geen facturen of bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. Daarnaast acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [eiser] als gevolg van de beenbreuk afhankelijk was van het gebruik van een rolstoel. Aannemelijker is dat [eiser] hiervan gebruik heeft gemaakt na de heupoperatie in september 2024. De kosten voor de krukken komen naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid wel voor vergoeding in aanmerking. Omdat de schade als gevolg van de gemaakte kosten hiervoor niet concreet is vast te stellen, moet die schade worden geschat. De kantonrechter schat de schade op een bedrag van € 35,-.
Ten aanzien van de medische kosten wordt dus € 705,- toegewezen.
Kosten huishoudelijke hulp
[eiser] vordert verder in totaal € 1.630,50 aan kosten voor huishoudelijke hulp. De kantonrechter oordeelt over de verschillende onderdelen van deze schadepost als volgt:
Voor de eerste 13 weken een bedrag van € 1.176,50. Zoals [eiser] terecht heeft gedaan, moet voor de begroting van de kosten voor huishoudelijke hulp worden aangesloten bij de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van De Letselschade Raad. Volgens [eiser] moet voor de eerste 13 weken worden aangesloten bij het criterium ‘zwaar beperkt’ en ‘tweepersoonshuishouden’, wat neerkomt op een weekbedrag van € 181,-. Dit wordt betwist door [gedaagde sub 2] . De kantonrechter is het met [eiser] eens. [eiser] was de eerste 13 weken gezien zijn beperkingen te kwalificeren als ‘zwaar beperkt’. [eiser] kon zich na de operatie ‘onbelast mobiliseren’ (dat betekent: met krukken bewegen en het been niet belasten). Dat brengt beperkingen met zich in het huishouden. [eiser] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij in een woning van het uitzendbureau woonde. Hij had daar een kamer met een vrouw. Voor het bedrijfsongeval kookte hij zelf en maakte hij de kamer schoon. Dat was voor hem niet mogelijk na het bedrijfsongeval. Toen kreeg hij hulp van anderen. Volgens [gedaagde sub 2] blijkt uit het medisch rapport van 8 januari 2019 (productie 6 bij de conclusie van antwoord) dat [eiser] weer zelfstandig kon douchen, aankleden en zijn gebit verzorgen. Ook zou hij vanaf dat moment weer mobiel zijn. Deze constateringen zijn echter gedaan in het kader van persoonlijke verzorging, terwijl deze opgevoerde schadepost ziet op huishoudelijke hulp. Dat [eiser] vanaf 8 januari 2019 weer geheel zonder huishoudelijke hulp kon, is niet gebleken. Door de opgetreden necrose acht de kantonrechter het aannemelijker dat [eiser] in de eerste 13 weken wel beperkt was in het huishouden. De kantonrechter wijst deze schadepost daarom toe.
[eiser] vordert verder een bedrag van € 247,- voor de volgende drie maanden. Het gaat dan om 13 weken van 2 uur per week tegen € 9,50. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Volgens de richtlijnen van De Letselschade Raad dient er na 3 maanden een herbeoordelingsmoment plaats te vinden. Het staat niet vast dat [eiser] ook na 13 weken nog behoefte had aan huishoudelijke hulp. Dat is gelet op de aard van de breuk en het herstel daarvan ook niet aannemelijk. Tegen deze achtergrond is onvoldoende gesteld om tot vaststelling van dit bedrag of tot bewijslevering over te kunnen gaan. Deze post wordt daarom afgewezen.
[eiser] rekent nog € 207,- voor huishoudelijke hulp na de heupoperatie van september 2024. Zoals hiervoor in 3.6 is overwogen, is er geen causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de heupoperatie. [gedaagde sub 2] kan daarom niet aansprakelijk zijn voor kosten die betrekking hebben op de heupoperatie. Deze post wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van kosten voor huishoudelijke hulp wordt dus € 1.176,50 toegewezen.
