RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12148653 \ MC EXPL 26-1578
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] N.V., mede handelende onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.J.M. Knoef.
1. De procedure
[handelsnaam] heeft [gedaagde] op 2 maart 2026 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft [handelsnaam] dertien producties meegestuurd. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarbij heeft [gedaagde] één productie meegestuurd. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij [handelsnaam] op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (repliek) en [gedaagde] daarop weer heeft gereageerd (dupliek).
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] heeft een autoverzekering bij [handelsnaam] afgesloten. Met de auto van [gedaagde] heeft een aanrijding plaatsgevonden. De auto is op de voorganger gebotst. De bestuurder van de auto was de zoon van [gedaagde] – [A] . [handelsnaam] heeft de schade aan de auto van de voorganger vergoed en daarvoor een bedrag van € 2.195,51 uitgekeerd. Omdat de zoon van [gedaagde] niet behoort tot één van de verzekerde bestuurders is op grond van de polis(voorwaarden) geen dekking onder de verzekering. [handelsnaam] heeft daarom het uitgekeerde bedrag met rente en kosten teruggevorderd van [gedaagde] . [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering.
De kantonrechter geeft [handelsnaam] gelijk. [gedaagde] moet het bedrag van€ 2.195,51, met rente en kosten, aan [handelsnaam] betalen. Hierna wordt dit uitgelegd.
De (ambtshalve) toetsing van de informatieverplichtingen en algemene voorwaarden
[gedaagde] stelt dat [handelsnaam] in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende (precontractuele en contractuele) informatieverplichtingen. [gedaagde] heeft daarbij verwezen naar de Europese Consumentenrichtlijn 2011/83/EG (hierna: de Richtlijn). [handelsnaam] heeft gemotiveerd dit standpunt van [handelsnaam] betwist. Volgens [handelsnaam] is de Richtlijn niet van toepassing op overeenkomsten betreffende ‘financiële diensten’. Onder ‘financiële dienst’ wordt verstaan ‘iedere dienst op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen’. Aangezien het in deze zaak gaat om een verzekeringsovereenkomst – autoverzekering – geldt de Richtlijn niet en kan [gedaagde] geen rechten aan de Richtlijn ontlenen, aldus [handelsnaam] .
De kantonrechter is van oordeel dat de Richtlijn niet van toepassing is. De verzekeringsovereenkomst tussen partijen geldt als een financieel product zoals bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder o van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In artikel 6:230h lid 2 onder b BW is bepaald dat daarop niet alle informatieplichten uit die afdeling van toepassing zijn. Als een verzekeringsovereenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte is gesloten dan zijn daarop de informatieplichten van toepassing zoals bedoeld in paragrafen 1 en 6 van Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW, artikel 4:20 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de paragrafen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.6 en 8.1.7 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd.
De informatieverplichtingen
In dat kader constateert de kantonrechter dat de in artikel 6:230x van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde consumentenbeschermende informatieverplichtingen zijn nageleefd, behalve ten aanzien van het herroepingsrecht. Als de overeenkomst op afstand is gesloten – volgens [gedaagde] is de autoverzekering telefonisch afgesloten –, heeft de consument het recht om binnen veertien dagen alsnog van de overeenkomst af te zien. De wederpartij heeft de plicht om daarover te informeren. Dat [gedaagde] is gewezen op het herroepingsrecht is niet gebleken. De kantonrechter verbindt vooralsnog echter geen consequenties aan deze schending van de informatieplicht, omdat de schending niet ernstig genoeg is. Daarbij is van belang dat de herroepingstermijn inmiddels is verstreken en niet is gebleken dat [gedaagde] de overeenkomst gedurende de herroepingstermijn zou hebben willen herroepen.
De algemene voorwaarden
De kantonrechter heeft verder beoordeeld of [handelsnaam] in de overeenkomst of in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden ten aanzien van de verschillende onderdelen van de vordering een of meerdere regelingen heeft opgenomen, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen daarover dat de consument – [gedaagde] – daardoor aanzienlijk wordt benadeeld, maar dat blijkt niet het geval.
De hoofdsom
Standpunt [handelsnaam]
[handelsnaam] vordert terugbetaling van het bedrag van € 2.195,51 aan uitgekeerde schade. [handelsnaam] meent dat [gedaagde] dit bedrag moet terugbetalen. [gedaagde] is de verzekeringsnemer van de autoverzekering. Op het polisblad staat een uitsluitingsclausule vermeld, waarin is bepaald:
‘Uitsluiting andere bestuurders
Schade waarbij iemand anders dan [gedaagde] en geboortedatum [geboortedatum] -1972 of [B] en geboortedatum [geboortedatum] -1969 de bestuurder is, is niet verzekerd. Als wij volgens de wet toch verplicht zijn een benadeelde partij schadeloos te stellen, dan verhalen wij de volledige schade op de verzekeringsnemer.’
Op 5 november 2024 heeft een aanrijding met de auto van [gedaagde] plaatsgevonden, waarbij schade aan de auto van de voorganger is ontstaan. De bestuurder van de auto was [A] , de zoon van [gedaagde] . Omdat de zoon van [gedaagde] niet valt onder één van de verzekerde bestuurders, zoals is bepaald in de uitsluitingsclausule, moet [gedaagde] op grond van de polis de door [handelsnaam] uitgekeerde schade aan haar terugbetalen, aldus [handelsnaam] .
