RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/612524 / JL RK 26-352
Datum uitspraak: 24 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. P.A.J. van Putten uit Almere.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 2 juli 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 2 juli 2026 tot 2 oktober 2026. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
De kinderrechter heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
twee brieven van [minderjarige] van 22 september 2026;
de brief van Pluryn van 15 september 2026, door de GI ter zitting overgelegd.
Op 24 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder;
- [A.] namens de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Voor de vaststaande feiten en het eerdere procesverloop verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 2 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Nu de kinderrechter de machtiging al heeft verleend tot 2 oktober 2026, moet de kinderrechter nog beslissen over de machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van 2 oktober 2026 tot 6 januari 2027.
4. De standpunten
De GI
De GI vindt een machtiging voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk voor [minderjarige] en sluit zich aan bij het advies van Pluryn. Uit het advies van Pluryn volgt dat [minderjarige] binnen de kleinschalige groep met intensieve begeleiding positieve stappen heeft gezet in het stabiliseren van haar gedrag, het nakomen van afspraken en het aangaan van contact met pedagogisch medewerkers en groepsgenoten. Tegelijkertijd neemt de spanning en onrust bij [minderjarige] toe zodra er onduidelijkheid, onrust of spanning ontstaat. Dit uit zich in verbale en fysieke agressie richting spullen of personen. Vanwege de afhankelijkheid van nabijheid en begrenzing, de aanwezige spannings- en agressierisico’s en de nog lopende behandeltrajecten vindt Pluryn verlenging van de machtiging voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk. Daarbij merkt de GI op dat de verslaglegging van Pluryn erg summier is. Voor de GI is onduidelijk in hoeverre behandeling heeft plaatsgevonden. De GI denkt ook dat therapie wenselijk is voor [minderjarige] , maar dan moet zij dat zelf ook willen. Vanuit de begeleiding van Pluryn hoort de GI dat er nog zorgen zijn over [minderjarige] , maar zij begrijpt dat de advocaat van [minderjarige] een andere begeleider heeft gesproken met minder zorgen over [minderjarige] . Dit is verwarrend voor de GI, maar ook voor [minderjarige] . De GI vindt de ontwikkelingen nog erg fragiel. [minderjarige] heeft nog niet voldoende met vrijheden geoefend en er heeft een incident plaatsgevonden. Bovendien is er nog wantrouwen vanuit de vader van [minderjarige] , terwijl hij haar moet ondersteunen als zij naar een open groep verhuist. De GI heeft [minderjarige] aangemeld bij [locatie] voor een plek waar zij in de toekomst kan verblijven.
[minderjarige]
wil niet dat de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een langere periode wordt verleend. Zij laat goed gedrag zien, komt afspraken na en wil graag iets van haar jeugd maken. [minderjarige] is zich er ook van bewust dat het eerder niet goed ging, omdat zij geen ‘’nee’’ kon zeggen tegen anderen. Nu kan [minderjarige] dit wel en wil zij graag op een open groep verblijven, zodat zij naar een reguliere school kan, een bijbaan kan hebben en kan bewijzen dat zij kan omgaan met vrijheden. Tot op heden heeft zij die kans niet gekregen, terwijl de groepsleiding positief is over haar gedrag. [minderjarige] erkent dat zij grenzen nodig heeft, maar die kunnen ook op een open groep worden gesteld. In de afgelopen periode is [minderjarige] een paar weekenden naar huis gegaan. Ze is zelfstandig met de trein naar [plaats] geweest en met haar zusje naar de supermarkt. Dit is goed verlopen. [minderjarige] vindt daarom dat het resterende deel van de machtiging moet worden afgewezen en dat er een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing moet worden verleend voor plaatsing op een open groep. Mocht er geen plek zijn op een open groep, dan verzoekt zij subsidiair dat de machtiging hoogstens een maand wordt verleend en het overige deel wordt aangehouden. In die maand moet er dan een plek voor [minderjarige] gerealiseerd worden op een open groep. Bij toewijzing van de machtiging voor gesloten jeugdhulp, verzoekt [minderjarige] de kinderrechter in de beschikking te overwegen dat dit de laatste machtiging voor gesloten jeugdhulp is.
