RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/703
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M. van Maurik).
Procesverloop
1. Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als [functie] bij [bedrijf] voor 18,77 uur per week. Zij heeft zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht ziekgemeld vanaf 15 april 2020 in verband met gezondheidsklachten.
Met het besluit van 31 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 26,33%. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 7 maart 2024 een rapportage opgemaakt en daarin de functionele mogelijkheden lijst (FML) gewijzigd. De verzekeringsarts heeft aanvullende beperkingen aangenomen ten aanzien van de mentale belastbaarheid zoals een beperking van de leidinggevende aspecten en het voorkomen van een hulpverlenersrol bij het contact met patiënten of hulpbehoevenden. Ook gelden er beperkingen voor de lichamelijke belastbaarheid, eiseres mag enkel fysiek lichte werkzaamheden uitvoeren. Ten slotte is eiseres belastbaar voor maximaal twintig uur per week.
Met het bestreden besluit van 11 december 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld. Zij heeft op 18 februari 2026 en 5 juni 2026 nadere aanvullende informatie overgelegd.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend stuk van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Nadere beperkingen
Het geschil
2. Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv. Eiseres meent dat zij verdergaand beperkt is. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres correct heeft vastgesteld. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiseres op 26 februari 2023 (einde wachttijd) en 6 januari 2025 (herbeoordeling).
Toetsingskader
3. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
- zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen;
- bevatten geen tegenstrijdigheden;
- zijn voldoende begrijpelijk.
4. Het is aan eiseres om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat rapporten niet aan de drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling niet klopt. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zichzelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank twijfel te zaaien aan de medische beoordeling.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat haar functionele mogelijkheden zijn overschat, waardoor haar beperkingen zijn onderschat. Eiseres acht zich niet in staat om nu of in de toekomst arbeid te kunnen verrichten en is van mening dat haar klachten niet of beperkt zijn meegenomen in de beslissing op bezwaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had specifiekere beperkingen moeten aannemen ten aanzien van eiseres. Zo is er geen rekening gehouden met het risico op aanvallen, de noodzaak van toezicht op eiseres tijdens haar werk, de onvoorspelbaarheid van het ziektebeeld van eiseres en in het bijzonder de langdurige hersteltijd. Met name vanwege de lange herstelfase moeten er, los van de tijdelijke urenbeperking en gelet op de overgelegde medische informatie meer beperkingen aangenomen worden in het persoonlijk en sociaal functioneren van eiseres na een aanval. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar standpunt op de verklaring van de medisch maatschappelijk werker. Uit het stuk blijkt dat eiseres na een aanval anderhalf tot tweeënhalve week hersteltijd nodig heeft. In die periode heeft eiseres last van postictale vermoeidheid, verminderde concentratie en een beperkt energieniveau dat zich vertaalt in vertraagde informatieverwerking.
6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 26 maart 2026 gerapporteerd naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift en de ingebrachte brief van de medisch maatschappelijk werker van het expertisecentrum voor epilepsie en slaapgeneeskunde. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de overgelegde informatie geen nieuwe medische feiten bevatten die aanleiding geven tot herziening van de belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML van 7 maart 2025. Daarnaast stipt hij aan dat een maatschappelijk werker geen medicus is en het stuk achteraf is opgetekend. De brief van de maatschappelijk werker geeft alleen inzicht in de gemiddelde aanvalsfrequentie van eiseres, te weten: twee epileptische aanvallen per maand. Deze frequentie komt ook terug in de aanvalskalender van 2024 die eiseres zelf heeft bijgehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar in zijn rapportage rekening mee gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat in deze medische stukken geen argumenten zijn opgenomen die reden geven om af te wijken van het eerdere medische oordeel in bezwaar. Deze klachten en de bevindingen van de behandelend sector zijn vertaald naar items van de FML. De FML is in bezwaar bijgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de bijgestelde FML het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres berekend. Op beide beoordelingsdata was eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt (12,31% en 10,61%).
7. De rechtbank kan de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen en overweegt als het volgt. Eiseres heeft na de rapportage van 26 maart 2026 poliklinische brieven van de neuroloog ingediend, waarin de behandeling van eiseres wordt beschreven over de periode van 11 januari 2023 tot 1 september 2025.
8. Niet alle poliklinische brieven geven een aanwijzing over de situatie van eiseres per data in geding. Wel van belang zijn de brieven van 11 januari 2023 en 16 januari 2025, omdat deze brieven in de buurt van de beoordelingsdata in geschil liggen (26 februari 2023 en 6 januari 2025). Daarbij ziet de brief van 16 januari 2025 op een bijzonder situatie, omdat eiseres toen was opgenomen. Ter zitting heeft eiseres uitgelegd dat deze aanval niet erger was dan andere aanvallen, maar dat de opname plaatsvond op aanraden van een arts om het verloop van de aanval te monitoren. De genoemde brieven zijn geen afwijking van de medische situatie waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanuit is gegaan. Zo laten de brieven nog een aanvalsfrequentie zien van twee keer per maand en dat is waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening mee heeft gehouden.
9. Uit de latere brieven en de toelichting van eiseres op de zitting blijkt inderdaad een latere verslechtering van het ziekteverloop van eiseres. In deze zaak kan de rechtbank daar geen rekening mee houden, omdat deze informatie bij de beoordeling van de data in geding geen rol speelt. Bij het vaststellen van de beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden met de klachten van eiseres zoals ze op de beoordelingsdata speelden.
Conclusie over de medische beoordeling
12. De rechtbank kan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen en heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de beleving door eiseres van haar klachten en inziet dat eiseres inmiddels meer klachten ondervindt, kan dit voor de beoordeling van de data in geding niet betekenen dat er ook verdergaande beperkingen voor arbeid moeten worden aangenomen in de FML. De beroepsgrond slaagt niet.
Arbeidskundige beoordeling
13. Eiseres voert aan dat de geduide functies niet passend zijn, de geduide functies zijn te zwaar voor eiseres. Alle gronden die over de arbeidskundige beoordeling zijn aangevoerd zijn terug te voeren op de medische beoordeling. Eiseres heeft dus geen arbeidskundige beroepsgronden aangevoerd.
14. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv met het arbeidsdeskundig rapport van 10 december 2025 deugdelijk heeft gemotiveerd dat de voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden en dus passend zijn. Het Uwv heeft deze functies aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen leggen. Hieruit volgt ook dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres juist heeft vastgesteld.
Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige
15. Eiseres verzoekt de rechtbank tot slot onder verwijzing naar het Korošec-arrest een onafhankelijke deskundige te benoemen.
16. De rechtbank overweegt dat het arrest Korošec waar eiseres naar verwijst in deze situatie niet meebrengt dat de rechtbank uit het oogpunt van equality of arms gehouden is een medisch deskundige te benoemen. In dit geval heeft de medisch deskundige van het Uwv alle beschikbare informatie bij de beoordeling betrokken. De benodigde twijfel aan het oordeel van de deskundige ontbreekt, zodat er geen aanleiding is een deskundige te benoemen. Nu geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms, kan het door eiseres gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.