RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602919 / HA ZA 25-579
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. E.J. Nieuwenhuys,
en
1. [belanghebbende sub 1] ,
te [plaats] ,
2. [belanghebbende sub 2] ,
te [plaats] ,
gevoegde partijen,
hierna samen te noemen: [belanghebbenden]
tegen
WOONGOEDVAST B.V. in zijn hoedanigheid van opvolgend procespartij van [betrokkene],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Woongoedvast,
advocaat: mr. R.A.F. Harmsen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- vonnis in incident van 28 januari 2026 - de conclusie van antwoord
- de akte wijziging eis en overlegging producties van [eisers]
- de mondelinge behandeling van 24 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Daarna heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.
2 De kern
Deze zaak gaat in de kern om de vraag of de steeg tussen die ligt tussen de [adres 1] en de [adres 2] in [plaats] een buurweg is. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een vermoeden van buurweg. De eigenaar van deze steeg – Woongoedvast – zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs tegen dit vermoeden te leveren.
3. De beoordeling
[eisers] zijn eigenaar van de woning aan de [adres 2] en [belanghebbenden] zijn eigenaar van de woning aan de [adres 1] . Tussen de percelen ligt een steeg. Die steeg leidt naar [adres 3] , dat daarachter ligt, en is de enige manier om naar [adres 3] te komen. De steeg is eigendom van dezelfde eigenaar als de eigenaar van [adres 3] , namelijk Woongoedvast (en tot 17 april 2026: de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] )). Uit de plattegrond uit de dagvaarding van [eisers] blijkt de situatie ter plekke:
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid
De buren van nummer [adres 1] en [adres 2] zijn geen eigenaar van de steeg, maar zij gebruiken deze steeg wel als achterom. Partijen verschillen van mening over de vraag op grond waarvan zij dat mogen doen. [eisers] en [belanghebbenden] (hierna gezamenlijk aangeduid als [eisers] ) vragen om een verklaring voor recht dat zij gebruik mogen maken van de steeg, omdat het een buurweg is. Woongoedvast is het daar niet mee eens; volgens haar is het gebruik gebaseerd op persoonlijke afspraken.
Buurweg – juridisch kader
De buurweg is een rechtsfiguur uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals dat gold tot 1992 (hierna: BW (oud)). Artikel 719 BW (oud) hield in:
Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.
Dat artikel is van toepassing gebleven op in 1992 bestaande buurwegen, op grond van artikel 160 Overgangswet nieuw BW. Dat artikel bepaalt dat geen wijziging wordt gebracht in de rechten, bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot een buurweg die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen is ontstaan. De buurweg komt niet meer voor in het huidige BW en sinds 1 januari 1992 kunnen geen buurwegen meer ontstaan.
Een buurweg in de zin van artikel 719 BW(oud) moet aan drie vereisten voldoen: het moet gaan om een weg, die aan verscheidene buren gemeen(schappelijk) is en tot buurweg is bestemd. Dat laatste vereiste wil zeggen dat de eigenaar er uitdrukkelijk of stilzwijgend mee moet hebben ingestemd dat de weg tot buurweg was bestemd. Er hoeft geen sprake te zijn van een uitdrukkelijke bestemming, neergelegd in een akte; een stilzwijgende bestemming is voldoende. Het kan ook worden afgeleid uit gedragingen van de eigenaar en uit andere feitelijke omstandigheden. De wijze waarop de weg wordt gebruikt kan daarbij een rol spelen. Dat neemt niet weg dat het enkele gedogen door de eigenaar van een weg van het gebruik daarvan door een buurman, nog niet meebrengt dat de weg tot buurweg wordt bestemd. Een eenmaal ontstaan recht van buurweg kan niet verjaren, maar kan alleen met toestemming van alle rechthebbenden worden opgeheven.
De bewijslast van het bestaan van een buurweg rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op degene die zich daarop beroept. Daarbij geldt dat de Hoge Raad heeft bepaald dat ongestoord bezit van een recht van buurweg het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat van (een bestemming tot) buurweg sprake is. “Ongestoord bezit van het recht van buurweg” betekent dan dat een buurman de, naar verkeersopvattingen te beoordelen, feitelijke macht over de desbetreffende weg uitoefent die past bij het gebruik van die weg als buurweg. Aangezien de buurweg vóór 1 januari 1992 moet zijn ontstaan, is alleen doorslaggevend de situatie zoals die bestond vóór deze datum.
Er is sprake van een vermoeden van een recht van buurweg
Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen de rechtsvoorgangers van [eisers] en Woongoedvast geen uitdrukkelijke afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de steeg als buurweg. Dan resteert de vraag of er stilzwijgende overeenstemming is geweest tussen de rechtsvoorgangers van [eisers] en Woongoedvast.
