ECLI:NL:RBMNE:2026:7745

ECLI:NL:RBMNE:2026:7745

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 01-11-2026
Zaaknummer C/16/607423 / HA ZA 26-99
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eiser heeft gedwongen de woning moeten ontruimen. Aan gedaagden komt de woning toe. Volgens eiser zijn er afspraken op grond waarvan hij nu (ten minste) € 150.000 zou moeten krijgen van gedaagden. Ook zou hij in de woning hebben geïnvesteerd en dat geld wil hij terug. Gedaagden hebben tegenvorderingen ingesteld, waaronder opheffing beslag. Vorderingen conventie afgewezen, reconventie grotendeels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/607423 / HA ZA 26-99

Vonnis van 21 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. J.P. den Besten,

tegen

1. [gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],

te [plaats] ,3. [gedaagde sub 3],

te [plaats] ,4. [gedaagde sub 4],

te [plaats] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. M.V. Scheffer.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 februari 2026 met 9 producties,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 17 producties,

- de conclusie van antwoord in reconventie,

- de nader overgelegde producties 18 en 19 en de eiswijziging in reconventie van [gedaagden] ,

- de nader overgelegde productie van [eiser] ,- de mondelinge behandeling van 4 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de spreekaantekeningen van [eiser] ,

- de eiswijziging van [eiser] , die hij tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd.

Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.

2. De kern van de zaak

Op 29 januari 2026 heeft [eiser] de woning aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: de woning) gedwongen ontruimd, nadat hij hiertoe was veroordeeld in een kort geding van 27 november 2024. De woning was eerst eigendom van de ouders van [eiser] en daarna uiteindelijk van zijn zus [overledene] , de (groot)moeder van [gedaagden] Nadat [overledene] is overleden is [gedaagden] – in hun hoedanigheid als erfgenamen – degene aan wie de woning toekomt. Volgens [eiser] zijn er in het verleden afspraken gemaakt op grond waarvan hij nu (ten minste) € 150.000 zou moeten krijgen van [gedaagden] Ook heeft hij voor € 417.608 in de woning geïnvesteerd en dat geld wil hij nu terug van [gedaagden] Om zijn vorderingen zeker te stellen heeft [eiser] conservatoir beslag laten leggen op de woning. [gedaagden] heeft tegenvorderingen ingesteld, waaronder opheffing van het beslag, betaling van kosten en teruggave van spullen. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en dat de vorderingen van [gedaagden] grotendeels worden toegewezen.

3. De beoordeling

in conventie

De vordering tot betaling van ten minste € 150.000 wordt afgewezen

[eiser] is van mening dat hij van [gedaagden] ten minste een bedrag van € 150.000 zou moeten krijgen. Deze “verhuisvergoeding” zou voortvloeien uit de overeenkomst tussen [overledene] , zijn broer [A] en zijn andere zus [B] . Op 11 oktober 1996 hebben [overledene] , [A] en [B] (die destijds samen de woning in eigendom hadden) een verklaring opgesteld waaruit blijkt dat [eiser] van de woning gebruik mag blijven maken zo lang als dat nodig is, zonder dat hij daarvoor een vergoeding hoeft te betalen. [A] en [B] hebben hun aandeel in de woning in 2009 overgedragen aan [overledene] .

[eiser] onderbouwt zijn standpunt door te verwijzen naar het in 2006 gevoerde kort geding. [B] is toen een kort geding gestart tegen [eiser] met als doel dat [eiser] de woning zou ontruimen. In rechtsoverweging 6.10. van dat kortgedingvonnis van 21 februari 2006 heeft de voorzieningenrechter overwogen:

“Ten overvloede wordt nog overwogen dat de vordering tevens niet toewijsbaar is,

omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] — zoals eiseres stelt en

[C] betwist — zonder recht en titel gebruik maakt van de onroerende zaken

gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] . [eiser] stelt zich op het standpunt dat

onlangs aan hem de toezegging is gedaan dat hij van de onroerende zaken gebruik mag

blijven maken totdat deze zaken aan een derde worden geleverd, en dat hij alsdan een

vergoeding van EUR 150.000,00 van de deelgenoten zal ontvangen. Dit standpunt wordt

ondersteund door hetgeen [A] en [overledene] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard. [A] en [overledene] hebben namelijk verklaard dat zij en

eiseres onlangs hebben afgesproken dat [eiser] de onroerende zaken tot aan de levering van deze zaken aan een derde zal mogen blijven gebruiken en dat hij alsdan een vergoeding van in ieder geval EUR 150.000,00 krijgt. Daartegenover heeft eiseres onvoldoende

aannemelijk gemaakt dat deze afspraak niet is gemaakt.

