RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12352359 \ MV EXPL 26-119 RJ/58605
Vonnis in kort geding van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.A. Bouman.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 29 september 2026 met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord van 5 oktober 2026 met producties 1 tot en met 10.
De mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 7 oktober 2026. Op 6 oktober 2026 heeft [eiseres] een e-mail gestuurd met daarin de mededeling dat zij de zaak intrekt. Op 6 oktober 2026 heeft [gedaagde] verzocht om [eiseres] te veroordelen in de proceskosten. De kantonrechter zag geen reden om het geschil over de proceskosten ter zitting te behandelen. De zitting is daarom niet doorgegaan. [eiseres] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van [gedaagde] . Van die gelegenheid heeft zij op 6 oktober 2026 gebruikgemaakt. Hier heeft [gedaagde] vervolgens op 6 oktober 2026 op gereageerd.
De kantonrechter heeft bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. De beoordeling
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een door de eiser ingetrokken zaak in kort geding aanhangig blijft op het moment dat de gedaagde aan de eiser en de kantonrechter mededeelt dat hij een beslissing over de proceskosten verlangt. Die mededeling moet de gedaagde doen binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen.
In deze zaak is de mededeling van [gedaagde] dat zij vergoeding van haar kosten vordert, op tijd gedaan. De kantonrechter zal daarom een beslissing nemen over de proceskosten.
Omdat door de kantonrechter op een geschil over de proceskosten wordt beslist, is [eiseres] op grond van artikel 3 lid 1 WGBZ (alsnog) griffierecht verschuldigd.
Om tot een veroordeling van [eiseres] in de proceskosten te kunnen komen zoals door [gedaagde] is verzocht, moet de kantonrechter beoordelen wie van partijen als de in het ongelijk gestelde partij geldt. Om dat vast te kunnen stellen, moet er worden nagegaan om welke reden(en) de intrekking heeft plaatsgevonden.
[eiseres] heeft als reden voor de intrekking gegeven dat haar, gezien haar recente ervaringen, duidelijk is geworden dat de zaak zich niet leent voor een kort geding.
De kantonrechter merkt [eiseres] om voorgaande reden aan als de in het ongelijk gestelde partij en zal haar, mede gelet op het feit dat de zaak kort voor de zitting is ingetrokken en [gedaagde] al een conclusie van antwoord had ingediend, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiseres] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. En omdat [gedaagde] als gedaagde partij geen griffierecht heeft hoeven te betalen (zoals zij lijkt te stellen), bestaat voor vergoeding door [eiseres] hiervan geen aanleiding. Verder wil [gedaagde] vergoeding van haar eigen bijdrage voor de aan haar verleende toevoeging, maar vergoeding hiervan wordt geacht te zijn inbegrepen in het toe te wijzen bedrag aan proceskosten, zodat deze vordering niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter oordeelt dat deze zaak in kort geding moet worden aangemerkt als een eenvoudige zaak. Voor een dergelijke zaak wordt het salaris van een advocaat vastgesteld op € 577,00. De kantonrechter zal het salaris in dit geval vaststellen op de helft van dit tarief (€ 288,50) aangezien het tarief is gebaseerd op het voltooien van de procedure, terwijl in dit geval geen zitting heeft plaatsgevonden. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,50
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
432,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.