RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12299295 \ UC EXPL 26-5427
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp,
tegen
[gedaagde] B.V.,
in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F. Jagersma.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft op 20 januari 2025 via zijn voormalige boekhouder zijn administratie overgedragen aan [gedaagde] . Volgens [eiser] is er toen een overeenkomst tot stand gekomen waarbij [gedaagde] financieel-administratieve werkzaamheden voor [eiser] zou gaan uitvoeren, volgens [gedaagde] niet. [eiser] heeft zijn administratie teruggevraagd op 4 maart 2025 en heeft naar zijn zeggen toen ook de overeenkomst (waarvan [gedaagde] het bestaan dus betwist) beëindigd. [gedaagde] heeft de administratie teruggestuurd op 20 mei 2025. Volgens [eiser] is dat te laat, waardoor hij niet tijdig belastingaangifte kon doen. De belastingdienst heeft vervolgens € 1.524,00 aan rente in rekening gebracht. [eiser] vordert die rente als schade van [gedaagde] , met nevenvorderingen. De kantonrechter wijst dat toe.
3. De beoordeling
[gedaagde] is aansprakelijk voor de schade
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] onvoldoende aangetoond dat een overeenkomst zoals hij stelt, tot stand is gekomen. Zoals [gedaagde] terecht aanvoert hebben weliswaar voorbereidende gesprekken plaatsgevonden, maar is onvoldoende afgesproken wat [gedaagde] precies zou gaan doen en tegen welke tarieven. Dit zijn kernverbintenissen, zonder welke een overeenkomst zoals [eiser] die stelt, te onbepaald is. Maar [gedaagde] voert onterecht aan dat op hem dan geen enkele verplichting zou rusten. Wanneer partijen in onderhandeling zijn getreden, schept dat wederzijdse verplichtingen. Één daarvan is dat in de onderhandelingsfase aan [gedaagde] ter beschikking gestelde zaken direct en op eerste verzoek aan [eiser] moeten worden teruggegeven, wanneer duidelijk is dat partijen niet met elkaar verder willen.
Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [eiser] verzoekt via zijn nieuwe boekhouder eerst op 4 maart 2025 om teruggave van zijn administratie, herhaalt dat verzoek op 14 en 31 maart 2025 en tenslotte nog een keer op 19 mei 2025. Pas dan, op 20 mei 2025, stelt [gedaagde] de administratie van [eiser] ter beschikking aan diens nieuwe boekhouder. Dat is te laat. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting. Door de herhaalde verzoeken van [eiser] verkeert [gedaagde] in verzuim. [gedaagde] moet de daaruit ontstane schade betalen.
[gedaagde] moet in hoofdsom € 1.524,00 betalen
Niet ter discussie staat dat [eiser] € 1.524,00 aan rente in rekening gebracht heeft gekregen van de belastingdienst, en ook niet dat die rente is berekend als gevolg van het te laat indienen van de belastingaangifte van [eiser] . [eiser] heeft zijn aangifte namelijk ingediend op 18 juli 2025, terwijl die aangifte gedaan moest zijn vóór 1 mei 2025. [gedaagde] betwist dat het hele bedrag als schade bij hem in rekening kan worden gebracht. Volgens [gedaagde] wist hij niet dat de aangifte op 1 mei 2025 gedaan moest zijn, heeft [eiser] zelf gezegd dat de aangifte pas op 1 juni 2025 gedaan moest zijn en heeft [gedaagde] de administratie dus tijdig teruggegeven. [gedaagde] voert verder aan dat tussen de teruggave van de administratie en het uiteindelijke indienen van de aangifte circa 8 weken zit. Volgens [gedaagde] is dat te lang en is daardoor de rente opgelopen. Volgens [gedaagde] heeft hij verder geen invloed gehad op het moment van indienen, terwijl de in rekening gebrachte rente daarvan wel afhankelijk is. Dit alles betekent volgens [gedaagde] dat hij niet aansprakelijk kan zijn voor enige schade, dan wel (zo begrijpt de kantonrechter dat betoog) dat de schadevergoeding beperkt moet worden op grond van eigen schuld van [eiser] .
Dat betoog van [gedaagde] faalt. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] zelf specialist is op het gebied van belastingaangiften of geacht wordt dat te zijn. Dat zijn immers precies die werkzaamheden die [gedaagde] voor [eiser] zou gaan uitvoeren. [gedaagde] was er dus van op de hoogte dat de aangifte vóor of uiterlijk op 1 mei 2025 gedaan moest zijn. Hij kan dus niet aan [eiser] tegenwerpen dat [eiser] heeft gezegd dat dit 1 juni 2025 zou moeten zijn, althans heeft [gedaagde] dat onvoldoende uitgelegd. [eiser] heeft voldoende onderbouwd waarom het circa 8 weken heeft geduurd voordat de aangifte gedaan was en [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. [gedaagde] was op de hoogte van de administratie van [eiser] . Het had dus op zijn weg gelegen om duidelijk te stellen wat dan wel een redelijke termijn voor een aangifte zou moeten zijn, maar dat doet [gedaagde] niet. [gedaagde] heeft wel degelijk invloed gehad op het moment waarop [eiser] zijn aangifte kon indienen. Het was namelijk [gedaagde] die met het teruggeven van de administratie heeft gewacht tot 20 mei 2025, terwijl hij dit al direct op 4 maart 2025 had moeten doen. Het oorzakelijk verband tussen de schade (betaalde rente) en het handelen van [gedaagde] is daarmee gegeven. Van eigen schuld van [eiser] is geen sprake. [gedaagde] moet de door de belastingdienst in rekening gebrachte rente volledig betalen.
[gedaagde] kan niets verrekenen
Volgens [gedaagde] kan hij, voor het geval het bestaan van een overeenkomst wordt aangenomen, zijn kosten als redelijk loon verrekend moeten worden met de schadevergoeding. De kantonrechter hoeft dat niet te beoordelen, omdat nu vast staat dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] kan dus niets verrekenen.
Op grond van het voorgaande wordt de hoofdsom van € 1.524,00 toegewezen.
Nevenvorderingen
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente over de schadevergoeding, maar wordt afgewezen. Van een handelsovereenkomst is geen sprake. De subsidiair gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW is wel toewijsbaar. Als onweersproken wordt de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025 toegewezen.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering is beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en voldoet aan die eisen. Daarom zal een bedrag van € 228,60 worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
960,52
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.524,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 228,60 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 960,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door
mr. V. Boots op 21 oktober 2026.
RW1368