RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummers:
C/16/615023 / JL RK 26-462 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
C/16/618139 / JL RK 26-613 (machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. E. Uijt de boogaardt uit Lelystad (in de zaak C/16/618139 / JL RK 26-613).
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het (verdere) verloop van de procedure
In de zaak met zaaknummer C/16/615023 / JL RK 26-462
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026, mee in de beoordeling.
In de zaak met zaaknummer C/16/618139 / JL RK 26-613
De GI heeft op 23 september 2026 een spoedverzoek ingediend. Bij beschikking van 23 september 2026 heeft de kinderrechter het primaire verzoek afgewezen en de behandeling van het subsidiaire verzoek aangehouden. De kinderrechter heeft bepaald dat de GI uiterlijk op 30 september 2026 de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper bij de rechtbank indient en naar de belanghebbenden stuurt.
Op 1 oktober 2026 heeft de kinderrechter de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 30 september 2026 ontvangen.
In beide zaken
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met zijn advocaat;
de vader;
- de moeder;
- [A.] namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [locatie] (een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder).
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd en de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 oktober 2026.
3. Het verzoek
In de zaak met zaaknummer C/16/615023 / JL RK 26-462
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 oktober 2026 te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak met zaaknummer C/16/618139 / JL RK 26-613
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van een jaar.
Nu de kinderrechter bij beschikking van 23 september 2026 het primaire verzoek heeft afgewezen, moet de kinderrechter alleen nog een beslissing nemen over de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van een jaar.
4. De standpunten
De GI
De GI vindt verlenging van de ondertoezichtstelling en een machtiging voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk. [minderjarige] loopt op veel ontwikkelingsgebieden vast en heeft sturing nodig. Hij heeft problemen met zijn sociaal emotionele ontwikkeling en het is voor hem niet mogelijk om op een groep te wonen. Zijn dag- en nachtritme zijn omgedraaid, hij gaat niet naar school en heeft ook geen structurele dagbesteding. Ondanks de intensieve één-op-één-begeleiding bij [locatie] (hierna: [locatie] ) is onvoldoende ontwikkeling zichtbaar en is behandeling door [naam] onvoldoende van de grond gekomen. [locatie] heeft geen draagkracht meer en kan [minderjarige] niet de ondersteuning bieden die hij nodig heeft. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en heeft daarvoor consequente begrenzing nodig. [locatie] ziet een toename van grensoverschrijdend en moeilijk stuurbaar gedrag bij [minderjarige] . Na een escalatie met een begeleider – waarbij [minderjarige] de begeleider met de dood heeft bedreigd – heeft [locatie] aangegeven dat het zo niet verder kan. De GI vindt voortzetting van de huidige situatie daarom niet verantwoord. Daarnaast bevindt [minderjarige] zich al langere tijd in de prebehandelfase. De agressieregulatietherapie bij [naam] is daardoor inhoudelijk nog niet gestart. Ook het noodzakelijke diagnostiekonderzoek kan niet starten, omdat [minderjarige] niet stabiel genoeg is.
[minderjarige]
is het eens met de ondertoezichtstelling en de reguliere machtiging tot uithuisplaatsing, maar vindt de machtiging voor gesloten jeugdhulp niet nodig. [minderjarige] erkent dat hij een lange weg te gaan heeft, maar hij wil graag bij [locatie] blijven. Sinds het laatste evaluatiegesprek (anderhalve week geleden) gelden er nieuwe regels bij [locatie] en gaat het een stuk beter met [minderjarige] .
