RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/101
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van
9 maart 2023.
Overwegingen
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiseres is namelijk te laat met het indienen van beroep, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
3. In dit geval is de beslissing op bezwaar bekendgemaakt op 9 maart 2023. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 20 april 2023 bij de rechtbank ingediend moeten zijn. Het beroepschrift is op 6 januari 2026 bij de rechtbank ingediend. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft eiseres op 8 januari 2026 een brief gestuurd, waarin wordt gevraagd waarom eiseres het beroep te laat heeft ingediend. Eiseres heeft hier op 28 januari 2026 op gereageerd. Zij stelt dat zij zich ten tijde van het besluit in een zeer kwetsbare persoonlijke en medische situatie bevond, met langdurige gezondheidsklachten. Ook was zij belast met intensieve zorgtaken binnen haar gezin. Tevens heeft eiseres juridisch advies ingewonnen, waarbij werd gezegd dat haar zaak weinig kans van slagen zou hebben. Daardoor heeft zij toentertijd afgezien van een beroepsprocedure. Nu – jaren later – heeft eiseres alsnog beroep ingesteld.
5. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiseres. Dit is echter geen geldige reden voor het niet op tijd indienen van het beroep. Het is ook onder deze omstandigheden de verantwoordelijkheid van eiseres om tijdig beroep in te dienen, of indien zij er zelf niet toe in staat was, dat voor haar te laten doen. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat zij toentertijd kennelijk zelf heeft besloten om geen beroep in te dienen. Verder overweegt de rechtbank dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift een fatale termijn is. Dit betekent dat de duur van die termijn niet kan worden gewijzigd en dat het beroep zonder verschoonbare omstandigheden, zoals in dit geval, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld.
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. van Grootel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.