ECLI:NL:RBMNE:2026:6361

ECLI:NL:RBMNE:2026:6361

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer UTR 26/2344 en UTR 26/1868
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Voorlopige voorziening, urgentieaanvraag, Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet wordt voldaan aan alle algemene eisen voor een urgentieverklaring en oordeelt dat er geen reden bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

[eiseres / verzoekster] , uit [plaats] , eiseres/verzoekster,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/2344 en 26/1868

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, het college,

(gemachtigden: mr. J.J. Vogel, D.G. Koelewijn, N.S. Ramtahalsing).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de urgentieaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoekster krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een urgentieaanvraag ingediend vanwege het beëindigen van haar relatie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 september 2025 afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 januari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde en de gemachtigden van het college.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De situatie van verzoekster

4. Verzoekster is een alleenstaande moeder van twee minderjarige kinderen (10 en 15 jaar). Vanaf februari 2022 had zij een relatie met haar nu ex-partner. Verzoekster en haar partner woonden samen aan de [adres] in [plaats] . In mei 2025 eindigde de relatie, waarna verzoekster de woning moest verlaten. Zij logeerde van mei tot juli 2025 bij haar zus. Daarna verbleef zij tijdelijk bij haar moeder. Ook verbleef zij tijdelijk zonder huurcontract bij een particulier als tussenoplossing. Van februari tot en met maart 2026 verbleef verzoekster tijdelijk bij haar ex-partner. Daarna woonde zij tijdelijk bij een onbekend persoon. Ook verbleef zij nog een nacht in een hotel. Verzoekster stelt dat zij dus al geruime tijd feitelijk dakloos is en zij verblijft met haar kinderen steeds op andere plekken. Zij heeft niemand in haar netwerk die haar en haar kinderen langdurig kan opvangen. Verzoekster heeft daarom urgentie aangevraagd. Zij staat ingeschreven bij WoningNet. Met haar inkomen komt zij niet in aanmerking voor een particuliere woning en er zijn geen andere oplossingen beschikbaar. Verder heeft verzoekster medische klachten aan haar voet, waardoor zij niet langer dan een uur kan lopen, en ervaart zij andere lichamelijke en psychische klachten (stress, onzekerheid, hartkloppingen e.d.).

De afwijzing van de urgentieaanvraag

5. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van de algemene vereisten van artikel 28, eerste lid, onder a en b, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023, gemeente IJsselstein (de Huisvestingsverordening). Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat verzoekster geen ingezetene is (a-grond) en dat zij niet beschikt over zelfstandige woonruimte in de woningmarktregio (b-grond). Volgens het college is er verder gelet op de omstandigheden geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.

Het standpunt van verzoekster

Ingezetene (a-grond)

6. Verzoekster wijst op de definitie van ingezetene (artikel 1 Huisvestingsverordening). Zij stond en staat ingeschreven in de BRP op een briefadres in [plaats] . Daarnaast verbleef zij tijdens de relatie feitelijk en rechtmatig in de woning van haar ex-partner. Verzoekster stelt dat het college de definitie van artikel 1 onjuist uitlegt. In de definitiebepaling staat niet dat de betrokkene moet zijn ingeschreven met een woonadres in het BRP, maar dat een persoon moet zijn opgenomen in het BRP. Het ingeschreven staan met een briefadres houdt volgens verzoekster ook in dat zij is opgenomen in het BRP. Door te eisen dat het feitelijke verblijfsadres identiek moet zijn aan het BRP-adres, voegt het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel een extra voorwaarde toe. Uit de artikelsgewijze toelichting volgt niet dat er een dergelijke koppeling tussen het BRP-adres en het feitelijk adres bestaat. Verzoekster stelt verder dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk een periode van twee jaar bij haar ex-partner woonde. Nu zij in de BRP van de regio stond ingeschreven en haar feitelijk verblijf in [plaats] was, voldoet zij wel aan de definitie ingezetene.

