ECLI:NL:RBMNE:2026:6363

ECLI:NL:RBMNE:2026:6363

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer UTR 26/2140
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

WIA. Beroep tegen een in bezwaar verlaagde mate van arbeidsongeschiktheid ongegrond. Toegenomen beperkingen na beoordelingsdatum.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder,

(gemachtigde: W.A. Postma).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [werkgever] , uit [vestigingsplaats] (werkgever)

(gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit).

Inleiding

1. In deze procedure gaat het om de vraag of de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) terecht is gebaseerd op een in bezwaar verlaagde mate van arbeidsongeschiktheid van 71,65% op 11 oktober 2024. Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij op die datum volledig arbeidsongeschikt is.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Eiser werkte gemiddeld 40 uur per week als [functie] en heeft zich op 19 september 2022 ziekgemeld. Eiser heeft op 24 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)

3. Het Uwv heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek op 9 oktober 2024 besloten dat eiser vanaf 11 oktober 2024 tot 11 juni 2026 een loongerelateerde uitkering op grond van de WIA krijgt, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 82,26%.

4. Werkgever heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat hij vindt dat eiser duurzaam arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing heeft werkgever een rapport van een medisch adviseur van 13 maart 2025 overgelegd.

5. Naar aanleiding van het bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv een nader onderzoek verricht.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na medisch onderzoek op 14 november 2025 geconcludeerd dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) één jaar na de beoordelingsdatum 11 oktober 2024 zijn toegenomen vanwege klachten die eiser niet op of rond 11 oktober 2024 had. Zij ziet daarom geen aanleiding de FML per 11 oktober 2024 te herzien. Wel is zij van oordeel dat de beperkingen duurzaam zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de drie door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies aangevuld met twee functies en dat leidt ertoe dat de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd lager wordt.

6. Op 13 januari 2026 heeft het Uwv eiser en werkgever bericht voornemens te zijn om zijn besluit van 9 oktober 2024 te wijzigen in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt verlaagd naar 71,65%. Hiertegen zijn geen zienswijzen ingediend.

7. Het Uwv heeft met zijn besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van werkgever gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser verlaagd naar 71,65%. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Procedureverloop

8. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Werkgever heeft op het verweer gereageerd.

9. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het Uwv en de gemachtigde van werkgever.

Beoordeling door de rechtbank

Geheimhouding

10. Eiser heeft niet gereageerd op de vraag van de rechtbank of hij toestemming geeft om de medische informatie te delen met de werkgever. Vanwege uitblijven van een reactie gaat de rechtbank uit dat hij geen toestemming geeft. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over medische gegevens om zo te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt. Op sommige plekken is het noemen van medische gegevens echter noodzakelijk voor de begrijpelijkheid van de uitspraak.

Beoordelingskader

11. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.

Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek

12. De rechtbank is niet gebleken van een onzorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser gesproken op 14 november 2025. Ook heeft zij informatie opgevraagd bij de huisarts en de cardioloog en heeft zij de verkregen medische informatie betrokken bij haar overwegingen en conclusie in haar rapport van 8 december 2025.

