RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/585407 / FA RK 24-2368
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 18 augustus 2026
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Cortet,
tegen
[de man] ,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. P.L.J. Woesthoff.
1. De procedure
De rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 de beslissing op de verzoeken van partijen uitgesteld tot 4 februari 2026 in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Voor het verloop van de procedure tot 5 augustus 2025 verwijst de rechtbank naar die beschikking.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
het Raadsrapport van 13 maart 2026, ontvangen op 17 maart 2026;
de berichten van de Raad van 17 december 2025, 2 maart 2026 en 24 april 2026;
de berichten van de man (met bijlagen) van 1 april 2026 en 3 juli 2026;
de berichten van de vrouw (met bijlagen) van 1 april 2026 en 2 juli 2026.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun advocaten, [A.] als tolk voor de vrouw en [B.] en [C.] namens de Raad.
De rechtbank heeft [minderjarige] van twee jaar oud, de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2. Waar de procedure over gaat
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2022 in [plaats 2] (Marokko) met elkaar getrouwd.
De man heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Partijen zijn de ouders van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
Bij beschikking van 6 maart 2025 heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure voorlopige voorzieningen getroffen tussen partijen. De rechtbank heeft toen:
het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [plaats 1] aan de man toegekend;
bepaald dat [minderjarige] om en om drie dagen achtereen bij ieder van de ouders verblijft;
beslist dat de man € 261,- per maand kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw;
de overige verzoeken van partijen, waaronder het verzoek van de man om [minderjarige] aan hem toe te vertrouwen, afgewezen.
Bij beschikking van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de man om de voorlopige voorzieningen te wijzigen, afgewezen.
Partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
Daarnaast verzoekt de vrouw te bepalen dat:
het hoofdverblijf van [minderjarige] zal zijn gelegen bij de vrouw;
de man als kinderalimentatie € 261,- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
De vrouw heeft haar eerdere verzoeken over het huurrecht, de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ingetrokken, zodat de rechtbank daarover niet hoeft te beslissen.
De man wil dat de verzoeken van de vrouw worden afgewezen. Daarnaast verzoekt de man om:
het huurrecht van de woning aan de [adres] in [plaats 1] aan hem toe te wijzen;
hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ;
het hoofdverblijf van [minderjarige] op zijn woonadres te bepalen;
een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] te bepalen van éénmaal per veertien dagen vanaf zaterdagmiddag 14.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking op nihil te bepalen;
de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking op € 88,- per maand te bepalen;
de vrouw te veroordelen om hem € 4.724,- te betalen.
De vrouw voert geen verweer tegen het verzoek van de man over het huurrecht. Voor het overige wil de vrouw dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
3. De beoordeling
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken en:
beslissen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw is;
een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij [minderjarige] om en om drie dagen achtereen bij ieder van de ouders verblijft;
beslissen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder is van de woning aan de [adres] in [plaats 1] ;
beslissen dat de man € 261,- per maand moet betalen aan de vrouw als kinderalimentatie voor [minderjarige] , met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand en steeds voor de eerste van de maand.
De beslissing over de definitieve zorgregeling houdt de rechtbank aan tot 18 augustus 2027 in afwachting van de uitkomst van ouderschapsbemiddeling en het verloop van de voorlopige zorgregeling, met het verzoek aan de advocaten om de rechtbank daarover te informeren.
De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen. Het Nederlands recht is op de verzoeken over de echtscheiding, het kind, het huurrecht en de alimentatie van toepassing. Op het toepasselijk recht op de huwelijksregime van partijen zal de rechtbank onder 3.16. ingaan.
Het ontbreken van het ouderschapsplan
In de beschikking van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank al overwogen dat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding, ondanks het ontbreken van het ouderschapsplan. In dat oordeel is sindsdien geen verandering gekomen.
De echtscheiding
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Het gezag
De rechtbank wijst het verzoek van de man om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten af en legt uit waarom.