Zelfstandige woonruimte (b-grond)

7. Verzoekster stelt dat het college deze grond niet mag tegenwerpen. Tijdens haar relatie vormde zij een huishouden en beschikten zij als huishouden over de woonruimte van de ex-partner. Zij stelt dat deze voorwaarde een vreemde eend in de bijt is wanneer een ouder na het einde van een relatie de woning moet verlaten. Juist in dat soort gevallen verliest een woningzoekende de beschikking over de woning. Wanneer dit als afwijzingsgrond wordt gebruikt kan geen enkele ouder die na een relatiebreuk uit huis is gezet in aanmerking komen voor urgentie wegens relatie beëindiging. Ook bevat het besluit geen inhoudelijke reactie op de bezwaargronden. Verzoekster is na de relatie beëindiging dakloos geraakt en komt daarom in aanmerking voor urgentie wegens relatie beëindiging. Volgens verzoekster is de Huisvestigingsverordening innerlijk tegenstrijdig omdat een van de vereisten voor een urgentie bij relatie beëindiging (geen van de ouders in de woningbehoefte van de kinderen kan of had kunnen voorzien) daarmee ook een afwijzingsgrond is (de woningzoekende beschikt over een zelfstandige woonruimte). Verder stelt verzoekster dat het feit dat zij niet op een contract stond niet af doet aan het feit dat zij feitelijk gebruik maakte van de woning van de ex-partner en daar haar hoofdverblijf had.

Hardheidsclausule

8. Verzoekster stelt dat het college urgentie had moeten verlenen omdat een afwijzing in haar geval leidt tot bijzondere hardheid. De bezwaarschriftenadviescommissie heeft overwogen dat het college de hardheidsclausule te beperkt heeft uitgelegd en dat het belang van de minderjarige kinderen niet is meegewogen. Dit heeft het college in het bestreden besluit niet hersteld. Een concrete en kenbare beoordeling van de specifieke omstandigheden van verzoekster en haar kinderen ontbreekt. De kinderen hebben geen vaste woonplek, verblijven op verschillende adressen en moeten wel elke dag naar school. Verder heeft het college verwezen naar [naam] voor een alternatieve mogelijkheid. Maar [naam] verleent alleen zorg aan volwassen met psychiatrische problematiek en biedt geen ondersteuning aan gezinnen met minderjarige kinderen. Ook noemt het college geen andere opvangplek. Verder had het college de medische situatie moeten betrekken in het kader van de hardheidsclausule.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

Voldoet verzoekster aan de voorwaarden voor urgentie?

9. Binnen de gemeente Utrecht is sprake van een ernstig woningtekort, waaronder een tekort aan sociale huurwoningen. Woningzoekenden staan hierdoor jarenlang op de wachtlijst. Met urgentie krijgt een woningzoekende voorrang op die wachtlijst. Om ervoor te zorgen dat er ook woningen beschikbaar blijven voor woningzoekenden zonder urgentie, staan er in artikel 28, eerste lid, van de Huisvestingsverordening strikte voorwaarden om voor urgentie in aanmerking te komen. Alleen als aan al die voorwaarden is voldaan wordt op deze grond urgentie verleend.

10. In artikel 28 van de Huisvestingsverordening is het volgende bepaald:

1. Urgentie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden:

In artikel 1 van de Huisvestingsverordening is het begrip ingezetene als volgt gedefinieerd:

ingezetene: degene die in de Basisregistratie Personen van één van de gemeenten in de woningmarktregio is opgenomen en daar tenminste één jaar feitelijk en rechtmatig hoofdverblijf heeft in een woonruimte, die volgens het omgevingsplan is aangewezen of bestemd voor permanente bewoning

11. Het college stelt dat uit de definitiebepaling van artikel 1 van de Huisvestingsverordening volgt dat de definitie van ingezetene tweeledig is en dat die twee elementen niet los van elkaar kunnen worden gelezen. Uit de bewoordingen 'en daar' maakt het college namelijk op dat de woningzoekende moet zijn opgenomen in de BRP en daar (op dat BRP-adres) ook tenminste één jaar feitelijk en rechtmatig hoofdverblijf moet hebben. Op het briefadres waarop verzoekster is ingeschreven in de gemeente [plaats] is zij niet woonachtig (geweest). En op het adres waar verzoekster volgens haar gemachtigde een jaar feitelijk hoofdverblijf zou hebben gehad, is zij niet ingeschreven (geweest) in de BRP.