De advocaat van [minderjarige] heeft hieraan toegevoegd dat zij van een begeleider begrepen dat het dag- en nachtritme van [minderjarige] weer op een normaal niveau is en dat hij beter in contact is met de begeleiders. Ook heeft [minderjarige] een baantje gevonden. Hij is als [functie] aangenomen bij [bedrijf] . [minderjarige] wil ook graag naar school en hij wil starten met psychomotorische therapie. Daarnaast heeft de advocaat van [minderjarige] – in tegenstelling tot wat de GI zegt – van de begeleiders van [locatie] begrepen dat de agressieregulatietherapie door [naam] bijna klaar is en dat daarna traumabehandeling zal starten. Een gesloten plaatsing is niet de oplossing voor de problematiek van [minderjarige] . De groepssetting zal juist zorgen voor overprikkeling en een groter risico op conflicten. [minderjarige] is kwetsbaar, en de jongeren op een gesloten groep zouden een negatieve invloed op hem kunnen hebben. De één-op-één-behandeling sluit juist aan bij de rust, structuur, duidelijkheid en individuele aandacht die [minderjarige] nodig heeft. De advocaat van [minderjarige] begrijpt dat er weinig plekken zijn waar [minderjarige] in een open setting kan verblijven, maar de huidige locatie is niet geschikt voor hem. Het is een onrustige plek met veel lawaai, terwijl [minderjarige] snel overprikkeld raakt. Uit de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper volgt het vermoeden dat [minderjarige] sociaal-emotioneel een lagere ontwikkelingsleeftijd heeft. Een gesloten plaatsing past daarom niet goed voor hem. Daarnaast zal [minderjarige] ook in een gesloten setting eerst moeten stabiliseren voordat diagnostiek en behandeling kunnen plaatsvinden. De advocaat van [minderjarige] vindt dat er geen machtiging voor gesloten jeugdzorg moet komen, of anders dat de beslissing daarover moet worden aangehouden om onderzoek te doen naar een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp, als stok achter de deur. Sinds het spoedverzoek van de GI voor een machtiging voor gesloten jeugdhulp is de inzet van [minderjarige] namelijk zichtbaar toegenomen.
De vader
De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Ook kan hij, wel met tegenzin, achter een machtiging voor gesloten jeugdhulp staan. De vader heeft verteld dat er iets aan de hand is met [minderjarige] , waarvoor hij hulp nodig heeft. [minderjarige] gaat bij [locatie] niet zoveel vooruit als de vader voor hem graag zou willen. De vader vindt het heel erg dat [minderjarige] daarom gesloten zou moeten worden geplaatst, want dat is niet iets dat hij zijn zoon gunt. Hij wil echter wel het beste voor [minderjarige] , en staat daarom toch achter een machtiging voor gesloten jeugdhulp als het [minderjarige] helpt.
De moeder
De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar zij wil liever geen machtiging voor gesloten jeugdhulp. De moeder vindt het moeilijk dat dit door de GI wordt verzocht. Ze is het met de vader eens dat [minderjarige] meer hulp nodig heeft, en ook zij gunt hem het beste. Ze denkt alleen dat [minderjarige] het wel kan in een open setting en betwijfelt of gesloten jeugdhulp [minderjarige] daadwerkelijk zal helpen.
5. De beoordeling
Ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat hij vastloopt op verschillende levensgebieden. [minderjarige] heeft problemen met zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en kan daardoor moeilijk aansluiting vinden bij leeftijdsgenoten. Daarnaast gaat [minderjarige] al langere tijd niet naar school en heeft hij geen dagbesteding. [minderjarige] vertoont ook regelmatig zelfbepalend gedrag en de escalaties bij [locatie] nemen toe. [locatie] heeft zelf ook aangegeven dat zij niet kunnen bieden wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] heeft traumabehandeling nodig, maar is daar nog niet aan toe gekomen. De ambulante behandeling die [minderjarige] krijgt bij [naam] lijkt niet passend te zijn. De GI wil daarom graag een diagnostiekonderzoek laten uitvoeren, maar daarvoor moet [minderjarige] eerst stabiliseren. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de betrokkenheid van de GI nodig is om te onderzoeken welke hulpverlening [minderjarige] concreet nodig heeft. De GI zal daarom de komende periode verder moeten zoeken naar een geschikte woonplek voor [minderjarige] , zodat er ruimte komt voor diagnostiek en behandeling. Daarbij weegt ook [minderjarige] ’s leeftijd mee: er moet worden bezien wat nodig is om hem te begeleiden naar volwassenheid, en welke zorg hij dan kan krijgen.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
Machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter is van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een machtiging voor gesloten jeugdhulp. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen en legt hierna uit waarom.
De machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp is de meest vergaande jeugdbeschermingsmaatregel. De machtiging mag dan ook alleen worden verleend als er geen minder ingrijpende mogelijkheden meer zijn om [minderjarige] te helpen. De opneming en het verblijf in een gesloten accommodatie moeten daarnaast noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp onttrekt, of daaraan door anderen wordt onttrokken. De kinderrechter is van oordeel dat niet aan deze vereisten is voldaan. Allereerst komt niet vast te staan dat gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] noodzakelijk is om te voorkomen dat hij zich aan de hulp onttrekt. Ook wordt [minderjarige] niet door anderen onttrokken aan jeugdhulp. [minderjarige] ontvangt op dit moment behandeling bij [naam] . Dat de behandeling nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, betekent niet dat de behandeling in een gesloten setting moet worden voortgezet. [minderjarige] heeft ook verteld dat hij gemotiveerd is en graag behandeling wil. Daarnaast vindt de kinderrechter gesloten jeugdhulp niet geschikt voor [minderjarige] . [minderjarige] ontvangt één-op-één-begeleiding omdat wonen op een groep voor hem niet geschikt is. Ook is [minderjarige] snel overprikkeld en functioneert hij sociaal-emotioneel op het niveau van een veel jonger kind. Dat maakt hem kwetsbaar. De kinderrechter vreest dus, zoals de advocaat van [minderjarige] naar voren heeft gebracht, dat [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp juist achteruit zou gaan. De kinderrechter hecht ook waarde aan de twijfel die de gedragswetenschapper uit in de overgelegde instemmingsverklaring. De gedragswetenschapper stemt ‘met twijfel’ in, zo schrijft zij. [minderjarige] lijkt op zijn plek te zitten in de één-op-één-situatie, wil niet weg bij [locatie] en heeft al veel wisselingen meegemaakt. Dergelijke twijfel neemt de kinderrechter zeer serieus; bij twijfel moet deze zwaarste jeugdbeschermingsmaatregel naar haar oordeel niet worden ingezet. Tot slot is de kinderrechter van oordeel dat er op dit moment nog minder ingrijpende mogelijkheden zijn om [minderjarige] te helpen. Het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp is voor [minderjarige] een omslagpunt geweest. Volgens [minderjarige] en zijn advocaat gaat het sindsdien beter bij [locatie] , en de GI heeft gezegd dat zij dat niet wist, maar heeft dat niet betwist. Gelet op het bovenstaande is een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp een minder ingrijpende mogelijkheid, die de GI nog zou kunnen onderzoeken. [minderjarige] heeft zelf ook verteld dat hij daar misschien wel voor open zou staan.
Wel is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de reguliere machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van een jaar. [minderjarige] en zijn ouders zijn het daar ook mee eens. [minderjarige] heeft duidelijke sturing en begrenzing nodig. Het is daarom in zijn belang om in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verblijven. De kinderrechter moedigt de GI aan om verder op zoek te gaan naar een accommodatie met meer rust voor [minderjarige] , zodat hij kan stabiliseren en daadwerkelijk toekomt aan behandeling. Natuurlijk heeft de kinderrechter er daarbij oog voor dat dit voor de GI een lastige opgave is, omdat zulke plekken helaas erg schaars zijn.
De GI verzoekt de machtiging te verlengen met ingang van 3 oktober 2026. De kinderrechter zal de machtiging verlengen met ingang van 5 oktober 2026, omdat de huidige machtiging nog tot 5 oktober 2026 geldt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 5 oktober 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 oktober 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026 door
mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Spanninga als griffier, en op schrift gesteld op 16 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.