Standpunt [gedaagde]
[gedaagde] is het hier niet mee eens. [gedaagde] meent dat zij niet bekend was met het feit dat alleen zij en haar ex-partner ( [B] ) verzekerd zouden zijn op de polis. Het is [gedaagde] onbekend waarom deze uitsluiting heeft plaatsgevonden en hoe dat is gegaan. [gedaagde] is ervan uitgegaan dat ook andere bestuurders verzekerd zouden zijn zoals dat gebruikelijk is. Zelf rijdt zij niet vaak in de auto. De auto werd vooral gebruikt door haar ex- partner en af en toe door haar zoon. Volgens [gedaagde] is niet aan haar de vraag gesteld of er ook andere thuiswonende of regelmatige bestuurders zijn. [gedaagde] meent dat de uitsluitingsclausule onduidelijk is en dat zij niet heeft begrepen dat een thuiswonend kind niet verzekerd zou zijn onder deze polis. Deze onduidelijkheid moet volgens [gedaagde] voor risico van [handelsnaam] komen.
Het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter is van oordeel dat de uitsluitingsclausule helder en transparant is geformuleerd en dat [gedaagde] voldoende is geïnformeerd over het bestaan van deze uitsluitingsclausule. Omdat [gedaagde] en/of haar ex-partner niet de bestuurder ten tijde van de aanrijding was, is de dekking op grond van de polis uitgesloten. [gedaagde] moet het bedrag van € 2.195,51 aan [handelsnaam] betalen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Er kan geen misverstand bestaan over de tekst. Immers, er staat letterlijk dat schades die veroorzaakt zijn door andere bestuurders dan [gedaagde] en haar ex-partner niet zijn verzekerd.
Verder heeft [handelsnaam] ook verwezen naar de wet. In artikel 7:946 lid 1 BW is opgenomen dat de schadeverzekeringsovereenkomst slechts de belangen van de verzekeringsnemer – [gedaagde] – dekt, tenzij anders is overeengekomen. [gedaagde] mocht, anders dan zij stelt, er juist niet van uitgaan dat andere partijen dan zijzelf vallen onder de dekking van de polis. Hier was/is de dekking enkel uitgebreid naar haar ex-partner en niet naar haar kinderen. Dit staat ook duidelijk op de polis vermeld. Als [gedaagde] in een verkeerde veronderstelling verkeerde, dat haar kinderen wel onder de dekking van de polis vielen, en/of zij de polis niet goed heeft gelezen, dan moet dat voor haar rekening blijven.
Dat de uitsluitingsclausule voor [gedaagde] onbekend, althans een verrassing, was, is de kantonrechter ook niet gebleken. [handelsnaam] heeft gesteld dat voordat partijen de overeenkomst sloten, heeft zij [gedaagde] wel degelijk gewezen op de voorwaarden waaronder de verzekering zou worden gesloten. De uitsluitingsclausule is daarbij een belangrijk onderdeel geweest. Zoals uit de bevestigingsbrief in productie 1 van [gedaagde] volgt, wordt in de bevestiging van de acceptatie ook duidelijk de uitsluitingsclausule vermeld. Daar komt bij dat de verzekeringsrelatie tussen partijen al sinds 2022 bestaat. Op elke polis, die [gedaagde] vanaf juni 2022, heeft ontvangen, staat de uitsluitingsclausule duidelijk vermeld. [gedaagde] heeft in al die jaren nooit tegen deze voorwaarde geprotesteerd en heeft ook nooit vragen daarover gesteld. [gedaagde] heeft dit alles onvoldoende weersproken. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, de uitsluitingsclausule duidelijk en helder is geformuleerd en dat [gedaagde] voldoende is geïnformeerd over (het bestaan van) de uitsluitingsclausule. De uitsluitingsclausule is dan ook geldig tussen partijen.
De conclusie
De bestuurder ten tijde van de aanrijding was de zoon van [gedaagde] . Volgens de polis valt de zoon niet onder één van de verzekerde bestuurders. Dit betekent dat op grond van de polis [gedaagde] de door [handelsnaam] aan de benadeelde partij van de aanrijding terug moet betalen. De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 2.195,51 wordt toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] dit bedrag aan [handelsnaam] moet betalen.
De rente
[handelsnaam] vordert betaling van de verschenen rente van € 168,89 en de rente vanaf 26 februari 2026. Tegen de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente (berekend tot en met 25 februari 2026) is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen evenals de nadien verschenen rente.
De buitengerechtelijke incassokosten
[handelsnaam] vordert een bedrag van € 398,49 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer tegen deze kosten gevoerd. De kantonrechter wijst dit bedrag toe en hij overweegt daartoe als volgt.
De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is en wordt daarom getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport BGK-integraal. Voldaan moet worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan. Voor vaststelling van hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij de in het Besluit bepaalde en door de kantonrechter redelijk geachte tarief. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 398,49 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen. Dit bedrag moet [gedaagde] aan [handelsnaam] betalen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
529,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.317,17
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.762,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.195,51 vanaf 26 februari 2026 tot de voldoening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.317,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
HHt/37278