RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummers: 598356 / HL ZA 25-211
598357 / HL ZA 25-212
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van (598356 / HL ZA 25-211)
[procesdeelnemer 1] ,
te [plaats] ,
eiser tot verificatie,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
advocaat: mr. J. Wijnja,
tegen
MR. V.H.B. KRUIT,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [onderneming 1] B.V.,
te Utrecht,
verweerder tot verificatie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. S. van Ee.
en in de zaak van (598357 / HL ZA 25-212)
[procesdeelneemster 3] B.V.,
te [plaats] ,
eiseres tot verificatie,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 3] ,
advocaat: mr. J. Wijnja,
tegen
MR. V.H.B. KRUIT,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [onderneming 1] B.V.,
te Utrecht,
verweerder tot verificatie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. S. van Ee.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak 598356 ( [procesdeelnemer 1] / de curator)
- het proces-verbaal van de verificatievergadering van 20 november 2024 met daarin de verwijzing door de rechter-commissaris van de betwiste vordering naar de rol voor renvooi,- de conclusie van eis tot verificatie, met vijftien producties,
- de conclusie van antwoord,
- de akte overlegging producties 16 t/m 18 van de zijde van [procesdeelnemer 1] ,- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026,
- de spreekaantekeningen van beide partijen,
- de aanhouding vanwege onderhandelingen tussen partijen,
- het verzoek van [procesdeelnemer 1] om vonnis te wijzen.
in de zaak 598357 ( [procesdeelneemster 3] / de curator)
- het proces-verbaal van de verificatievergadering van 20 november 2024 met daarin de verwijzing door de rechter-commissaris van de betwiste vordering naar de rol voor renvooi,- de conclusie van eis tot verificatie, met zeven producties,- de conclusie van antwoord,
- de akte overlegging productie 8 van de zijde van [procesdeelneemster 3] ,
- de producties 16 t/m 18 uit de procedure 598356 ( [procesdeelnemer 1] / de curator), waarvan is gemeld dat daarop ook in deze procedure een beroep wordt gedaan, - de mondelinge behandeling van 23 juni 2026,
- de spreekaantekeningen van beide partijen,
- de aanhouding vanwege onderhandelingen tussen partijen,
- het verzoek van [procesdeelneemster 3] om vonnis te wijzen.
In beide zaken is vervolgens vonnis bepaald.
2. De beoordeling
[procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] stellen dat zij een vordering hebben op [onderneming 1] B.V. (hierna [onderneming 1] ). [onderneming 1] is failliet gegaan voordat zij de vermeende vorderingen heeft betaald. [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] hebben hun vorderingen daarom ter verificatie ingediend bij de curator in het faillissement van [onderneming 1] . De curator heeft beide vorderingen betwist. Het gaat hier om de vraag of de vorderingen van [procesdeelnemer 1] en van [procesdeelneemster 3] alsnog erkend moeten worden. De rechtbank zal hieronder oordelen dat dit (grotendeels) het geval is voor zover het gaat om de vordering van [procesdeelneemster 3] , maar niet waar het gaat om de vordering van [procesdeelnemer 1] .
in de zaak 598356 ( [procesdeelnemer 1] / de curator)
[procesdeelnemer 1] heeft gevorderd om zijn vordering van € 184.736,08 te erkennen. Dit betreft een vordering tot uitkering van een bonusvergoeding. Deze bonusvergoeding vloeit voort uit een arbeidsovereenkomst die is gesloten tussen [procesdeelnemer 1] en [onderneming 2] Ltd. (hierna [onderneming 2] ). [onderneming 2] is een (destijds) aan [onderneming 1] gelieerde vennootschap. De verplichting tot uitbetaling van die bonus is een verplichting van [onderneming 2] , ongeacht aan welke resultaten van welke onderneming deze vergoeding ook was gekoppeld.
[procesdeelnemer 1] stelt dat die betalingsverplichting is overgenomen door [onderneming 1] . De stelplicht van die schuldovername ligt bij [procesdeelnemer 1] .