Verlies van arbeidsvermogen
[eiser] vordert in totaal € 95.861,06 voor verlies van arbeidsvermogen. De kantonrechter constateert dat [eiser] geen salarisstroken en overzichten van het UWV (in het kader van de Ziektewetuitkering die [eiser] voor een periode heeft gehad) heeft overgelegd. De stellingen van [eiser] zijn daarom niet met stukken controleerbaar. Desondanks komt een deel van de kosten naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Omdat de schade als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen niet concreet is vast te stellen, moet die schade worden geschat. Dat doet de kantonrechter als volgt.
Voor week 46 t/m week 49 van 2018 gaat [eiser] uit van een totaal verlies van arbeidsvermogen van in totaal € 937,57. Dat heeft [gedaagde sub 2] op zichzelf niet betwist en vindt de kantonrechter ook een aannemelijk bedrag. Dit bedrag wordt daarom toegewezen.
Van week 50 (2018) tot en met week 17 (2019) gaat [eiser] uit van een verlies van arbeidsvermogen van in totaal € 3.011,52 (€ 464,74 x 30% x 20 weken x 1,08 = € 3.011,52). Na week 17 van 2019 is het dienstverband van [eiser] geëindigd. [eiser] gaat ervan uit dat het loon voor 70% werd doorbetaald door de werkgever, wat dus neerkomt op een verlies van 30%. [eiser] heeft toegelicht de loonstroken niet in zijn bezit te hebben en er daarom zelf vanuit te zijn gegaan dat er voor 70% is doorbetaald. [gedaagde sub 2] betwist dat er 70% is doorbetaald. Volgens [gedaagde sub 2] is er conform de toepasselijke ABU CAO 90% van het loon doorbetaald door de werkgever. Dat is niet weersproken door [eiser] . De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van hetgeen [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd hierover. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] in de betreffende periode 10% aan inkomen is misgelopen. De schade als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen in de periode van week 50 tot en met week 17 wordt daarom als volgt begroot: € 464,74 x 10% x 20 weken x 1,08 = € 1.003,84. Dit bedrag wordt toegewezen.
[eiser] vordert verder € 1.215,- voor de periode vanaf 29 april 2019 tot en met 30 juni 2019 en € 3.141,12 voor de periode 1 juli 2019 tot en met 15 december 2019. Volgens [eiser] heeft hij in deze periode een Ziektewetuitkering van het UWV ontvangen. Door het verschil tussen zijn gemiddelde inkomen (€ 464,74) en de Ziektewetuitkering te vermenigvuldigen met het aantal weken is [eiser] op de hiervoor gevorderde bedragen gekomen voor het verlies van arbeidsvermogen. Hoewel [eiser] geen stukken heeft overgelegd waaruit de ontvangen bedragen van de Ziektewetuitkering blijken, wordt door [gedaagde sub 2] niet betwist dat [eiser] deze uitkering heeft ontvangen. De kantonrechter acht de opgevoerde bedragen voor de periode van 29 april 2019 tot en met 15 december 2019 ook aannemelijk. Deze bedragen worden daarom toegewezen zoals gevorderd.
[eiser] vordert ook nog verschillende bedragen aan schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen in de periode na 16 december 2019. Deze bedragen worden allemaal afgewezen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij vanaf 16 december 2019 geen Ziektewetuitkering meer heeft gekregen, omdat hij vanaf dat moment weer als volledig hersteld was beoordeeld door het UWV en dus geen recht meer op een uitkering had. De kantonrechter ziet daarom niet in op welke wijze er na dit moment dus nog sprake was van verlies van verdienvermogen voor [eiser] , aangezien [eiser] vanaf dat moment dus gewoon weer inkomen had genereren. Dat sprake was van een verslechtering van de (medische) situatie van [eiser] na het beter melden in het kader van de Ziektewetuitkering is niet gebleken en ook niet onderbouwd door [eiser] .
In totaal wordt de schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen hiermee begroot op: € 937,57 + € 1.003,84 + € 1.215,- + € 3.141,12 = € 6.297,53. Dat bedrag wordt toegewezen.
