RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
Dolmans Calamiteiten Diensten B.V., uit IJsselstein, eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1442
(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [werknemer] (hierna: de werknemer)
(gemachtigde: mr. D.W.A. van weert en [naam] )
1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van de voormalige werknemer (hierna: de werknemer) van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat de werknemer wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat haar werknemer recht heeft op een IVA-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft beslist dat geen sprake is van duurzaamheid.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het duurzaamheidsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat niet wordt verwacht dat een deugdelijke motivering alsnog kan worden gegeven. De rechtbank kent per datum in geding een IVA-uitkering toe aan de werknemer. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De werknemer van eiseres is per 14 april 2021 arbeidsongeschikt gemeld en op 11 november 2021 is hij uit dienst gegaan wegens psychische klachten. Per einde wachttijd op 11 april 2023 is aan de werknemer een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Eiseres heeft aan het Uwv op 1 april 2025 verzocht om de gezondheidssituatie van de werknemer opnieuw te beoordelen. Volgens eiseres is er namelijk sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van dat verzoek heeft het Uwv de medische situatie van de werknemer bekeken en met het besluit van 20 mei 2025 (het primaire besluit) de uitkering ongewijzigd gelaten. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het Uwv heeft bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en bepaald dat de werknemer geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nog aanvullende reacties ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de werknemer en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
3. De werknemer heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan eiseres te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
Het geschil
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van psychische klachten. Tussen partijen is wel in geschil of de arbeidsongeschiktheid van de werknemer op de datum in geding, te weten 1 april 2025, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat hij recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Partijen verschillen van mening over de vraag of de benutbare mogelijkheden op termijn weer zullen toenemen. Eiseres en de werknemer zien die mogelijkheid niet, waar het Uwv stelt dat de beperkingen niet duurzaam zijn en hij nog behandelopties ziet.
Wat vindt eiseres?
5. Eiseres vindt dat de werknemer duurzaam arbeidsongeschikt moet worden verklaard. Het lukt de werknemer namelijk niet om te handelen binnen de adviezen en om behandelingen te volgen, waardoor verbetering uitblijft. Daarnaast baseert de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verwachting van verbetering van de belastbaarheid op een behandeling die nog door geen enkele behandelaar is geadviseerd, te weten: ECT elektroconvulsie therapie (hierna: ECT-therapie). Zo biedt het behandelcentrum waar de werknemer voor het laatst zorg heeft gezocht ECT-therapie aan. De behandelend psychiater van de werknemer heeft deze behandeling niet als optie gezien en heeft geconcludeerd dat er geen behandelmogelijkheden over zijn voor de werknemer. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze behandeling toch voorstelt betekent volgens eiseres dat het duurzaamheidsoordeel onvoldoende is gemotiveerd. Het duurzaamheidsoordeel is onvoldoende toegespitst op de individuele situatie van de werknemer. Ten onrechte is de voorgestelde behandeloptie niet getoetst bij de behandelaren noch heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle stappen uit het beoordelingskader doorlopen.
Wat vindt het Uwv?
6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt zich op het standpunt dat vermindering van de mentale beperkingen te verwachten is, en dat er nog beschikbare behandelmogelijkheden zijn omdat het verloop van de psychische aandoening vaak fluctuerend is en er meerdere behandelstrategieën mogelijk zijn. Het behandelarsenaal is niet uitgeput omdat ECT-therapie een mogelijkheid is.
7. In de aanvullende rapportage van 31 maart 2026 stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het onvoldoende effect hebben van de behandelingen niet betekent dat verdere behandeling uitgesloten is. Binnen de huidige psychiatrische richtlijnen is er expliciet gewezen op aanvullende behandelopties, waaronder ECT-therapie. Die behandeling zou volgens internationale richtlijnen overwogen moeten worden wanneer eerdere behandelingen onvoldoende effect hebben gehad. Bij de werknemer is sprake van meerdere factoren die volgens deze richtlijnen een indicatie kunnen vormen voor ECT-therapie. Een ECT-behandeling is volgens deze arts tegenwoordig een relatief veilige behandeling, mits deze plaatsvindt in een gespecialiseerde setting met adequate begeleiding. De belastbaarheid van de werknemer kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep toenemen wanneer bepaalde symptomen verminderen en daarmee minder beperkingen vormen. Dat zal leiden tot een toename van de functionele mogelijkheden.