Medisch inhoudelijke beoordeling

13. Eiser voert aan dat onvoldoende onderbouwd is waarom hij niet op 11 oktober 2024 als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is te beschouwen, omdat zijn beperkingen op die datum wel al als duurzaam worden geacht en niet concreet is aangegeven op welke punten nog verbetering te verwachten is. Eiser vindt daarom dat hij vanaf die datum in aanmerking moet komen voor een IVA-uitkering. Verder stelt eiser dat ondanks dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast heeft gesteld dat sprake is van toegenomen beperkingen, zij ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de FML aan te passen per 11 oktober 2024. Bij ontbreken van medische informatie had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de huisarts juist specifiek moeten vragen of die toename van de klachten ook al te signaleren was op of rond 11 oktober 2024.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van onderzoek en de verkregen informatie van de huisarts en de cardioloog vastgesteld dat de beperkingen in de FML ruim één jaar na de beoordelingsdatum zijn toegenomen ten aanzien van lopen, staan, trappenlopen en klimmen vanwege de in november 2025 geconstateerde heupartrose. Ze heeft onderbouwd waarom zij geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de toegenomen beperkingen al op de beoordelingsdatum 11 oktober 2024 aanwezig waren. Uit de brief en het journaal van de huisarts volgt dat er contact is geweest kort voor de beoordelingsdatum – 26 september 2024 – en op dat moment komen geen klachten over de heup naar voren. Het daaropvolgende contact is pas in november 2025 en gaat over de problemen met de heup en de geconstateerde heupartrose. De informatie van de cardioloog is van een jaar voor de beoordelingsdatum. De rechtbank kan dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in de conclusie dat er geen medische onderbouwing is voor het aannemen van meer beperkingen op of rond de beoordelingsdatum en dat er geen aanleiding bestond om specifieker door te vragen of de heupklachten al te signaleren zouden zijn geweest op of rond 11 oktober 2024. Eiser heeft in beroep geen medische informatie ingebracht of op andere wijze twijfel gezaaid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van zijn gezondheidstoestand op de beoordelingsdatum 11 oktober 2024. Dat betekent dat de rechtbank kan volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft gezien de FML per 11 oktober 2024 aan te passen.

15. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft waarom – ook op de beoordelingsdatum – sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. Een motivering op welke punten dan nog verbetering te verwachten is, is dan ook niet nodig. Dat ondanks de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen op de beoordelingsdatum geen sprake is van een volledige arbeidsongeschiktheid, vloeit voort uit de arbeidskundige beoordeling waaruit een mate van arbeidsongeschiktheid komt van onder de 80-100%.

Arbeidskundige beoordeling

16. Eiser voert aan dat het niet juist is dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee aanvullende nieuwe functies heeft geselecteerd, terwijl de FML niet was gewijzigd. Juist door dat bijduiden van twee nieuwe functies is de mate van arbeidsongeschiktheid ten nadele van eiser verlaagd.

17. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bijduiden van functies niet mag als de FML niet is gewijzigd. Volgens vaste rechtspraak en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten mogen in geval van een schatting per einde wachttijd nieuwe functies worden geduid. In bezwaar dient een volledige heroverweging plaats te vinden en in dat kader heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat de primaire arbeidsdeskundige slechts drie functies had geselecteerd, waarvan één functie met een veel lagere arbeidsduur. Daarom heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het functiesysteem opnieuw geraadpleegd en aanvullend twee nieuwe functies geselecteerd.

18. Eiser voert ook aan dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn, omdat geen rekening is gehouden met zijn ernstige vermoeidheidsklachten, zijn hartklachten, zijn benauwdheidsklachten en zijn ernstige artroseklachten. Langer dan 10 of 15 minuten geconcentreerd werken is voor hem niet mogelijk en dat wordt juist verwacht in de geduide functies.

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 9 januari 2026 gemotiveerd toegelicht dat de geduide functies vallen binnen de belastbaarheid van eiser, zoals vastgesteld in de FML van 27 september 2024 en geldend op 11 oktober 2024. Voor het standpunt dat de functies in medisch opzicht op 11 oktober 2024 niet passend zijn, heeft eiser geen medische informatie overgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat de geselecteerde functies voor eiser niet geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de door hem geselecteerde functies dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser ten grondslag mogen leggen. Hieruit volgt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage in bezwaar is verlaagd naar 71,65%.

20. Op de zitting is besproken dat eiser zelf eerder geen melding heeft gedaan over zijn toegenomen arbeidsongeschiktheid. Wel blijkt duidelijk dat eiser toegenomen beperkingen heeft als gevolg van de heupartrose en dat deze ook duurzaam zijn. Zoals hiervoor is overwogen, kan daarmee in deze procedure geen rekening worden gehouden, omdat het in deze procedure gaat om het beoordelen van de geschiktheid van de functies voor eiser op

11 oktober 2024.

In de op dit moment lopende bezwaarprocedure tegen het besluit over de toekenning van de vervolguitkering is het daarom juist in het belang van eiser dat alle medische informatie over de toegenomen beperkingen wordt betrokken.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser correct heeft vastgesteld op 71,65% op 11 oktober 2024. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

is verhinderd te ondertekenen

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand