RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/607304 / FO RK 26-218 (beëindiging ouderlijk gezag [minderjarige 1] )
C/16/607314 / FO RK 26-220 (beëindiging ouderlijk gezag [minderjarige 2] )
Beschikking van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd in Utrecht,
over de kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. K.R.E. Blanken.
(uitsluitend in de zaak over [minderjarige 1] ):
[de vader] ,
hierna te noemen de vader van [minderjarige 1] ,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. E.D.B. Groeneweg.
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI.
De rechtbank merkt als informant aan:
DE GEZINSHUISOUDER.
1. De procedure
De rechtbank heeft in de zaak over [minderjarige 2] van de Raad een verzoekschrift met bijlagen ontvangen op 20 februari 2026.
De rechtbank heeft in de zaak over [minderjarige 1] van de Raad een verzoekschrift met bijlagen ontvangen op 20 februari 2026.
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 4 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder,
de advocaat van de vader van [minderjarige 1] ,
mevrouw [A.] , de gezinshuisouder,
mevrouw [B.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), via een videoverbinding,
mevrouw [C.] namens de GI.
Tegelijkertijd zijn verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing behandeld.
De moeder en de vader van [minderjarige 1] zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder en de vader van [minderjarige 1] wel juist zijn opgeroepen.
De rechtbank heeft tijdens de zitting in beide zaken een pleitnotitie ontvangen van de advocaat van de moeder. Deze pleitnotitie is niet voorgedragen.
De rechtbank heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hun mening niet gegeven.
2. De feiten
Over [minderjarige 2]
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
[minderjarige 2] verblijft in een perspectief biedend gezinshuis van het Leger des Heils, samen met haar zus [naam] en haar halfbroertje [minderjarige 1] .
De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 juni 2023 [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 september 2023 en een machtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen binnen het netwerk tot 13 juli 2023. Bij beschikking van 16 juni 2023 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk gewijzigd naar een neutraal pleeggezin, met ingang van 16 juni 2023 tot 14 juli 2023.
Bij beschikking van 30 juni 2023 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin, dan wel een gezinshuis, dan wel een accommodatie jeugdhulpverlening 24-uurs verlengd tot 15 september 2023.
Bij twee afzonderlijke beschikking van 14 september 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige 2] definitief onder toezicht gesteld tot 14 september 2024 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 15 februari 2025. De ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing zijn hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 september 2026 tot 14 september 2027.
Over [minderjarige 1]
De moeder en de vader van [minderjarige 1] zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De vader van [minderjarige 1] is niet de biologische vader van [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin van het Leger des Heils, samen met zijn twee halfzussen [naam] en [minderjarige 2] .
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] bij beschikking van 15 juni 2023 voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 september 2023 en een machtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen binnen het netwerk tot 13 juli 2023. Bij beschikking van 30 juni 2023 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een neutraal pleeggezin, dan wel een gezinshuis, dan wel een accommodatie jeugdhulpverlening 24-uurs verlengd tot 15 september 2023.
Bij beschikking van 14 september 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] definitief onder toezicht gesteld tot 14 september 2024 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 15 februari 2024. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 september 2026 tot 14 september 2027.
3. De verzoeken
De Raad vraagt de rechtbank om het gezag van de moeder over [minderjarige 2] te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten. Daarnaast vraagt de Raad de rechtbank om het gezag van de moeder en de vader van [minderjarige 1] over [minderjarige 1] te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten.
De GI heeft per brief van 30 juni 2025 laten weten dat zij bereid is om de voogdij over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op zich te nemen.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de Raad. De moeder heeft aangevoerd dat zij zich onvoldoende gesteund voelt door de GI. Zij vindt dat zij onvoldoende kans en passende hulp heeft gehad om moeder van de kinderen te zijn. Volgens de moeder is er geen grond voor beëindiging van haar gezag. Zij werkt mee aan beslissingen die genomen moeten worden en maakt geen misbruik van haar gezag.
De vader van [minderjarige 1] is het eens met het verzoek van de Raad over [minderjarige 1] .