Toetsingskader
8. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
9. De Centrale Raad hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. De verzekeringsarts dient een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Beoordeling van het geschil
Wat vindt de rechtbank?
10. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de vereisten die de Raad stelt aan de door de verzekeringsarts te maken inschatting van de kans op herstel van de werknemer in het eerste jaar en daarna. De verzekeringsarts heeft zijn medisch oordeel onvoldoende gemotiveerd. De inschatting berust in dit geval op informatie uit de GGZ standaard dat bij deze klachten er een adequate behandeling bestaat, te weten ECT-behandeling, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij niet de feiten en omstandigheden betrokken die spelen bij de werknemer en of deze behandeling gelet zijn specifieke situatie ook voor hem geschikt te achten is. De verzekeringsarts heeft zijn verwachting niet gestoeld op overleg met de behandelende artsen over het reeds doorlopen behandeltraject en over de te verwachten effecten van eventuele nadere behandelingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook geen nadere informatie opgevraagd bij de behandelend artsen over de haalbaarheid van deze ingrijpende behandeling en het te verwachten resultaat van de behandeling. Dat terwijl de behandeling wordt aangeboden bij de (voormalig) zorgverleners van de werknemer, die juist concludeerden dat er geen behandelmogelijkheden meer waren. Dat had voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanwijzing moeten zijn om contact op te nemen met de behandelaren van de werknemer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volstaat met een algemene beschrijving op basis van verschillende richtlijnen over de toepasselijkheid en de resultaten van de ECT-therapie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat na behandeling een meer dan geringe kans bestaat op verbetering van de belastbaarheid. Welke verbetering van de arbeidsbeperkingen van werknemer wordt verwacht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet geconcretiseerd. Er is geen zogeheten fictieve FML opgesteld van de te verwachten belastbaarheid van de werknemer na de ECT-behandeling. Daarom is niet voldaan aan de eis dat, indien een inschatting van de duurzaamheid berust op een (ingezette) medische behandeling, een onderbouwing is vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
11. Het beroep slaagt. Het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering, zodat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
12. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.
De gevolgen
13. Vervolgens moet de rechtbank beslissen hoe het verder gaat met de procedure. Daarbij is het uitgangspunt dat de rechtbank het geschil zo definitief mogelijk beslist.
14. Zelf in de zaak voorzien kan de rechtbank doen als zij over de relevante feiten en belangen beschikt. De rechtbank heeft zelf niet de medische expertise om vast te stellen dat de werknemer duurzaam arbeidsongeschikt is. Toch ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om zelf een beslissing over de uitkering van de werknemer te nemen. Op basis van alle aanwezige gegevens bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Daarbij betrekt de rechtbank dat er meerdere rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn waarin is nagelaten om een op het individuele geval van de werknemer toegespitste inschatting te maken. Het dossier bevat evenmin informatie waaruit de conclusie kan worden getrokken dat vaststaat dat de verbetering van de belastbaarheid na medische behandeling optreedt. Nu er geen aanleiding bestaat dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien moet ervan worden uitgegaan dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de werknemer ook duurzaam is. Daarom wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt dat het primaire besluit van 3 februari 2025 wordt herroepen en dat aan de werknemer een IVA-uitkering wordt toegekend met ingang van 1 april 2025. Het is aan het Uwv om de werknemer en eiseres te informeren over de (financiële) gevolgen van het toekennen van de IVA-uitkering. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het niet is voorzien van een deugdelijke motivering.
16. De rechtbank voorziet zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, door het primaire besluit van 20 mei 2025 te herroepen en te bepalen dat werknemer met ingang van 1 april 2025 recht heeft op een IVA-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
17. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling van € 666,- in bezwaar en € 934,- in beroep. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), de hoorzitting bijgewoond (1 punt), een beroepschrift ingediend (1 punt) en de zitting bijgewoond (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-. Ook moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 397,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 februari 2026;
- herroept het primaire besluit van 20 mei 2025;
- bepaalt dat aan de werknemer een IVA-uitkering voor volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt toegekend met ingang van 1 april 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.