Het wordt gelet op het voorgaande voorshands voldoende aannemelijk geacht dat [eiser]

— zoals hij en [A] en [overledene] stellen — met toestemming van de deelgenoten (eiseres,

[A] en [overledene] ) gebruik maakt van de onroerende zaken.”

Volgens [eiser] volgt hieruit dat de afspraak bestaat dat [eiser] een vergoeding van in ieder geval € 150.000 moet ontvangen wanneer de woning aan een derde wordt geleverd. [A] en [overledene] zouden dit hebben verklaard.

[eiser] is degene die betaling van ten minste € 150.000 vordert en volgens de wet is het dan aan hem om hiervoor voldoende te stellen, en bij betwisting te onderbouwen. Het is dus aan [eiser] om te stellen en (zo nodig) te onderbouwen dat er een afspraak bestaat waardoor [gedaagden] aan hem (ten minste) € 150.000 moet betalen. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. Er zijn geen afspraken op papier gezet en [eiser] heeft ook niet op een andere manier aangetoond dat er een afspraak is gemaakt op basis waarvan [gedaagden] nu aan hem zou moeten betalen. Volgens [eiser] is deze toezegging hem altijd gedaan en is hij aan het lijntje gehouden, maar [gedaagden] betwist dat er zo’n toezegging ligt en weet van niets. [gedaagden] wijst er bovendien op dat de afspraak uit 1996 schriftelijk is vastgelegd en dat het niet voor de hand ligt dat een extra afspraak over zo’n groot bedrag dan alleen mondeling wordt overeengekomen. Ook in de administratie die [overledene] heeft achtergelaten is niets gevonden dat op het bestaan van een extra afspraak wijst. Om het gevorderde bedrag te kunnen toewijzen, had [eiser] meer moeten stellen waaruit deze afspraak zou blijken. Het enige schriftelijke stuk waarnaar [eiser] verwijst, is het kortgedingvonnis uit 2006, maar ook dat is onvoldoende om de vordering van [eiser] te kunnen toewijzen, om de volgende drie redenen:

Het kortgedingvonnis heeft ten eerste geen ‘gezag van gewijsde’ (artikel 236 Rv). Dit beginsel komt erop neer dat partijen een geschilpunt waarover in een eerdere procedure al is beslist, in een volgende procedure tussen diezelfde partijen niet opnieuw ter discussie kunnen stellen. Maar daarvan is geen sprake bij een kort geding, want bij een kort geding geeft de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel. Wat in het kort geding is geoordeeld en wat de voorzieningenrechter daar heeft overwogen, kan de rechtbank daarom niet meenemen in het oordeel in deze zaak.

Daarnaast heeft de voorzieningenrechter rechtsoverweging 6.10. opgenomen als een overweging ‘ten overvloede’. Dit betekent dat de inhoud van die overweging niet de reden is geweest dat voorzieningenrechter heeft geoordeeld zoals hij heeft geoordeeld.

Tot slot ging het geschil in 2006 over een hele andere kwestie, namelijk over de vordering van [B] dat [eiser] de woning moest ontruimen. Er was voor de voorzieningenrechter dus ook geen aanleiding om inhoudelijk (grondig) te kijken naar de verklaring van [A] en [overledene] dat er een afspraak zou zijn gemaakt over de betaling van € 150.000. De voorzieningenrechter heeft alleen naar deze afspraak gekeken om te bepalen of het op het eerste gezicht (voorshands) voldoende aannemelijk was dat [eiser] enig recht van bewoning had. Bovendien ging het in 2006 over de ontruiming van zowel [adres 1] als [adres 2] . Ook in dat opzicht verschilt het kort geding van deze zaak.

De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande dat de vordering tot betaling van (ten minste) € 150.000 zal worden afgewezen.

De vordering tot betaling van € 417.608 wordt afgewezen

Daarnaast vordert [eiser] dat [gedaagden] € 417.608 aan hem moet betalen. [eiser] zou voor dit bedrag in de woning hebben geïnvesteerd. Zo heeft hij een tuinhuis, een serre en een werkplaats (loods) met berging op het erf gebouwd.