[eisers] hebben verklaringen overgelegd van [A] , de voormalige bewoner van de [adres 1] , [B] en [C] , van [adres 2] . Zij hebben verklaard over het gebruik van de steeg.
[A] woonde vanaf midden jaren 50 op de [adres 1] . Hij verklaart als volgt over het gebruik van de steeg:
“(…) Toen wij midden jaren 50 aan [adres 1] kwamen wonen (daarvoor zaten er huurders), heeft mijn vader een balkon aan de achterkant geplaatst en een schutting.
Dit laatste had een praktische reden om wat afscheiding te hebben tussen het intensieve gebruik van de steeg door [bedrijf] in [adres 3] en ons achtererf.
De steeg naast nummer [adres 1] konden wij al die tijd vrij en naar believen gebruiken.
Naar ik weet, is er door de eigenaar van de steeg nooit een beperking in het gebruik aan ons gegeven of een persoonlijke afspraak hierover gemaakt. Daarnaast gebruikten we de steeg dan ook regelmatig om door de kolenboer het kolenhok te laten vullen. Dit kolenhok stond op het achtererf en werd via de steeg gevuld. Kolen gebruikten we voor de verwarming, totdat we rond de jaren 70 een cv-ketel kregen.
Met ons maakten in die tijd, naast de [bedrijf] in [adres 3] , ook de familie [B & C]
van nummer [adres 2] gebruik van de steeg. (…)”
[B] en [C] woonden vanaf de jaren 60 tot 1988 op de [adres 2] . Zij verklaren als volgt over het gebruik van de steeg:
“(…) Vanaf dat wij met onze ouders daar op jonge leeftijd zijn gaan wonen tot aan het moment dat ons ouderlijke huis verkocht werd, is door onze ouders, broers en zussen voortdurend ongestoord en vrijwel dagelijks gebruik gemaakt van de steeg die loopt tussen [adres 1] en [adres 2] , en uitkomt bij de daarachterliggende schuur ( [adres 3] ). De steeg diende als uitweg om achterom op ons erf te komen en te gaan. Wij gebruikten de steeg dan ook alsof deze van onszelf was te samen met de bewoners van [adres 1] en het [bedrijf] die in [adres 3] gevestigd was tot in de jaren 80. Hierover zijn nooit persoonlijke afspraken gemaakt of vastgelegd. Dit gezamenlijke gebruik van de steeg als uitweg was gewoon een vanzelfsprekendheid en normaalste zaak van de wereld voor ons en de andere buren.
Ten tijde van de verkoop van [adres 2] is dit dan ook zo gecommuniceerd door onze ouders aan de makelaar en (potentiële) kopers.
De steeg kon in deze periode met een eenvoudige en wat gammele poort/deur worden afgesloten. Overdag stond deze poort altijd volledig open omdat het timmerbedrijf de nodige aanloop had door de dag van zowel eigen personeel, leveranciers als bezoekers. Ook maakte Fam. [A] , die tot midden jaren 70 op de [adres 1] woonde, geregeld gebruik van de steeg als achterom, zoals voor het vervoeren van goederen en spullen naar hun woning, kolenhok en hun schoenmakerij in de souterrains van [adres 4] . Hetzelfde gold voor de familie [D] die er na hen kwamen wonen in [adres 1] .
Zover wij weten zat er geen slot op de poort zelf, en kon deze poort enkel provisorisch afgesloten worden met iets van een kettinghangslot. Hetgeen zelden gebeurde en dan altijd in onderling overleg. Wij konden gewoon dagelijks van 's morgens vroeg tot 's avonds laat ongestoord door de poort in of uit de steeg gaan als wij dat wilde. Mede om die reden zette wij altijd onze fietsen, brommer en later ook de motor – op slot - in de steeg of bij ons op het erf. Als kinderen speelden wij overdag samen met de buurtkinderen vrijelijk in en om steeg. In jaren 60 werd via de steeg regelmatig olievaten voor onze oliekachel vervoerd door de olieboer, welke bij ons op het erf werden gestald. Daarnaast werd door onze ouders samen met de andere buren de steeg alsook de stoep aan de voorkant altijd netjes en schoon gehouden.