[procesdeelnemer 1] heeft op de zitting van 23 juni 2026 geen bevredigend antwoord kunnen geven op de vraag waaruit blijkt dat de verplichting van [onderneming 2] tot betaling van een bonusuitkering is overgenomen door [onderneming 1] . Volgens [procesdeelnemer 1] zou dit blijken uit de prijs voor de aandelen van [onderneming 3] B.V. (een aan [onderneming 2] en [onderneming 1] gelieerde vennootschap) bij een aandelenoverdracht. De overname van de schuld van [onderneming 2] door [onderneming 1] zou in die prijs zijn verrekend. Dit betoog was echter onnavolgbaar en niet controleerbaar. Ook overigens is niet gebleken dat [onderneming 1] de betalingsverplichting van [onderneming 2] heeft overgenomen. Omdat [procesdeelnemer 1] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan komt de rechtbank niet aan bewijslevering toe. Daardoor is niet komen vast te staan dat [procesdeelnemer 1] een vordering heeft op [onderneming 1] die in haar faillissement moet worden erkend. De vordering van [procesdeelnemer 1] tot erkenning moet daarom worden afgewezen.
[procesdeelnemer 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.826,00
in de zaak 598357 ( [procesdeelneemster 3] / de curator)
In deze zaak vordert [procesdeelneemster 3] erkenning van haar vordering op [onderneming 1] van € 796.453,88. Daaraan heeft [procesdeelneemster 3] ten grondslag gelegd dat deze rechtbank in het vonnis van 13 maart 2024 [onderneming 1] heeft veroordeeld tot betaling van € 715.809,- te vermeerderen met rente en kosten.
Dit vonnis is onherroepelijk geworden. De curator heeft geen rechtsmiddel ingezet tegen de veroordeling van [onderneming 1] . Op grond van vaste jurisprudentie is een onherroepelijk vonnis bindend voor de boedel. Dat is ook hier het geval. De curator heeft nog betoogd dat erkenning van de vordering in strijd zou zijn met de goede zeden. Dat argument heeft de curator echter geen handen en voeten gegeven, ook niet na vragen van de rechtbank. Aan dit verweer moet daarom worden voorbijgegaan. De vordering zal erkend worden.
De vordering wordt niet voor de volledige omvang erkend. [procesdeelneemster 3] heeft namelijk in haar vordering ook kosten meegenomen die niet aan haar vergoed hoeven te worden. In het vonnis van 13 maart 2024 heeft de rechtbank niet alleen geoordeeld in de procedure tussen [procesdeelneemster 3] en [onderneming 1] (de hoofdzaak), maar ook in de vrijwaringsprocedure tussen [onderneming 1] en [procesdeelnemer 1] . [onderneming 1] is in de vrijwaringsprocedure in het ongelijk gesteld en veroordeeld om de proceskosten die [procesdeelnemer 1] heeft gemaakt, te vergoeden aan [procesdeelnemer 1] . Deze proceskostenvergoeding is een vordering van [procesdeelnemer 1] in persoon op [onderneming 1] . Desondanks heeft [procesdeelneemster 3] , ten onrechte dus, de door [onderneming 1] te betalen proceskosten in de vrijwaringsprocedure meegenomen in haar eigen vordering. Dat blijkt uit haar e-mail aan de curator van 4 april 2024. Voor dat deel wordt de vordering van [procesdeelneemster 3] niet erkend. Het gaat daarbij om een bedrag van € 1.720,-. In dit bedrag is nog geen rekening gehouden met rente die [procesdeelneemster 3] daarover berekend heeft en die ook niet verschuldigd is.
De curator is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 3] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
3. De beslissing
De rechtbank
in de zaak 598356 ( [procesdeelnemer 1] / de curator)
wijst de vorderingen van [procesdeelnemer 1] af,
veroordeelt [procesdeelnemer 1] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 1] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [procesdeelnemer 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis voor wat de proceskostenveroordeling in 3.2. betreft uitvoerbaar bij voorraad.
in de zaak 598357 ( [procesdeelneemster 3] / de curator)
erkent de vordering van [procesdeelneemster 3] in het faillissement van [onderneming 1] voor een bedrag van € 796.453,88 minus een bedrag van € 1.720,00 en de daarover door [procesdeelneemster 3] berekende rente,
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis voor wat de proceskostenveroordeling in 3.5. betreft uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
4403