De moeder
De moeder staat achter [minderjarige] en wil niet dat het overige deel van de machtiging voor gesloten jeugdhulp wordt verleend. Het gedrag van [minderjarige] is wel degelijk veranderd en zij brengt zichzelf niet meer in gevaar. Als [minderjarige] dit gedrag een jaar geleden had vertoond, had de moeder niet gepleit voor een machtiging voor gesloten jeugdhulp. De ouders hadden dit gedrag dan zelf kunnen ondervangen met hulpverlening. De moeder vindt het vervelend dat de informatie vanuit Pluryn gefragmenteerd binnenkomt en vindt het niet goed dat [minderjarige] gesloten wordt geplaatst op basis van informatie op een half A4-papier. De vader van [minderjarige] heeft weer andere informatie gekregen en is daarom, net als de GI, van mening dat de machtiging nog nodig is. Op basis van de informatie die de vader heeft, begrijpt de moeder dat. Maar de moeder krijgt zelf andere informatie van Pluryn en [minderjarige] . Daarnaast vindt de moeder het niet goed dat de hulpverlening voor het contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader zo langzaam op gang komt.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat verblijf in een gesloten accommodatie nog voor een korte periode noodzakelijk is voor [minderjarige] . De kinderrechter machtigt de GI daarom om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand. Voor de periode daarna is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
In de afgelopen periode heeft [minderjarige] hard aan zichzelf gewerkt. Toch heeft de kinderrechter op 2 juli 2026 een nieuwe machtiging voor gesloten jeugdhulp verleend voor een periode van drie maanden en het overige deel aangehouden, omdat het te vroeg was om naar een open groep te gaan. De kinderrechter overwoog toen dat [minderjarige] eerst in stapjes moest leren hoe zij met invloeden van buitenaf en de vrijheden van een open groep moet omgaan. Inmiddels zijn er bijna drie maanden verstreken, waarin [minderjarige] in een gesloten setting met vrijheden heeft kunnen oefenen. Toch is de GI nog van mening dat [minderjarige] niet voldoende heeft geoefend met vrijheden en dat de ontwikkelingen te fragiel zijn. De kinderrechter is echter van mening dat dit niet [minderjarige] haar schuld is. [minderjarige] doet haar best, maar kan aan niemand laten zien dat zij nu wel met vrijheden kan omgaan. Voor de GI is niet duidelijk in hoeverre de vrijheden van [minderjarige] zijn uitgebreid en de verloven die [minderjarige] heeft gehad zijn goed verlopen. Dat de informatievoorziening vanuit Pluryn zeer beperkt en wisselend is, mag niet nadelig voor [minderjarige] uitwerken. De kinderrechter ziet dat [minderjarige] erg haar doet en vindt dat zij de kans moet krijgen om te laten zien dat zij kan omgaan met de vrijheden op een open groep. Op dit moment krijgt zij positieve signalen vanuit de groepsleiding, maar heeft zij het gevoel gestraft te worden met de machtiging voor gesloten jeugdzorg. De kinderrechter benadrukt dat een machtiging voor gesloten jeugdzorg niet bedoeld is als straf, maar ter bescherming van de veiligheid van kinderen. Een plaatsing op een gesloten groep is ook een ingrijpende maatregel, die zo kort mogelijk moet duren. De machtiging voor gesloten jeugdzorg is voor [minderjarige] niet langer noodzakelijk om haar veiligheid te waarborgen. [minderjarige] vertoont goed gedrag en komt afspraken na. Bovendien is zij zich ervan bewust waar het in het verleden verkeerd is gegaan. [minderjarige] wil nu iets maken van haar jeugd. Zij wil deelnemen aan regulier onderwijs en een bijbaan zoeken. Zolang [minderjarige] op een gesloten groep verblijft, is zij daartoe niet in staat. [minderjarige] erkent zelf ook dat zij nog begrenzing nodig heeft, maar de kinderrechter is het met [minderjarige] eens dat zij ook op een open groep begrensd kan worden. Daarnaast kan [minderjarige] de nodige behandeling ook op een open groep ontvangen. Er zijn dus minder ingrijpende mogelijkheden om de opgroei- en opvoedingsproblemen van [minderjarige] te behandelen. [minderjarige] is aangemeld bij [locatie] , maar er is nog geen plek voor haar op een open groep geregeld. De kinderrechter vindt de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor de duur van een maand daarom nog wel noodzakelijk, zodat de GI een plek voor [minderjarige] op een open groep kan organiseren. Voor de periode daarna zal de kinderrechter een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing verlenen (het mindere van het verzochte), omdat [minderjarige] nog niet kan terugkeren naar huis. Zij heeft nog begeleiding, behandeling en duidelijke begrenzing nodig. De kinderrechter zal deze machtiging laten aansluiten bij de looptijd van de ondertoezichtstelling zodat deze tegelijk kunnen worden behandeld.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 2 november 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 november 2026 tot 6 januari 2027;
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026 door
mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Spanninga als griffier, en op schrift gesteld op 8 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.