Toen wij op de [adres 2] kwamen wonen stond er geen erfafscheiding en vormde de steeg tussen de achterkant van ons huis en de schuur, en ons erf één naadloos geheel. Dit is altijd zo gebleven tot en met de verkoop in 1988. [bedrijf] gebruikte eveneens regelmatig ons erf te samen met de steeg om grote bouwsels in elkaar te zetten of een lading hout tijdelijke te stallen. Vaak stonden lange houten balken en planken tegen de zijmuur van [adres 1] tegenover ons erf. Omgekeerd gebruikten wij ook de steeg om, naast onze fietsen en brommer (s) te parkeren tegen de muur, daar andere spullen tijdelijke te stallen. Dit soort gezamenlijk gebruik was ook gewoon een vanzelfsprekendheid voor iedereen in die tijd. Indien overburen van de [straat] daarom vroegen mochten ze van onze ouders, [A] en [bedrijf] ook altijd spullen tijdelijk in de steeg of ons erf stallen.(…)”
Uit de verklaringen volgt – samengevat – dat de steeg jarenlang is gebruikt als achterom door de bewoners van de [adres 1] en [adres 2] . Daarnaast werd de steeg gebruikt om spullen door te vervoeren of tijdelijk te stallen. Er werden ook fietsen en brommers tegen de muur geparkeerd. Uit de verklaringen blijkt niet dat er toestemming van de eigenaar van de steeg nodig was om gebruik te mogen maken van de steeg of dat de toegang tot de steeg werd belemmerd. [E] waren van 1919 tot 1986 de eigenaren van het pand aan de [adres 3] . Partijen hebben geen verklaring van de (erfgenamen van) [E] in de procedure ingebracht. Wel is er een verklaring van de erfgenamen van [F] , de huurder van [adres 3] van 1930 tot 1984. De familie [F] exploiteerde daar een [bedrijf] . De erven – die als kinderen regelmatig op bezoek kwamen in de [bedrijf] – bevestigen in hun verklaring dat “De steeg naar de werkplaats achter de [adres 2] werd in die tijd gebruikt voor aan- en afvoer van materialen, machines en houtwerken, als ook opslag van hout. Naast de werknemers en klanten, maakten eveneens de buren van beide kanten gebruik van de steeg als achterom of om spullen buitenom te vervoeren van/naar hun erf.” Ook [betrokkene] zelf maakte gebruik van de steeg als achterom, in de periode van 1970 tot 1989 toen hij woonde aan de [adres 5] , zoals hij ter zitting heeft verklaard. De achterzijde van het perceel van [adres 5] grenst namelijk ook aan de steeg.
Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de buren van [adres 1] en [adres 2] feitelijke macht over de desbetreffende weg uitoefenden die past bij het gebruik van die weg als buurweg. Juridisch levert dat het vermoeden van een recht van buurweg op. Dat recht omvat in dit geval het gebruik van de steeg als achterom door voetverkeer, al dan niet met een voertuig (fiets, brommer of motor) aan de hand, en door voetverkeer dat spullen vervoert. Het omvat ook het tijdelijk of langdurig stallen van fietsen tegen de muur van de steeg en het stallen van bouwmateriaal, huisraad en ladders.
Woongoedvast voert nog aan dat – voor zover er ooit een recht van buurweg is ontstaan – dat recht is geëindigd in 1988 doordat [betrokkene] de toenmalige bewoners van [adres 2] ( [G] en [H] ) per brief erop heeft gewezen dat er uitdrukkelijk geen recht van overpad rustte op de steeg. Voor zover [betrokkene] hiermee in 1988 heeft bedoeld om een einde te maken aan de buurweg, geldt het volgende. Een recht van buurweg kan alleen worden beëindigd met toestemming van alle rechthebbenden op het recht van buurweg. Dat betekent dat [betrokkene] ook de toenmalige bewoners van [adres 1] – familie [D] – om opheffing had moeten vragen. Dat is niet gesteld of gebleken.
Dit betekent dat er een vermoeden van een recht van buurweg is. De rechtbank zal Woongoedvast toelaten om tegenbewijs tegen dit vermoeden te leveren.
Als Woongoedvast van deze gelegenheid gebruik maakt, zullen [eisers] daarbij (in contra-enquête) de kans krijgen om nader bewijs bij te brengen. Slaagt Woongoedvast niet in het tegenbewijs, dan komt het gestelde recht op buurweg vast te staan.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank
laat Woongoedvast toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat de steeg tussen [adres 1] en [adres 2] in [plaats] (perceel [nummer] ) een buurweg is in de zin van artikel 719 BW(oud),
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 november 2026 voor uitlating door Woongoedvast of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, of dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid om tegenbewijs te leveren,
bepaalt dat, als Woongoedvast geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als Woongoedvast getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2026 tot en met februari 2027 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat, als er een getuigenverhoor komt, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. drs. G. Boonzaaijer, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1,
bepaalt dat, als er een getuigenverhoor komt, alle partijen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
WD 5648