Kosten voor hulp bij persoonlijke verzorging
[eiser] vordert € 133,- aan kosten voor hulp bij persoonlijke verzorging. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: 14 dagen x 1 uur per dag x € 9,50 = € 133,-. Volgens [gedaagde sub 2] is niet onderbouwd welke hulp is verleend, door wie, wanneer en op welke wijze. Niet zou zijn gebleken dat deze kosten aan (professionele) hulp zijn gemaakt, terwijl [eiser] nog veel persoonlijke verzorging zelf kon verrichten omdat hij de volledige beschikking had over zijn armen, handen en andere been. Hoewel [eiser] deze post niet met stukken heeft onderbouwd, komen de kosten naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Omdat de schade als gevolg van de gemaakte kosten voor hulp bij persoonlijke verzorging niet concreet is vast te stellen, moet die schade worden geschat. De kantonrechter schat de schade en sluit aan bij het gevorderde bedrag van € 133,-.
Reiskosten
[eiser] vordert in totaal € 170,- aan reiskosten. [eiser] heeft gesteld dat het gaat om een schatting van de kosten die [eiser] heeft gemaakt in verband met de verschillende bezoeken die hij heeft afgelegd aan (medische) behandelaars. Ook is er een post opgenomen voor een reis naar Polen. Hoewel [eiser] in het geheel niet heeft onderbouwd dat hij kosten heeft gemaakt voor reizen die in causaal verband staan tot het bedrijfsongeval en daarover weinig concreets heeft gesteld, volgt uit het dossier wel dat [eiser] een aantal bezoeken heeft gebracht aan medici. De kosten die [eiser] voor de reis hiernaartoe heeft moeten maken, komen naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Omdat de schade als gevolg van de gemaakte reiskosten niet concreet is vast te stellen, moet die schade worden geschat. De kosten voor een reis naar Polen worden daarbij buiten beschouwing gelaten, omdat niet is toegelicht waarom [gedaagde sub 2] aansprakelijk zou zijn voor de kosten van een dergelijke reis. De kantonrechter schat de schade op een bedrag van € 50,-.
Smartengeld
[eiser] vordert verder € 17.500,- aan smartengeld. Hij sluit daarvoor aan bij de ANWB Smartengeldbundel. De kantonrechter sluit echter aan bij de Rotterdamse Schaal. Het letsel van [eiser] sluit aan bij de categorie 5.13 – f – ii, met een bandbreedte van de schade tussen € 4.000,- en € 7.500,-. Het gaat in die categorie om een eenvoudige breuk van het tibia (scheenbeen) of fibula (kuitbeen), of letsel aan weke delen. Het letsel van [eiser] , namelijk een gebroken onderbeen, valt naar inschatting van de kantonrechter hieronder. Volgens [eiser] zou moeten worden aangesloten bij categorie E, waarvan onder meer sprake is bij een breuk aan het been waarbij een redelijk herstel is bereikt, maar waarbij de benadeelde nog wel te maken kan hebben met bijvoorbeeld mank lopen en/of aangetaste mobiliteit. Dat [eiser] nog steeds dergelijke klachten ervaart, is niet door [eiser] gesteld, waardoor aan dit standpunt voorbij wordt gegaan. Omdat er na de beenbreuk nog necrose is opgetreden en een nieuwe operatie daardoor nodig was, vindt de kantonrechter een bedrag bovenin de bandbreedte echter wel passend. Een bedrag van € 6.000,- wordt daarom toegewezen.
Wettelijke rente
[eiser] vordert de wettelijke rente over de door hem geleden schade. Volgens [gedaagde sub 2] moet deze vordering worden afgewezen, omdat [eiser] zelf zonder enige reden lang gewacht heeft met het instellen van zijn vordering en de procedures in eerste en tweede aanleg, die zich beperken tot de aansprakelijkheid, ernstige vertraging hebben opgelopen door toedoen van [eiser] . Daarnaast zou [eiser] pas een jaar na het arrest weer actie hebben ondernomen door het instellen van de vorderingen in deze procedure.
De kantonrechter is van oordeel dat de wettelijke rente toewijsbaar is. Volgens artikel 6:119 lid 1 BW is de wettelijke rente verschuldigd wanneer de schuldenaar (hier: [gedaagde sub 2] ) in verzuim is met voldoening van de hoofdsom. [gedaagde sub 2] is dus de wettelijke rente verschuldigd over het schadebedrag vanaf het moment van het ongeval. Er zijn door [gedaagde sub 2] geen omstandigheden aangevoerd die maken dat de vertraging voor de voldoening van de hoofdsom in zodanige mate kan worden toegerekend aan [eiser] , dat er een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel dat de wettelijke rente vergoed moet worden door de schuldenaar wanneer deze in verzuim is met voldoening van de hoofdsom. Dat de procedures om de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] c.s. vast te stellen lang hebben geduurd, doet aan de verschuldigdheid van de wettelijke rente ook niet af. Daarbij dient te worden opgemerkt dat als [gedaagde sub 2] zich verzekerd had en het schadetraject door een verzekeraar was opgepakt, het goed mogelijk is dat dit tot een sneller verloop van de afwikkeling van de schade had geleid.
[eiser] heeft voor de ingangsdatum van de wettelijke rente aangesloten bij de datum van het bedrijfsongeval, namelijk 14 november 2018. Dat heeft [gedaagde sub 2] op zichzelf niet betwist. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf 14 november 2018.
Ten aanzien van [gedaagde sub 1]
Omdat tegen [gedaagde sub 1] verstek is verleend, geldt ten aanzien van [gedaagde sub 1] dat de vorderingen worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze onrechtmatig of ongegrond zijn.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] niet gehouden is de kosten te vergoeden die verband houden met de heupoperatie in september 2024. Zoals in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. is overwogen heeft [eiser] namelijk onvoldoende gesteld voor zijn standpunt dat er een causaal verband bestaat tussen het bedrijfsongeval en de heupoperatie in september 2024. De kosten die verband houden met de heupoperatie komen de kantonrechter daarom ongegrond voor.
Ten aanzien van de medische kosten wordt € 705,- toegewezen. Het overige gevorderde komt de kantonrechter gelet op hetgeen hierover is overwogen in 3.9 ongegrond voor.
Ten aanzien van de kosten voor huishoudelijke hulp wordt, gelet op hetgeen hierover is overwogen in 3.11, € 1.176,50 toegewezen. Het overige gevorderde wordt afgewezen, omdat dat bedrag de kantonrechter ongegrond voorkomt.
[eiser] vordert in totaal € 95.861,06 voor verlies van arbeidsvermogen. Dat bedrag wijst de kantonrechter geheel toe. Dit bedrag komt de kantonrechter, gelet op de stellingen van [eiser] in de dagvaarding en in de overgelegde schadestaat en het gebrek aan verweer aan de zijde van [gedaagde sub 1] , niet ongegrond of onrechtmatig voor.
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor hulp bij persoonlijke verzorging wijst de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 133,- toe. Dat bedrag komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor.
Voor de gevorderde reiskosten wijst de kantonrechter een bedrag van € 50,- toe. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.20 komt de kantonrechter het meer gevorderde ongegrond voor.
[eiser] heeft ten aanzien van zijn vordering tot betaling van smartengeld van € 17.500,- aangesloten bij de ANWB Smartengeldbundel. De kantonrechter sluit echter aan bij de Rotterdamse Schaal. Op basis van de Rotterdamse Schaal en gelet op het letsel van [eiser] acht de kantonrechter, zoals is overwogen in 3.21, een bedrag van € 6.000,- passend. Het meerdere komt de kantonrechter ongegrond voor, waardoor een bedrag van € 6.000,- wordt toegewezen.
De kantonrechter zal [gedaagde sub 1] veroordelen tot betaling van in totaal € 103.925,56 aan [eiser] . In de beslissing zal worden opgenomen dat op dit bedrag in mindering moet worden gebracht hetgeen is betaald onder 4.1 van de beslissing. De wettelijke rente over € 103.925,56 wordt toegewezen zoals gevorderd.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet dan wel onvoldoende gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Naar het oordeel van de kantonrechter valt het opstellen van de schadestaat ook onder de hiervoor opgesomde werkzaamheden. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
[gedaagde sub 2] moet de proceskosten betalen
[gedaagde sub 2] c.s. is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde sub 2] c.s. niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
2.020,00
(2 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
2.254,00
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken
De veroordelingen wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.362,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 november 2018, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 103.925,56, waarbij hetgeen betaald is onder 4.1. hierop in mindering strekt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 november 2018, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.254,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
WM (5442)