4. De beoordeling
De rechtbank zal het verzoek van de Raad toewijzen en het gezag van de moeder over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , alsmede het gezag van de vader van [minderjarige 1] over [minderjarige 1] , beëindigen. De rechtbank zal de GI met de voogdij over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] belasten. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De beëindiging van het ouderlijk gezag
Volgens de wet kan de rechtbank het gezag van een ouder of van beide ouders beëindigen als het kind opgroeit op een manier waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De ‘aanvaardbare termijn’ is de periode waarbinnen voor dit kind duidelijk moet zijn waar het zal opgroeien.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en hun ouders kunnen hun verzorging en opvoeding niet dragen. In juni 2025 is door de GI het perspectiefbesluit genomen dat de kinderen in het gezinshuis zullen opgroeien omdat de kinderen niet thuis kunnen wonen. In de thuissituatie bij de moeder waren er grote zorgen over huiselijk geweld en emotionele en fysieke verwaarlozing. Deze zorgen zijn tijdens de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet verminderd. De moeder erkent de zorgen niet, terwijl de kinderen dat wel nodig hebben. Anders dan de moeder betoogt, zijn in de afgelopen jaren verschillende vormen van hulpverlening ingezet. Ondanks de inzet van deze hulpverlening is er geen zicht gekomen op de opvoedvaardigheden van de moeder en hoe deze verbeterd kunnen worden. De moeder heeft de trajecten niet afgemaakt. Zij was niet betrouwbaar in haar beschikbaarheid. Dit geldt ook ten aanzien van de omgangsmomenten met de kinderen. De moeder komt niet consequent naar de omgangsmomenten. De omgang tussen de moeder is daarom beperkt. De vader van [minderjarige 1] kan de zorg voor [minderjarige 1] ook niet op zich nemen. [minderjarige 1] en de vader hebben sinds de uithuisplaatsing niet of nauwelijks contact gehad. De vader van [minderjarige 1] is niet zijn biologische vader, maar hij geeft aan een goede band met [minderjarige 1] te willen. De GI heeft op de zitting benadrukt daar geen bezwaar tegen te hebben, mits de vader betrouwbaar is in het contact. Dat is tot op heden niet zo geweest. Dit maakt dat ook niet onderzocht is wat de mogelijkheden van de vader zijn. Als de vader contact wil met [minderjarige 1] , zullen er afspraken gemaakt moeten worden.
Gelet op de onveranderde situatie en het tijdsverloop is de aanvaardbare termijn verstreken. In het gezinshuis gaat het goed met de kinderen. Ze gaan naar school en sport. [minderjarige 1] heeft nog wel sturing nodig om zijn emoties te reguleren en ervaart onrust bij veranderingen. De gezinshuisouder heeft daar aandacht voor en kan goed aansluiten bij wat de kinderen nodig hebben. De kinderen zijn gehecht aan de gezinshuisouder en hebben behoefte aan rust en duidelijkheid. Dat de moeder meewerkt aan gezagsbeslissingen en haar gezag niet misbruikt, maakt niet dat een beëindiging van het gezag niet aan de orde kan zijn. Zoals hiervoor benoemd is de moeder niet betrouwbaar in het contact. Dit werkt blokkerend en vertragend bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen. Daardoor ontstaat onduidelijkheid en onrust bij de kinderen en dat is niet in hun belang. Verder weegt de rechtbank mee dat de moeder (en de vader van [minderjarige 1] ) vanwege het beperkte contact met de kinderen op afstand tot de kinderen staat. Hierdoor is de moeder (en de vader van [minderjarige 1] ), naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende in staat om een goede afweging te maken bij het nemen van gezagsbeslissingen over de kinderen.
De voogdij
Nu het gezag van de ouders wordt beëindigd, is de vraag wie de voogdij over het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet uitoefenen. De Raad adviseert om de GI met de voogdij over de kinderen te belasten. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belangrijk is dat een neutrale persoon wordt belast met de voogdij over de kinderen. Een neutrale persoon zal in het belang van de kinderen handelen en niet met conflicterende belangen te maken hebben. De GI is het met dit advies van de Raad eens en de ouders hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen het advies.
Tijdens de zitting is nog ter sprake gekomen dat de Raad in haar rapport heeft geadviseerd om het dossier over te dragen naar een andere GI. De Raad heeft hierover toegelicht dat de indruk bestond dat de regie veelal bij de gezinshuisouder lag. De GI en de gezinshuisouder hebben echter op de zitting aangegeven dat hun samenwerking goed verloopt. Voor beide geldt dat de moeder niet goed bereikbaar is en het contact daardoor moeizaam verloopt. Een andere GI lost dit probleem niet op.
De ouders zijn na beëindiging van het gezag verplicht om de voogd te informeren en inzicht te geven over alle geldzaken die de kinderen aangaan, zodat de voogd vanaf nu voor de kinderen de geldzaken kan regelen. De voogd moet de geldzaken van de kinderen op een goede manier regelen. Daarbij moet de voogd aan de kantonrechter aan het begin van de voogdij en daarna inzicht geven in de geldzaken van de kinderen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
5. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 2] ;
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder en de vader van [minderjarige 1] over [minderjarige 1] ;
benoemt de GI tot voogd van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, mr. L.A.C. de Vaan en mr. D.S. Terporten-Hop, kinderrechters, in samenwerking met mr. K.A.H. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.