Het wettelijk uitgangspunt is dat gescheiden ouders het gezag over hun kind gezamenlijk uitoefenen. Op verzoek van één van de ouders kan de rechtbank beslissen dat het gezag slechts aan één van beiden toekomt. Dit kan de rechtbank doen als zij vindt dat er bij voortzetting van gezamenlijk gezag een te groot risico bestaat dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt door de strijd tussen de ouders en de rechtbank niet verwacht dat dat binnenkort beter wordt of als zij dit in het belang van het kind noodzakelijk vindt. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze situatie geen sprake.
De rechtbank heeft wel zorgen omdat de ouders niet goed met elkaar kunnen overleggen over [minderjarige] . Maar dit kunnen de ouders oplossen door het deelnemen aan ouderschapsbemiddeling. Op de zitting hebben beide partijen gezegd dat zij zullen starten met ouderschapsbemiddeling bij [naam] om te leren overleggen met elkaar. De vrouw accepteert ook individuele hulpverlening voor zichzelf. Daarnaast heeft de rechtbank de man tijdens de zitting met klem aangeraden om ook hulp voor zichzelf te zoeken. Deze hulp kan hem helpen te verwerken wat er is gebeurd tijdens het huwelijk en bij het uiteengaan van partijen. Hierdoor kan hij zijn spanningsklachten verminderen. De rechtbank verwacht dat partijen met deze individuele en gezamenlijke hulp kunnen leren hoe zij gezamenlijk het gezag over [minderjarige] kunnen uitoefenen.
Hoofdverblijfplaats van [minderjarige]
De rechtbank beslist dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw is en legt uit waarom. De Raad heeft geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen, omdat zij hulpverlening accepteert en er zicht is op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij haar thuis. Daarentegen constateert de Raad dat de man ambivalent is ten aanzien van hulpverlening en er geen zicht is op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij hem thuis. De rechtbank volgt dit advies en merkt daarbij nog het volgende op.
Omdat de man de vrouw als moeder blijft diskwalificeren, heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat hij haar voldoende bij de beslissingen over [minderjarige] zal betrekken en daadwerkelijk met haar zal overleggen en zal proberen overeenstemming te bereiken. Zo zegt de man dat de vrouw de zaken voor [minderjarige] niet goed kan regelen, omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Daarnaast blijft de man wijzen op verwondingen die [minderjarige] bij de vrouw heeft opgelopen, zoals een blauwe plek/bult op haar hoofd en een snee. Volgens hem blijkt daaruit dat de vrouw niet goed voor [minderjarige] kan zorgen. De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij wijst erop dat zij, ondanks haar nog gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, heeft laten zien dat zij met hulp van derden de zaken voor [minderjarige] kan regelen. De rechtbank heeft verder al eerder in de procedures over de voorlopige voorzieningen geoordeeld dat zij geen enkele aanleiding ziet om te oordelen dat de vrouw [minderjarige] mishandelt of haar de benodigde zorg onthoudt. De man heeft (opnieuw) verwezen naar een wek-advies dat een arts voor [minderjarige] heeft gegeven. De rechtbank overweegt dat de arts dat advies toen heeft gegeven omdat de man de arts niet verteld had hoe [minderjarige] aan de blauwe plek of bult op haar hoofd was gekomen. Dit staat los van de zorg van de vrouw voor [minderjarige] . De betrokken hulpverlening, die veel contact met de vrouw heeft, bevestigt dat de vrouw goed voor [minderjarige] zorgt. Voor de diskwalificaties door de man ziet de rechtbank dan ook geen grond. Andersom is er geen sprake van dat de vrouw de man bekritiseert over de wijze waarop hij voor [minderjarige] zorgt. De rechtbank vertrouwt erop dat de vrouw wél met de man zal overleggen als zaken voor [minderjarige] geregeld moeten worden. De rechtbank weet dat de ouders samen naar het consultatiebureau gaan en in het verleden ook wel samen hebben overlegd.
De zorg voor [minderjarige]
De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast, waarbij [minderjarige] om en om drie dagen achtereen bij ieder van de ouders verblijft en legt hierna uit waarom.