12. De voorzieningenrechter is anders dan het college van oordeel dat uit de letterlijke tekst van artikel 1 van de Huisvestingsverordening niet eenduidig volgt dat iemand een ingezetene is wanneer die persoon zowel in de BRP staat ingeschreven én op dat BRP-adres moet wonen. De term woonadres wordt in deze bepaling in het geheel niet genoemd. Dat het moet gaan om een BRP-adres waar iemand ook moet wonen, volgt ook niet uit de artikelsgewijze toelichting waar verzoekster naar heeft verwezen. Daar volgt namelijk uit dat urgentie alleen wordt verleend aan ingezetenen. Volgens de toelichting betekent dat én dat men in geschreven moet zijn in de BRP, én in een woning moet wonen die is bestemd voor permanente bewoning. Om die reden komt bijvoorbeeld een huishouden dat permanent een recreatiewoning bewoont niet in aanmerking, want een recreatiewoning is niet bestemd voor permanente bewoning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook uit deze artikelsgewijze toelichting niet duidelijk volgt dat het – zoals het college stelt – moet gaan om een BRP-adres waar iemand ook daadwerkelijk op woonachtig is.

Op de zitting heeft het college toegelicht dat ook uit de achtergrond van de BRP-inschrijving volgt dat het moet gaan om het woonachtig zijn op een woonadres. Zo is controleerbaar of iemand ingezetene is in een gemeente en kan worden aangetoond of iemand daar feitelijk verblijft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook deze toelichting van het college op de zitting over de achtergrond van de BRP-inschrijving niet maakt dat het evident is dat iemand ook feitelijk verblijft op het BRP-adres waar diegene op staat ingeschreven, omdat wanneer iemand op een briefadres staat ingeschreven dit per definitie anders is.

De voorzieningenrechter volgt de minister – voor zover dat relevant is – wel in het standpunt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk ten minste één jaar haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres van haar ex-partner. In bezwaar heeft verzoekster stukken overgelegd waaruit volgens haar volgt dat zij met haar ex-partner samenwoonde. Zij heeft daartoe bankafschriften overgelegd, een KVK-uittreksel van haar (oud-)onderneming, een financieel jaaroverzicht, een foto van een pakketje met daarop het adres van haar ex-partner, en een aantal bonnetjes van aankopen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze stukken niet afdoende zijn om te onderbouwen dat verzoekster feitelijk één jaar haar hoofdverblijf bij haar ex-partner heeft gehad. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat uit deze bankafschriften niet blijkt waarom de betalingen zijn gedaan. Dat de betalingen door de (oud-)onderneming van verzoekster zijn verricht zegt ook niets over de feitelijke verblijfsplaats van verzoekster. Ook het feit dat verzoekster post heeft ontvangen op het adres van haar ex-partner en de overgelegde bonnen maken niet aannemelijk dat zij daar daadwerkelijk een jaar feitelijk en rechtmatig heeft gewoond. Verder heeft het college verzoekster ook kunnen tegenwerpen dat als de feitelijke verblijfsplaats op het woonadres van haar ex-partner was, het in de rede had gelegen dat verzoekster dat had aangegeven bij haar aangifte van adreswijziging.

Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat verzoekster niet aan alle algemene voorwaarden uit artikel 28 van de Huisvestingsverordening voldoet. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat verzoekster als woningzoekende niet beschikt over een zelfstandige woonruimte in de woningmarktregio (b-grond). Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat deze voorwaarde niet betekent dat iemand feitelijk over een woning beschikt, maar dat ook aan de voorwaarde wordt voldaan als iemand op een koop- of huurovereenkomst staat. Anders dan verzoekster stelt is deze voorwaarde niet innerlijk tegenstrijdig. Wanneer een koppel uit elkaar gaat maar zij allebei op het huur- of koopcontract staan, dan laat de vertrekkende partner een zelfstandige woonruimte achter. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat, anders dan verzoekster stelt, het college in het bestreden besluit afdoende op de door verzoekster in bezwaar aangevoerde gronden is ingegaan.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande daarom van oordeel dat niet is voldaan aan alle algemene eisen voor een urgentverklaring. Het college komt daarom niet toe aan een beoordeling van de specifieke eisen die gelden voor de verschillende gronden voor urgentverklaring uit artikel 27 van de Huisvestingsverordening.

Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?

13. Het college is op grond van artikel 72 van de Huisvestingsverordening bevoegd om af te wijken van de regels in de Huisvestingsverordening. Dit is mogelijk in uitzonderlijke gevallen waarin de toepassing van een regel in de Huisvestingsverordening tot een bijzondere hardheid leidt. Bij het toepassen van deze hardheidsclausule heeft het college beleidsruimte. De toepassing van deze bevoegdheid wordt daarom door de voorzieningenrechter terughoudend getoetst.

14. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd dat de hardheidsclausule niet wordt toegepast. Het college motiveert dat dreigende dakloosheid met kinderen een ernstige omstandigheid is, maar volgens het geldende urgentiebeleid dit niet automatisch grond voor toepassing van de hardheidsclausule vormt. De verantwoordelijkheid voor het regelen van een woning ligt bij verzoekster. Ook vindt het college dat er nog alternatieve mogelijkheden zijn, verzoekster kan zich via [naam] wenden tot opvangvoorzieningen en via [naam] kan contact opgenomen worden met Beter Wonen om te onderzoeken of een eenmalige aanbieding mogelijk is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel het bestreden besluit berust op een summiere motivering, het college in dit geval in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat er geen reden bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de belangen van de kinderen, namelijk de behoefte aan rust, structuur en een veilige leefomgeving, het feit dat zij elke dag naar school moeten en de oudste in zijn eindexamenjaar zit, hun sociale ontwikkeling en psychisch welzijn, niet specifiek heeft meegewogen. Ook heeft verzoekster overtuigend betoogd dat [naam] geen optie is omdat [naam] alleen zorg levert aan volwassenen met ernstig psychiatrische problematiek. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het college op de zitting nog nader heeft toegelicht dat hoewel de situatie voor verzoekster en haar kinderen heftig is, verzoekster niet voldoende heeft aangetoond dat de belangen van de kinderen maken dat van de algemene voorwaarden moet worden afgeweken en dat van gezondheidsklachten de kinderen niet is gebleken dan wel niet zijn voldoende zijn onderbouwd. Ook heeft het college toegelicht dat de medische klachten van verzoekster niet afdoende zijn om de hardheidsclausule toe te passen. Verder heeft het college gemotiveerd dat hoewel [naam] geen opvang kan bieden, er wordt gekeken naar een tussenvoorziening door middel van maatschappelijke opvang en dat daar gesprekken plaatsvinden. Ook is verzoekster niet daadwerkelijk dakloos. Op de zitting heeft verzoekster namelijk bevestigd dat zij op het adres waar zij nu verblijft nog mag verblijven en niet gesteld of gebleken is dat zij op korte termijn van dat adres moet vertrekken. Op dit moment verblijft verzoekster nog steeds op dat adres. Hoewel de voorzieningenrechter wil benadrukken dat zij hiermee niet de ernst van de problemen van verzoekster in twijfel trekt, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er meer vergelijkbare gevallen zijn zoals de situatie waarin verzoekster verkeerd en dat verzoekster op dit moment niet daadwerkelijk dakloos is. Gelet op het woningtekort waaronder het tekort aan sociale huurwoningen, mag het college kiezen voor een strikt beleid en het zeer terughoudend toepassen van de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter is gelet op deze motivering van oordeel dat het college ondanks de summiere motivering in het bestreden besluit geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.

De omstandigheid dat het college pas de zitting een nadere toelichting heeft gegeven over de belangen van de kinderen en de medische problematiek maakt dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit dat later is hersteld. De voorzieningenrechter passeert dit motiveringsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet is gebleken dat verzoekster hierdoor is benadeeld.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat de voorzieningenrechter artikel 6:22 van de Awb toepast, heeft verzoekster wel recht op vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Verzoekster krijgt ook het griffierecht vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand