RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
25 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, de heffingsambtenaar,
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6651
en
(gemachtigde: mr. A. Teunisse).
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft op 9 februari 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] (de naheffingsaanslag) aan eiseres opgelegd voor een bedrag van € 76,70, wegens het op 25 januari 2024 om 19.21 uur parkeren van een voertuig, merk Volkswagen, kenteken [kenteken] , op een gefiscaliseerde parkeerplaats aan het Hennepveld in Almere, zonder dat er parkeerbelasting was voldaan. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
In een uitspraak van 9 oktober 2024 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
2. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres een naheffingsaanslag opgelegd, omdat zij op 25 januari 2024 om 19.21 uur op het Hennepveld in Almere haar voertuig met kenteken [kenteken] heeft geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Dit staat niet ter discussie tussen partijen.
4. Eiseres voert aan dat zij op 25 januari 2024 met spoed naar het ziekenhuis was met haar zoontje van twee jaar oud. Daardoor is zij vergeten om de parkeerapp aan te zetten. De rechtbank vat dit op als een beroep op overmacht.
5. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiseres heeft opgelegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat parkeerbelasting een objectieve belasting is. In de regel is er geen ruimte om de heffing van volgens de wet verschuldigde parkeerbelasting achterwege te laten vanwege persoonlijke omstandigheden of belangen van de belastingplichtige. Alleen wanneer wordt aangetoond dat geparkeerd is in een (levensbedreigende) noodsituatie of een spoedsituatie die direct gepaard is gegaan met een (spoedeisende) ziekenhuisopname of (spoedeisend) huisartsbezoek, kan hiervan worden afgeweken. In die situaties kan van de belastingplichtige niet worden gevergd de parkeerbelasting op enige wijze te betalen. Van zo een situatie is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft geen stukken aangeleverd om aan te tonen dat sprake was van een dergelijke nood- of spoedsituatie.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal omschreven.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026 door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.