[minderjarige] verblijft nu om en om drie dagen achtereen bij ieder van de ouders. De Raad hoopt dat de ouders gaan leren met elkaar te overleggen. Hij vindt dat er toegewerkt moet worden naar een week-op-week-af-regeling. Als tussenstap adviseert de Raad een regeling waarbij [minderjarige] steeds vijf dagen achtereen bij iedere ouder verblijft. De man wil dat [minderjarige] een weekend per twee weken bij de vrouw is. De vrouw wil de regeling houden zoals die nu is.
De rechtbank ziet nu geen aanleiding om de huidige regeling, die is vastgesteld in de eerste voorlopige-voorzieningenprocedure, te wijzigen. De rechtbank wil eerst afwachten of het de ouders gaat lukken om goed met elkaar te overleggen. Zij vindt namelijk dat het (ook) daarvan afhankelijk is of er toegewerkt kan worden naar een week-op-week-af-regeling die de Raad voor ogen heeft. Op de zitting is besproken dat het wel goed zou zijn als het aantal overdrachten vermindert, omdat er nu bij de overdrachten incidenten plaatsvinden tussen de ouders, zoals geschreeuw, geduw en getrek. De man vindt dat hij in dit opzicht het slachtoffer is. Hij wil daarom dat de overdrachten plaatsvinden bij de Lidl, waar cameratoezicht op straat is. Dit belast de vrouw, die zo’n veertig minuten naar de overdrachtsplek moet lopen. De huidige situatie is kortom belastend voor alle betrokkenen. De rechtbank is het dan ook wel met de Raad eens dat het in het belang van [minderjarige] en de ouders is dat de overdrachten tussen de ouders worden beperkt, zodat er minder kans is op spanningen tussen de ouders. Tijdens de zitting is er gesproken over aanmelding van [minderjarige] bij een kinderdagverblijf, omdat de Raad het belangrijk vindt dat [minderjarige] daar spoedig naar toe gaat. Daarbij is ook aan de orde gekomen dat daar misschien een alternatieve oplossing ligt: de overdracht van [minderjarige] zou via het kinderdagverblijf kunnen plaatsvinden. Dan hoeven de ouders elkaar niet tegen te komen. Daarvoor zou dan wel nodig zijn dat [minderjarige] op vaste weekdagen bij de vrouw is en op vaste (andere) weekdagen bij de man. Doordat [minderjarige] nog niet naar het kinderdagverblijf gaat, kan de rechtbank de overdrachten via het kinderdagverblijf echter nog niet vastleggen.
Alles bijeen hoopt de rechtbank dat partijen tijdens de ouderschapsbemiddeling nadere afspraken maken over de zorgregeling, met als uitgangspunt dat de zorg voor [minderjarige] gelijkelijk wordt verdeeld tussen hen en waarbij de overdrachten worden beperkt en plaatsvinden via het kinderdagverblijf. Als [minderjarige] ouder is kunnen partijen toewerken naar een week-op-week-af-regeling. Voor de komende jaren kunnen partijen denken aan een regeling waarbij [minderjarige] doordeweeks de ene helft van de week bij de man en de andere helft van de week bij de vrouw verblijft, en in de weekends om en om bij ieder van hen is. Ook moeten partijen afspraken maken over de vakanties en feestdagen.
Het is belangrijk dat partijen tijdens de ouderschapsbemiddeling, naast de verbetering van de communicatie en verstandhouding en de zorgregeling, ook praten over het paspoort van [minderjarige] en de door de vrouw gewenste vakantie met [minderjarige] naar Marokko.
De rechtbank ziet in het voorgaande reden om de beslissing over de definitieve zorgregeling aan te houden voor een jaar, zoals geadviseerd door de Raad, in afwachting van de uitkomst van ouderschapsbemiddeling en het verloop van de zorgregeling. De rechtbank verzoekt de advocaten om voor 18 augustus 2027 de rechtbank te berichten over hoe de procedure voorgezet moet worden (uitstel, zitting of beschikking).
Het huurrecht
De rechtbank bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de huurder zal zijn van de woning aan de [adres] in [plaats 1] . De vrouw heeft namelijk geen verweer gevoerd tegen dit verzoek.
De kinderalimentatie
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de man € 261,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de vrouw zal betalen. Dat zal de rechtbank vastleggen. Ook zal de rechtbank vastleggen dat de man deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen, zoals de vrouw dat heeft verzocht en waartegen de man geen verweer heeft gevoerd.
