RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
Alfa Medics B.V., uit Urk, eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/567
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H. Swart).
Procesverloop
1. De werkneemster van eiseres was sinds 1 juli 2025 in dienst bij eiseres en heeft zich op 29 september 2025 ziekgemeld. Met het besluit van 29 oktober 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiseres vanaf 29 september 2025 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), berekend naar een dagloon van € 49,85. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 11 december 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
Het geschil
2. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van het dagloon. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv het dagloon conform de regels heeft vastgesteld. Eiseres bepleit dat de vaststelling leidt tot een onredelijk resultaat en doet een beroep op coulance.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft aangevoerd dat de vaststelling van het dagloon te laag is. Bij de vaststelling van het dagloon is volgens eiseres maar met de helft van het uitgekeerde salaris gerekend, omdat de werkneemster halverwege juli is overgezet van een wekelijkse uitbetaling naar een vier-wekelijkse uitbetaling.
4. Het Uwv stelt dat het dagloon van de Ziektewetuitkering wordt berekend aan de hand van de referteperiode. Die periode is in beginsel een jaar, tenzij het dienstverband eerder stopt. Omdat het dienstverband met de werkneemster is aangevangen op 1 juli 2025 en de werkneemster ziek is geworden op 29 september 2025, loopt de referteperiode van 1 juli 2025 tot 31 juli 2025. Het Uwv benadrukt dat wettelijk bepaald is dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen binnen het refertejaar. De opgave van de werkgever aan de Belastingdienst vormt de basis voor de toerekening van loon aan de aangiftetijdvakken. Het loon van de werkneemster over de periode van 15 juli 2025 tot en met 10 augustus 2025 is toegerekend aan het aangiftetijdvak augustus 2025. Daarom worden deze inkomsten niet meegenomen in de dagloonberekening.
5. Op de zitting heeft het Uwv aangegeven dat het niet mogelijk is om een uitzondering te maken op de berekening. De wet biedt daar ten eerste geen ruimte voor. Ten tweede zou het maken van een uitzondering wringen met het gelijkheidsbeginsel, omdat soortgelijke zaken vaker aan de orde komen.
6. De rechtbank kan het Uwv volgen. In vaste rechtspraak over artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit is geoordeeld dat de toepassing van het Dagloonbesluit door de wetgever is voorzien en dat er bewust voor is gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat het Dagloonbesluit geen mogelijkheid biedt in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Het Uwv heeft het dagloon dan ook terecht vastgesteld op € 49,85.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.