Volgens [eiser] is ten eerste sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Iemand die ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van een ander (die verarmd is), moet, voor zover dat redelijk is, de schade van de ander vergoeden. Er moet dus in ieder geval sprake zijn van een verrijking en dus een waardevermeerdering van de woning. Maar daarvoor heeft [eiser] niets gesteld. Dat had hij wel moeten doen om zijn standpunt te onderbouwen. En dat had hij ook eenvoudig kúnnen doen door een taxatierapport op te laten stellen en in deze procedure in te brengen. Sterker nog, [gedaagden] heeft wel stukken overgelegd, namelijk een keuringsrapport van [bedrijf] B.V. en een offerte van een saneringsbedrijf, en daaruit blijkt juist dat de toevoegingen die [eiser] heeft gedaan een waardeverminderend effect op de woning hebben. [gedaagden] heeft dat dus voldoende onderbouwd, terwijl [eiser] daar niets tegenover heeft gesteld. Daarom is niet vast komen te staan dat sprake is van waardevermeerdering van de woning en dus een verrijking. Er is dus geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. De vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt daarom afgewezen.

Dan heeft [eiser] nog gesteld dat [overledene] de toezegging heeft gedaan dat de woning uiteindelijk naar [eiser] zou gaan als compensatie voor de investeringen die hij heeft gedaan. Volgens [eiser] zijn hem steeds opnieuw dingen beloofd, en dat moet nu worden nagekomen. Maar dat zo’n toezegging is gedaan, blijkt uit niets. De rechtbank gaat hier daarom niet in mee.

Ook lijkt [eiser] zich er nog op te beroepen dat sprake is van wanprestatie door [gedaagden] door na te laten [eiser] te compenseren voor de investeringen die hij heeft gedaan in de woning. Maar voor wanprestatie moet er een overeenkomst zijn die niet wordt nagekomen. Zoals hiervoor al is geoordeeld, is niet gebleken dat er een overeenkomst is of dat er afspraken zijn gemaakt tussen [eiser] en [gedaagden] Eigenlijk heeft [eiser] dat ook erkend. Hij heeft namelijk gezegd dat hij ervan uitging dat hij altijd in de woning mocht blijven wonen en dat hij daarom de investeringen heeft gedaan. Dit lijkt eerder te zijn gebaseerd op goed vertrouwen, dan dat hier afspraken aan ten grondslag liggen. Dat is wel nodig voor toewijzing van deze vordering. De rechtbank wijst ook op grond hiervan deze vordering dus af.

[eiser] moet de proceskosten betalen

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht

€

2.803,00

- salaris advocaat

€

7.446,00

(2 punten × € 3.723,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

10.397,00

in reconventie

[eiser] moet de kosten voor de ontruiming en voor de verwijdering van de spullen betalen

In reconventie heeft [gedaagden] ten eerste gevorderd dat [eiser] de kosten voor de gedwongen ontruiming aan haar moet betalen. [eiser] had volgens het vonnis van de voorzieningenrechter van 27 november 2024 binnen 12 maanden na betekening van dat vonnis de woning moeten ontruimen. [eiser] kreeg uitstel van [gedaagden] om de woning op 15 januari 2026 te verlaten. Uiteindelijk is de woning door de deurwaarder en met behulp van de sterke arm ontruimd op 29 januari 2026. [gedaagden] heeft hiervoor kosten moeten maken, namelijk € 2.193,79.

Daarnaast stelt [gedaagden] dat zij kosten heeft moeten maken, omdat [eiser] sommige van zijn bezittingen heeft achtergelaten na de gedwongen ontruiming waardoor [gedaagden] deze bezittingen uit de woning heeft moeten verwijderen. De kosten hiervoor waren € 1.000.

Een onherroepelijk vonnis, bijvoorbeeld tot ontruiming van een woning, moet nagekomen worden. [eiser] heeft dat niet (tijdig) gedaan en dat is onrechtmatig. De kosten als gevolg van dit onrechtmatige handelen komen voor vergoeding in aanmerking. Dat is ook logisch, want [eiser] heeft meer dan 12 maanden de tijd gehad om de woning vrijwillig te ontruimen. Maar hij heeft dat niet gedaan, waardoor [gedaagden] genoodzaakt was extra kosten te maken. De vorderingen tot betaling van de kosten voor de gedwongen ontruiming en de verwijdering van de bezittingen worden daarom toegewezen.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat zijn vorige advocaat ten onrechte niet in hoger beroep is gegaan tegen het kortgedingvonnis van 27 november 2024, terwijl [eiser] het niet eens was met dit vonnis. Hierdoor zou het vonnis ten onrechte onherroepelijk zijn geworden. Maar uit niets blijkt dat [eiser] opdracht heeft gegeven om hoger beroep tegen het kortgedingvonnis in te stellen en hij heeft hiervoor ook niets gesteld. [eiser] had het kortgedingvonnis dus moeten opvolgen en de woning tijdig moeten ontruimen.

[eiser] moet de herstelkosten betalen

Ook vordert [gedaagden] dat [eiser] € 69.450 aan haar moet betalen. Zij zou deze kosten hebben gemaakt vanwege het herstel van de woning en sanering bij de woning. Zo stonden er volgens [gedaagden] olieopslagtanks in de loods en het souterrain, is de bouwkundige staat van de woning ondermaats en werkten de elektriciteit en installaties niet.