Vergoedingsrecht
De door de man gestelde vordering op de vrouw betreft de door hem betaalde inburgeringscursussen van de vrouw in de periode van augustus 2022 tot april 2023 van in totaal € 4.724,-. Volgens de man moet de vrouw hem dit bedrag terugbetalen. In de betreffende periode waren partijen gehuwd en verbleef de vrouw in Marokko.
Het betreft hier een zogenoemde persoonlijke betrekking tussen de echtgenoten. Daarop is de Verordening Huwelijksvermogensstelsels van de EU nr. 2016/1103 van toepassing. Uit artikel 26 lid 1 onder b van deze verordening volgt dat op deze rechtsbetrekking het Marokkaanse recht van toepassing is. Partijen hebben namelijk ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel geen rechtskeuze uitgebracht, en zij hebben na de huwelijkssluiting niet hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats binnen zes maanden op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. De vrouw is immers na de huwelijkssluiting van partijen op [datum huwelijk] 2022 tot 8 mei 2023 in Marokko blijven wonen en de man woonde altijd al in Nederland. De vrouw is op 8 mei 2023 in Nederland komen wonen. Daarom is het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen op het tijdstip van de huwelijkssluiting van toepassing en dat is het Marokkaanse recht.
De rechtbank moet dus onderzoeken wat het Marokkaanse recht regelt over de vraag of de man aanspraak kan maken op vergoeding door de vrouw van de door hem betaalde kosten. De rechtbank kan de man daarom niet volgen in zijn stelling dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft op grond van artikel 1:87 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek (vermogensverschuiving tussen echtgenoten). Zijn verzoek is dan ook niet toewijsbaar op die grond.
De man stelt ook dat partijen destijds met elkaar hebben afgesproken dat hij de inburgeringscursussen van de vrouw zou betalen en dat zij deze kosten aan hem terug zou betalen. De vrouw betwist gemotiveerd dat partijen zo’n afspraak hebben gemaakt. Gelet op de betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling te onderbouwen en bewijzen. Dat heeft hij niet gedaan. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat partijen een afspraak met elkaar hebben gemaakt over terugbetaling. Op die grond is het verzoek van de man ook niet toewijsbaar.
In artikel 194 van het toepasselijke Marokkaanse familiewetboek (de Mudawwana) staat dat een echtgenoot tijdens het huwelijk moet voorzien in het levensonderhoud van zijn echtgenote. De rechtbank beschouwt de kosten voor de inburgeringscursus van de vrouw als onderdeel van de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Zij moest deze cursus immers volgen om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning in Nederland en bij haar echtgenoot te kunnen gaan wonen. De man diende als echtgenoot van de vrouw deze kosten voor haar te betalen. Van een terugbetalingsverlichting van de vrouw is geen sprake.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissingen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , de voorlopige zorgregeling en de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat die beslissingen ook moeten worden gevolgd, als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding en het huurrecht. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over het huurrecht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening een beslissing is genomen over het uitsluitend gebruik van de woning. De als voorlopige voorziening genomen beslissing over het uitsluitend gebruik van de woning blijft gelden tot de beslissing over het huurrecht in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Hiervan is sprake zodra geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen;
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , bij de vrouw is;
stelt vast als voorlopige zorgregeling, die geldt tot partijen een andere afspraak maken of de rechter een andere regeling vaststelt:
- [minderjarige] verblijft om en om drie dagen achtereen bij ieder van de ouders, totdat partijen bij ouderschapsbemiddeling een andere gelijke verdeling van de zorg afspreken;
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder is van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 1] ;
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 261,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
bepaalt dat deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding en het huurrecht van de echtelijke woning betreft;
houdt de (verdere) beslissing over de definitieve zorgregeling aan tot 18 augustus 2027, in afwachting van de uitkomst van de ouderschapsbemiddeling en het verloop van de zorgregeling, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum de rechtbank te informeren over de stand van zaken en te laten weten:
of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
of een nieuwe zitting nodig is;
of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G.L.M. Urbanus, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
ÖD