De rechtbank wijst deze vordering toe. [gedaagden] heeft deze post voldoende onderbouwd door het rapport van [bedrijf] in te brengen. Daar heeft [eiser] onvoldoende tegenin gebracht. Zo heeft [eiser] het bedrag zelf niet betwist. [eiser] heeft wel aangevoerd dat de woning juist meer waard is geworden door de investeringen die hij heeft gedaan. De rechtbank gaat hier echter aan voorbij. Eerder in rechtsoverweging 3.6 is namelijk al uitgelegd dat er geen verrijking is door de toevoegingen van [eiser] en dat er juist sprake is van een waardevermindering van de woning.

[eiser] hoeft geen goederen aan [gedaagden] terug te geven

[gedaagden] vordert verder afgifte van alle goederen van [overledene] die op en vóór 29 januari 2026 in de woning stonden en die [eiser] heeft meegenomen, waaronder meubelstukken, een televisie, kasten enzovoorts, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert [gedaagden] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van € 10.000 als vergoeding voor de meegenomen goederen van [overledene] .

De rechtbank wijst de primaire vordering af. [gedaagden] wil alle goederen terug, die [eiser] zou hebben meegenomen uit de woning. Op grond van artikel 5:2 BW heeft de eigenaar het recht om zijn eigendom terug te vorderen van iedereen die de zaak zonder recht onder zich heeft (“revindicatie”). [gedaagden] moet dus aantonen dat zij eigenaar is van de goederen die zij nu terug wil. Dat heeft zij niet gedaan. [gedaagden] heeft alleen foto’s van lege plekken in de woning overgelegd. Dat is onvoldoende om de goederen nu terug te kunnen vorderen.

Ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen. [gedaagden] heeft namelijk in het geheel niet onderbouwd dat de goederen € 10.000 waard zouden zijn.

Het gelegde beslag wordt opgeheven en [eiser] moet de schade betalen

[gedaagden] vordert in reconventie tot slot (kort gezegd) opheffing van het conservatoire derdenbeslag en vergoeding van de schade als gevolg van het (onterecht) gelegde beslag.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag moet altijd een belangenafweging plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat het gelegde beslag moet worden opgeheven. Uit het voorgaande blijkt namelijk dat [eiser] geen vorderingen op [gedaagden] heeft. Het beslag is daarom ondeugdelijk gelegd en moet worden opgeheven. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Omdat [eiser] geen vorderingen heeft op [gedaagden] , is het evident dat het belang van [gedaagden] bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij handhaving daarvan. Daar komt bij dat [gedaagden] heeft toegelicht dat zij de woning niet kan verkopen, zolang er conservatoir beslag ligt op de woning. [gedaagden] ondervindt hierdoor daadwerkelijk nadeel aan het (onterecht) gelegde beslag. De rechtbank zal het beslag zelf opheffen.

De beslaglegger die ten onrechte beslag heeft gelegd is in beginsel schadeplichtig voor de schade die de beslagene daardoor lijdt. [gedaagden] vordert een bedrag van € 1.625,52 per maand vanaf 26 januari 2026 tot de datum van het opheffen van het beslag. [gedaagden] kon de woning niet verkopen door het beslag, waardoor zij extra kosten heeft moeten maken. Zij stelt dat deze kosten € 1.625,52 per maand bedragen. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking, omdat, zoals hiervoor al is overwogen, het beslag onterecht is gelegd. Bovendien heeft [eiser] (de hoogte van) het bedrag niet weersproken. De rechtbank wijst daarom toe een bedrag van € 1.625,52 per maand vanaf 26 januari 2026 (de dag dat het beslag is gelegd) tot aan de datum van dit vonnis, de datum waarop het beslag wordt opgeheven.

[eiser] moet de proceskosten betalen

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

3.723,00

(2 punten × factor 0,5 × € 3.723,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.871,00

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 10.397,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 2.193,79, te betalen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis,

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 1.000,00, te betalen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis,

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 69.450,00, te betalen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis,

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 1.652,52 per maand vanaf 26 januari 2026 tot de datum van dit vonnis, te betalen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis,

heft op het op 26 januari 2026 door [eiser] ten laste van [gedaagden] gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak, kadastrale omschrijving ‘Wonen’ ‘Erf-tuin’, staande en gelegen te [postcode] [plaats] , [adres 1] , kadastraal bekend gemeente Bunnik, Sectie [letter] , nummer [nummer] ,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.871,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

WM (5442)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand